De Finklerkwestie

Leo Frijda

vrijdag 4 maart 2011

Joodse literatuur is de schatkamer van de Joodse ervaringswereld, zo eindigde ik mijn column van vorige week. Het was een citaat uit mijn eerste column, herhaald om zo een eerste serie van columns af te ronden. Die columns gingen vooral over Joodse schrijvers uit de eerste helft van de 20e eeuw, die vaak al verregaand waren geassimileerd, al hadden ze hun Jood-zijn nog niet volledig afgelegd. Ich sei Jude, damit sei alles gesagt, meende Jakob Wassermann, één van de door mij besproken schrijvers. Het opkomend antisemitisme dwong hen echter om zich de vraag te stellen naar de betekenis van hun Joodse wortels. Aangewezen als Jood, noemde de naoorlogse schrijver Georges Perec dat. We kwamen het in veel varianten tegen, bij Imre Kertész, bij Egon Erwin Kisch, bij Stefan Zweig.

Vanaf deze week zal ik mijn blik wat meer richten op de huidige Joodse literatuur. In die literatuur is de grote brand nog steeds niet uitgewoed. Er is Israël met veel boeken. En buiten Israël gaat het niet meer om assimilatie maar om integratie met behoud van een Joodse identiteit. Wat betekent het om nu Jood te zijn? Het zullen geen boekbesprekingen worden. Net als bij de eerste serie columns zal ik steeds mijn eigen voorkeur volgen en nogal vrij verbindingen leggen. Op de vraag wat het betekent om nu Jood te zijn is vanzelfsprekend geen eenduidig antwoord te geven. Het gaat om een caleidoscoop met zijn bonte en bij elke beweging steeds weer wisselende beelden.

De vergelijking met een caleidoscoop dringt zich meteen op bij het lezen van het nieuwe boek van Howard Jacobson, The Finkler Question (De Finklerkwestie). Voor dat boek kreeg Jacobson vorig jaar de Man Booker Prize en het is daarom nu in het Nederlands vertaald. Op de omslag staat dat Jacobson volgens The New York Times vergeleken kan worden met Philip Roth en dat zijn humor doet denken aan Woody Allen. Vorige week dinsdag werd Jacobson geïnterviewd in De Balie. Het was uitverkocht en de aanwezigen genoten zichtbaar. Wie zijn boek had gelezen met de vele scherpe en geestige dialogen, hoorde hem op dezelfde puntige en soms provocerende manier praten. En wie het boek van Jacobson nog niet had gelezen, zal het ongetwijfeld onmiddellijk hebben aangeschaft.


Howard Jacobson

Howard Jacobson heeft een groot aantal publicaties op zijn naam staan. Ik las na De Finklerkwestie ook Kalooki Nigths uit 2006 en dat kan ik eveneens zonder meer aanraden. Hopelijk wordt die roman nu ook vertaald. Daarnaast schreef Jacobson non-fictie waaronder Roots Schmoots, Journeys Among Jews, de zoektocht naar zijn Oost-Europese wortels. En hij heeft nog steeds een column in The Independent. Deze publicaties draaien vaak om de vraag wat het betekent Jood te zijn in deze tijd.

De Finklerkwestie kent drie hoofdpersonen. De schoolvrienden Julian Treslove en Sam Finkler en hun vroegere leraar Libor Sevcik. Zij hebben, ondanks het leeftijdsverschil, altijd contact met elkaar gehouden. Finkler en Sevcik zijn Joden, Treslove niet. Finkler en Sevcik zijn weduwnaar, Treslove lukt het maar niet om een blijvende relatie met een vrouw aan te gaan. Treslove heeft een opvallende eigenschap, hij ziet dingen aankomen, vooral ongelukken. En op een avond wordt hij overvallen, door een vrouw. Hij hoort haar iets zeggen. Wat weet hij niet precies. Het klonk als Jo en dat laat Treslove niet los. Hij blijft er maar over peinzen en het lijkt hem steeds waarschijnlijker dat de vrouw Jood heeft gezegd. Zo waarschijnlijk dat hij het uiteindelijk als de enige mogelijkheid ziet. Treslove gaat daardoor denken dat hij eigenlijk Joods is. In ieder geval wil hij een Jood worden. Ik wil het ritueel, ik wil de familie, ik wil weten hoe de Joodse wereld van alledag werkt. En hij wil een Joodse vrouw. Maar dat gaat zo gemakkelijk nog niet.

