Doen we meteen!

Simon Soesan

vrijdag 21 februari 2014

“Moet je Alfie bellen, die geeft prima service!” zei Bassam, terwijl hij twee koekjes op at. We zaten in zijn vernieuwde appartement. Tijdens de laatste oorlog met Libanon was er een Franse raket in zijn straat geland en bij de explosie hadden ook hij en zijn vrouw Zjieda schade opgelopen aan hun appartement. Wij zochten een loodgieter omdat we vermoedden dat onze waterleiding ergens lekte. “Ik ken geen Alfie,” zei ik bedenkelijk. “Ja, nou, wat jij wel en niet weet is geen voorbeeld voor de wereld, jij weet amper hoe je heet,” zei mijn vriend. Hij schreef het mobiele nummer van Alfie op en gaf het aan mij.

De volgende dag belde ik Alfie.

“Met Alfie,” schreeuwde een man door de telefoon. Ik legde hem uit wat ons probleem kon zijn en vroeg hem wanneer hij langs kon komen. We spraken af voor vrijdag, de dag dat ik vrij ben. Enkele dagen later was het zover en wachtte ik op de afgesproken tijd op Alfie. Op de afgesproken tijd kwam hij niet. Ook een uur later was hij er nog niet. Ik besloot hem te bellen.
“Waar blijf je nou?” vroeg ik hem.
“Ik ben bij je om de hoek!” schreeuwde Alfie. “Ik ben er zo!”
Hij hing op en ik wachtte weer. Tegen de middag probeerde ik hem nogmaals. “Ik ben een seconde van je af, ik ben er zo!” was Alfie’s antwoord.
“Als je hier niet voor enen bent, hoeft het niet meer!” zei ik hem. Even was het stil aan de andere kant.
“Nou zeg, wat kinderachtig!” zei Alfie. “Een paar minuten vertraging en je hebt geen geduld?”
“Een paar minuten?” vroeg ik, nu boos. “Een paar minuten? We hadden om half acht afgesproken en het is nu half één. En je zegt dat je bij me om de hoek zit!”
“Nou ik ben er zo, echt!” zei Alfie weer. En inderdaad, tot mijn grote verrassing kwam er even later een auto onze straat binnenrijden. Ik schrijf ‘auto’, want het ding reed op vier wielen. Een oude bestelwagen van de jaren zestig reed schokkend en gierend onze straat in. En zoals ik al vermoedde, toen hij de motor uitzette, kwam er een plof met zwarte rook uit de uitlaat. Een mannetje met o-benen, korte broek, blauwe vale werkbloes en een heuse kova tembel kwam uit de wagen. “Ongeduldig mannetje ben jij!” zei hij terwijl hij mijn hand schudde. “Kom op, gaan we meteen aan het werk!”
Hij liep om ons huis heen, keek tussen het zand en gras en stopte. “Aha! Hier hebben we de boosdoener!” zei hij, terwijl hij op de natte grond wees. Je hebt een lek, maak ik zo in orde.” Hij liep naar de wagen, startte de motor en reed weg. Ik keek hem stomverbaasd na. Snel belde ik hem.
“Waar ga je nou heen?” vroeg ik hem.
“Ik ga effe eten, thuis, en dan maak ik het zo voor je in orde!” schreeuwde Alfie.
“Waar woon je dan?” vroeg ik.
“Vlak bij, in Tivon!” riep hij terug. Ik keek verstokt naar mijn telefoon. Tivon is net een half uurtje van Haifa, maar met het verkeer op vrijdag, de dag dat we het weekend ingaan, kan het wel een uur duren.
“Kom je wel terug voor sjabbes?” vroeg ik bezorgd.
“Oh, en nou zijn we religieus? Ik zag anders geen keppeltje! Ik kom heus snel terug, wees nou niet zo ongeduldig!” zei hij en hing op.
Ik ging maar naar binnen en keek naar de liefste vrouw van de wereld. Deze keek me even aan en snapte het al. “Zullen we dan maar gaan eten?” stelde ze slim voor. Ik knikte.

Om vier uur werd er buiten hard getoeterd. Ik rende naar buiten, daar de buren lawaai op vrijdagmiddag, als iedereen rust, niet op prijs stellen. Toen ik buiten kwam, had Alfie onze hoofdkraan al dicht, was aan het spitten in de tuin, legde een waterpijp bloot en begon te werken. Even later stond hij lachend op. “Klaar, geen probleem en toch gedaan voor sjabbes!” zei hij trots en deed de hoofdkraan open. Een fontein, hoger dan de Jet d’Eau in Genève, kwam uit onze tuin tevoorschijn. “Oi-ve-avoi!” was alles wat Alfie te zeggen had. Snel sloot hij de hoofdkraan. “Nou, ga jij maar naar binnen, ik hou niet van pottenkijkers!” zei Alfie en ging weer aan het werk.

Om acht uur die avond werd er uit de tuin gefloten. “Het is gelukt, met je haast!” riep Alfie. Ik ging naar buiten en keek met verbazing naar de volkomen omgespitte tuin. Alfie stond me trots aan te kijken. Hij had een stukje papier in zijn handen. De rekening. Ik keek naar het bedrag, dat niet hoog was en betaalde hem meteen.
“Heb je koffie voor me? Misschien een gebakje erbij?” vroeg Alfie onbeschaamd. Ik keek naar de volkomen modderige man. “Komt er zo aan, mijn vrouw is om de hoek, je hebt het binnen een paar minuten!” zei ik hem opgetogen. Hij vernauwde zijn ogen, haalde diep adem, liep naar de wagen en reed weg.
Geen gevoel voor humor, zeg ik u.

© Simon Soesan


(Deze column verscheen eerder in het NIW)

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011