Praatjesmaker

Simon Soesan

vrijdag 25 november 2011

“Ik dus zo’n beest zoeken,” zei Chielik.
We zaten met wat vrienden in het restaurant van Chaled en Chielik, een kennis van ons, was er bij komen zitten. Hij had een verhaal en moest dat duidelijk kwijt. Het ging, vertelde hij, over het verjaardagscadeau voor zijn vrouw, die om een papegaai had gevraagd.
Chielik zette zijn glas citroensap aan zijn mond en dronk het met gesloten ogen leeg. “Ik had een adres gekregen van een winkeltje in Tel Aviv en dat scheen allemaal best kosjer te zijn, dus ik erheen. Die man daar begreep wat ik wilde en haalde meteen dat sprekende beest tevoorschijn. Hij garandeerde dat dat beest kon praten, dus heb ik hem gekocht. Voor een mooie prijs trouwens.”
Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd en ging door.
“Ik heb nog een kooi gekocht en snel geleerd hoe je zo’n beest moet vasthouden en voeren en toen met dat beest naar huis. Diezelfde avond heb ik hem aan mijn vrouw gegeven. En blij dat ze was...!”
“Dat was je verhaal?” vroeg Bassam verbaasd en met volle mond.
Chielik keek mijn vriend verstoord aan.
“Als jij nou gewoon je mond blijft volproppen en me niet in de rede valt, dan kan ik verder vertellen.”
Hij keek de tafel rond en vervolgde zijn monoloog.
“De eerste dagen zei dat beest niks. En Tsippy, mijn vrouw, maar tegen dat beest kakelen, terwijl dat beest haar stom bleef aankijken. Net voordat we dachten dat het beest niks kon zeggen, begon het.”
Vol verwachting keken we hem aan.
“We zaten net te eten toen Tsippy hem nogmaals iets toeriep. Zei dat beest ineens: ‘Allah hoe akhbar (Allah is groot)!’
Mijn vrouw en ik keken elkaar verbaasd aan.
‘Allah hoe akhbar!’ schreeuwde dat beest nog een paar keer.
Eerst dachten we dat het een geintje was, maar dat beest ging maar door. De volgende ochtend begon hij weer en zei hij ook ‘Sabach el cheer (goedemorgen)!’
Twee dagen lang alleen die zinnen: ‘Allah hoe akhbar’ en ‘Sabach el cheer’ ... we werden er knettergek van.”
Hij keek om zich heen. Bassam probeerde zijn lachen in te houden, maar liep rood aan en begon met volle mond te hoesten.
Chielik keek hem vol afgrijzen aan.
“Wij dus terug naar die winkel, waar ik het die man vertelde. Keek die kerel me aan alsof hij me niet begreep. Dus legde ik het nog een keer uit. ‘En wat wilt u nou van me?’ vroeg die man. ‘U vroeg om een sprekende papegaai en hij spreekt toch?’
Ik begon tegen die man te schreeuwen dat ik geen Arabische gebeden had bedoeld en verwachtte dat dat beest Ivriet sprak. Waarop die man terug schreeuwde dat er maar zeven miljoen mensen in de wereld Ivriet spreken en meer dan een miljard mensen Arabisch. Bovendien had ik dat er niet bij gezegd toen ik hem kwam kopen. Toen ben ik zo gaan schelden, dat er een agent op af kwam. Die hoorde mijn verhaal aan en gaf vervolgens die winkeleigenaar gelijk.”
Weer keek hij in het rond, duidelijk in de verwachting bijval te krijgen.
“Dat beest spreekt toch?” zei Chaled geslepen.
“Ja, en hij prijst Allah en zegt nog goeiemorgen ook,” zei Bassam gemeen.
Hij knipoogde naar me.
“Als je wilt, kan ik dat beest wel leren vloeken ...” bood hij nog behulpzaam aan.
Chielik keek ons verslagen aan.
“Dus jullie geven mij ook geen gelijk?” vroeg Chielik, zichtbaar teleurgesteld.
“Wil iemand van jullie dan toevallig een Arabisch sprekende papegaai kopen?”
We keken elkaar allemaal aan.
“Ik kan wel eens papegaai op het menu zetten ... ” probeerde Chaled.
Chielik stond op en liep kwaad weg. Hij keek nog even om.
“Allah hoe akhbar!” riepen we allemaal in koor.

© Simon Soesan

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011