Nietzsche

Salomon Bouman

vrijdag 27 augustus 2021

Wie de moeite neemt regelmatig het NIW te lezen of de tweets van Roni Naftali in zich opneemt weet dat het bestrijden en analyseren van antisemitisme een vaak terugkerend thema is. Niet zo verwonderlijk want antisemitisme gekoppelde aan antizionisme, aan Israël dus, steekt in allerlei vormen de kop op, mede als gevolg van de wereldjournalistiek.

In Israël is het makkelijk werken voor journalisten, omdat het land een open democratie is met een vrije pers die voor iedereen waar ook ter wereld toegankelijk is.

Dus is het lezen van de Jerusalem Post en kritische artikelen in Haaretz in het Engels een bron voor columns en artikelen.

Berichtgeving over het Syrische drama, de Iraakse crisis en de burgeroorlog in Jemen is met betrekking tot het aantal woorden dat over Israël verschijnt summier. In die landen zijn geen correspondenten die dagelijks verslag zouden kunnen doen van moordpartijen, verkrachtingen en schending van mensenrechten in het algemeen.

Daarentegen is Israël een bolwerk van correspondenten. Ik was gedurende bijna veertig jaar een van hen. Als ik mezelf de spiegel voorhoudt, beken ik dat ik misschien te uitvoerig over Israël heb bericht. Maar ja … het waren tijdens mijn correspondentschap bijzonder dramatische jaren. De Zesdaagse oorlog, de uitputtingsoorlog, de Jom Kipoeroorlog, de verkiezingszege van Likoed onder Menachem Begin in 1977, de komst van de Egyptische president Anwar Sadat naar Jeruzalem, de vernietiging van de Iraakse atoomreactor, de eerste intifada, de massale immigratie uit de vroegere Sovjet-Unie, de dramatische komst van Ethiopische Joden, het Oslo-akkoord (opening naar een Palestijnse staat), de komst van Jasser Arafat naar Ramallah, de moord op Jitschak Rabin, de Libanese oorlog – om slechts enkele fasen uit Israëls roerige jaren tijdens mijn correspondentschap te belichten.

De journalistieke aandacht richt zich nu voornamelijk op het nederzettingenbeleid, de onderdrukking van de Palestijnen in relatie tot mensenrechten en Israëls militaire acties tegen de Palestijnen in Gaza. Gedurende mijn correspondentschap kon ik verslag doen over de consolidatie van Israël in de periode 1967-2000. Dat was het ‘grote verhaal’.

Correspondenten die nu actief zijn in Israël, moeten vaak met een vergrootglas naar een onderwerp zoeken en dan doemt alles wat met Palestijnen en nederzettingen heeft te maken op als redder in nood.

Natuurlijk komen ook wel andere onderwerpen aan de orde, zij het sporadisch. De nadruk ligt op het negatieve. De lezer en kijker wordt gebombardeerd met informatie die al te nadrukkelijk de twijfelachtiger keerzijde – en die is er – van Israël belicht. Met uitzondering van de complimenten die Israël kreeg voor de snelheid van vaccineren tegen het coronavirus en de bloei van de hightech.

Hoe zou de in zijn tijd belangrijke Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) naar het Joodse land hebben gekeken? De mythe wil dat hij een antisemiet was en als zodanig populair is in extreemrechtse intellectuele kringen.

Hoewel hij een vrijdenker en antinationalist was, denk ik dat hij zich zou hebben verzoend met het bestaan van een Joodse staat tegen de achtergrond van de Sjoa en virulent antisemitisme dat in Duitsland de kop opstak. Dat antisemitisme werd gevoed door de razendsnelle emancipatie van de Duitse Joden, die in nog geen eeuw tijd op alle niveaus topposities in Duitsland innamen in de wetenschap, literatuur, muziek en financiën. De Joodse minister van Buitenlandse Zaken Walter Rathenau, die uit naam van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog het verdrag van Versailles tekende, werd wegens zijn vermeende verraad van Duitsland – het opleggen van gigantische schadevergoedingen – vermoord.

De volgende tekst van Nietzsche doet misschien recht aan mijn veronderstelling:
“Men heeft de joden verachtelijk willen maken door hen tweeduizend jaar lang als verachtelijk te behandelen, hun toegang te ontzeggen tot alle eer en alles wat eerbaar was en hen zodoende steeds dieper in de smerigste soorten nering te drijven”, schreef Nietzsche, die vijandschap tegen de Joden afkeurde en zelfs een ‘morgenrood’ van het jodendom verwachtte. “Zij hebben evenwel nooit opgehouden zich tot de hoogste dingen geroepen te voelen en evenzo heeft de deugd van ieder die lijdt, nooit opgehouden hen te sieren.”

Nietzsche wijst er op dat hun liefde voor kinderen en de diepte van hun huwelijken de Joden een bijzondere plaats in Europa geeft.

“In Europa hebben zij een harde scholing doorgemaakt, die achttien eeuwen heeft geduurd. Geen ander volk kan hierop wijzen. Dientengevolge zijn de psychische en geestelijke hulpbronnen bij de huidige Joden buitengewoon groot.”

Harry Mulisch concludeerde in zijn boek De zaak 40/61 dat Nietzsche “ongetwijfeld tot Hitlers tegenstanders beschouwt zou moeten worden.”

En dus ook als een strijder tegen antisemitisme.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.
Dann werden sie die Erfinder und Wegzeiger der Europäer heißen und nicht mehr deren Scham beleidigen. Und wohin soll auch diese Fülle angesammelter großer Eindrücke, welche die jüdische Geschichte für jede jüdische Familie ausmacht, diese Fülle von Leidenschaften, Tugenden, Entschlüssen, Entsagungen, Kämpfen, Siegen aller Art, — wohin soll sie sich ausströmen, wenn nicht zuletzt in große geistige Menschen und Werke! Dann, wenn die Juden auf solche Edelsteine und goldene Gefässe als ihr Werk hinzuweisen haben, wie sie die europäischen Völker kürzerer und weniger tiefer Erfahrung nicht hervorzubringen vermögen und vermochten, wenn Israel seine ewige Rache in eine ewige Segnung Europa’s verwandelt haben wird: dann wird jener siebente Tag wieder einmal da sein, an dem der alte Judengott sich seiner selber, seiner Schöpfung und seines auserwählten Volkes freuen darf, — und wir Alle, Alle wollen uns mit ihm freun!

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 0000