Het lek

Simon Soesan

vrijdag 20 februari 2015

Om middernacht maakten de kinderen ons wakker. Ze roken gas in het trappenhuis. Hun moeder stond meteen op en ging ruiken. Ze kwam terug naar onze slaapkamer en zei dat er inderdaad een gaslucht was. Dat houdt in dat ook ik op moest staan om te ruiken, wat ik natuurlijk deed. Er was een gaslucht, maar niet al te erg. "We doen de ingangsdeur van het gebouw open, dan is die lucht weg," zei ik moe. "En die gaslucht dan? Er moet ergens gas openstaan," zei mijn vrouw.
Ik legde uit dat we ons daar de volgende dag zorgen om zouden maken. Gedurende de nacht, en vooral tussen vrijdag en sjabbes, slaap ik graag.

Om half drie klopte onze oudste aan de deur. Ze woont beneden en de gaslucht was niet te genieten. Onderweg naar beneden ging de deur van onze benedenbuur, Gideon, open. Zijn schoonzoon, een politieagent, kwam naar buiten en zei: "Wat een stank hier. Het lijkt wel gas!" Hij ging met me mee. Samen liepen we alle zes de deuren van de flats af en roken aan de zijkanten. Geen gaslucht. Toen we de benedenverdieping probeerden, was de gaslucht wel heel erg zwaar. Dat gas valt en niet stijgt, had er veel mee te maken.
Onze dochter en haar vriend waren al naar ons toe. Naast hen woont nog iemand, maar de reuk was het sterkst vanuit een andere kamer. Ik keek de agent aan. "Wat doen we?" vroeg hij mij. "De politie bellen?" stelde ik voor. Hij knikte en ik haalde mijn mobieltje tevoorschijn en belde het alarmnummer van de politie.
Na zo’n acht minuten werd er aangenomen. "Goeienacht," zei ik beleefd. Hij vroeg naar mijn naam, die ik gaf. "Miemon?" vroeg de agent. "Nee, Simon," antwoordde ik. "Liemon?" vroeg de man weer. "Nee, Simon," zei k weer, beleefd. "Chiemon?" vroeg hij weer. "Sie-mon" zei ik langzaam. Hij vroeg het adres. Ik gaf het. "In welke stad?" vroeg de agent van het alarmnummer van politie in Haifa. "Haifa" zei ik droog. Ik legde uit waar het om ging en gaf het nummer van mijn mobieltje.

In drie minuten was er een patrouillewagen. Drie agenten sprongen eruit. "De brandweer is onderweg!" schreeuwde er een, terwijl hij op ons gebouw afrende. Samen met zijn collega’s begon hij op alle deuren te slaan en aan de bellen te trekken. "Dit is de politie!" schreeuwden ze opgewonden. "Er is een kans dat het gebouw op ontploffen staat, allemaal naar buiten!"
Eén voor één kwamen onze buren naar buiten. Moe, met slaperige ogen, maar ze moesten allemaal naar buiten. Tegelijkertijd kwam de brandweer met zwaaiende lichten de straat ingereden. Zes man sprongen de wagen uit en renden op ons gebouw af. Avram, altijd bereid om ruzie te maken – wat hij al maanden niet meer doet - vroeg de agenten en brandweermannen wat ze eigenlijk wel dachten. Alle flats werden doorgeroken. Geroken, want onze dappere mannen hadden geen apparatuur bij zich om de mogelijke reden van de gaslucht te vinden.
Een nieuwe wagen met zwaailichten kwam aangereden. De vertegenwoordiger van het gasbedrijf was aanwezig. Nu werd het pas mooi!

De man schudde handen met de aanwezige vertegenwoordigers van de politie en brandweer en, onder het toeziend oog van tientallen, draaide hij de hoofdkraan van het gas dicht. Stilte viel alom.
"En verder?" vroeg Avram. "Verder niks," zei de man van het gasbedrijf. "Ik ga 's nachts niet werken, morgen is het sjabbes en dan doe ik het echt niet, dus we kijken zondag wel weer."
Zelfs in het donker zagen we Avram rood worden. Ook Gideon, nu een partner van Avram, mengde zich in het gesprek. "U gaat me zeggen dat we tot zondag geen gas hebben?" vroeg hij link. De man van het gasbedrijf stak een sigaret op – nu het gas toch dicht zat – en knikte instemmend.
Mijn vrouw gaf me een duwtje in hun richting, maar ik wachtte het mooi af.
"Mesjoggene debiel!" schreeuwde Avram opeens. "Wat denk je wel? Wij maar op tijd jullie belachelijke rekening betalen en jij nou niks voor ons willen doen?"
De man van het gasbedrijf bleef roken en knikken.
"Weet je wat we gaan doen?" schreeuwde Gideon. "We doen het gas aan en dan lopen we met een lucifer om het gebouw heen totdat we het lek vinden.
"Angelegen …" zei de man van het gasbedrijf, die nog een sigaret opstak.

Op dat moment kwam John aangelopen. "Ehhh, ik verzoek jullie attentie … ehhh, het schijnt dat Cora, mijn vrouw dus, het gas heeft aangelaten en daar geen erg in had."
Nu werd Avram helemaal boos.
"Zie je nou waarom Engeland het keizerrijk kwijt is?" vroeg hij boos aan John. "Omdat jullie allemaal stomme honden zijn!" John wilde het cultureel houden en zei: "Mijn beste man, er is geen enkele reden om zo boos te worden, we zijn immers slechts mensen."

De agenten waren al aan het weglopen en de brandweerlui zaten al op hun wagen. Wij allen liepen langzaam terug naar onze flats en Avram bleef nog even bij John staan. "Volgende keer kom ik effe bij je kijken met een lucifer …" siste hij John toe. John keek ontdaan, maar zei niets. Thuisgekomen gingen we allemaal meteen naar bed. Het was vier uur in de ochtend.

"Ruik jij wat?" vroeg mijn vrouw van onder de dekens. Ze begon te lachen. Ik niet.
Ik slaap namelijk graag 's nachts, vooral tussen vrijdag en sjabbes.

© Simon Soesan


(Deze column verscheen eerder, in 2005, in het NIW)

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011