In De Balie zei Jacobson dat hij, net als Treslove, zelf ook altijd denkt dat er iets verkeerd zal gaan. In dit opzicht lijkt Treslove een beetje op Jacobson. Maar er is meer. Bij het lezen van zijn non-fictie viel het mij op dat Jacobson ook wel eens ‘Jood’ heeft gehoord waar iets heel anders werd gezegd en in zijn jonge jaren eveneens met de gedachte aan een mogelijk andere afkomst heeft gespeeld. In een column in The Independent haalt Jacobson een scene aan uit de film Annie Hall waarin Woody Allen de vraag D’you eat? verstaat als Jew eat? Jacobson vertelt dat hij zelf iemand in een supermarkt I hate Jews hoorde zeggen. In werkelijkheid had men het over Highgate, at two. It’s a Jewish joke against ourselves that we find anti-Semitism everywhere, merkt Jacobson op. Roots Schmoots begint met de bekentenis dat hij zich vroeger niet Joods voelde en in dat verband citeert hij de Joods-Amerikaanse comedian Lenny Bruce. ‘A lot of Jews who think they’re Jewish are not,’ Lenny Bruce used to sweet-talk his audience, ‘they’re switched babies.’

Waarom die omkering, werd in De Balie aan Jacobson gevraagd. Is het niet nogal eigenaardig dat iemand Joods zou willen zijn. Ach nee, was het wat ontwijkende antwoord, iemand anders willen zijn komt veel voor en waarom dan niet Joods. Belangrijker echter was wat hij daarna opmerkte. De keuze voor een figuur als Treslove, zei Jacobson, verschuift het perspectief en dat maakt de Joodse wereld, die in de roman uitgebreid aan de orde komt, misschien toegankelijker voor anderen.

Er is nog een thema in de roman dat ik kort wil aanstippen. In De Balie formuleerde Jacobson het zo: tijdens het schrijven kwam de werkelijkheid de roman binnen. Jacobson schreef aan zijn boek toen Israël een vergeldingsaanval uitvoerde op Gaza. De deur van de roman ging open, zei Jacobson. We vinden het tijdsbeeld vooral terug bij Sam Finkler die zich op de televisie zo uitliet: Over de Palestijnse kwestie ben ik een en al schaamte. Met het gevolg dat Finkler het boegbeeld wordt van wat in de roman de AS-joden worden genoemd, alle zich schamende Joden (in de oorspronkelijke tekst ASHamed Jews). Later neemt Finkler echter afstand. Jacobson zei tijdens het interview in De Balie verschillende keren met nadruk dat een roman fictie is en dat hij in fictie nooit een bepaald standpunt inneemt of wenst te verkondigen. Dat laat hij over aan zijn romanfiguren.

Wie in het boek over de AS-joden leest, ontkomt niet aan een parallel met ‘Een ander Joods geluid’. Ook in De Finklerkwestie worden de zich schamende Joden ervan beschuldigd dat zij eigenlijk antisemieten zijn, Joodse antisemieten, zegt Sevcik. Er komen niet-Joden in voor die dankbaar gebruik maken van wat de AS-joden zeggen. Een weldenkende Jood die Joden aanviel, was een buitenkansje. En je leest over religieuze Joden die altijd dezelfde riedel afsteken: hoe klein Israël was, hoe oud de Joodse rechten op het land, hoe weinig Palestijnen daar echt waren geboren, hoe Israël van alles en nog wat had aangeboden, maar iedere poging vrede te sluiten door de Arabieren was afgewezen, hoe een veilig Israël belangrijker was dan ooit, in een wereld waarin het antisemitisme toenam.

Maar de roman van Jacobson is meer dan een geestig verhaal waarin veel aspecten van modern Joods leven over elkaar heen buitelen.

Treslove is een man zonder bindingen, al heeft hij wel zijn twee vrienden Finkler en Sevcik. Hij is jaloers. Joden, dacht Treslove vol bewondering. Joden en muziek. Joden en familie. Joden en hun loyaliteit ... Treslove kan het eigenlijk niet uitstaan dat zijn vrienden een identiteit hebben en hij is ook jaloers op de herinnering die zij koesteren aan hun overleden echtgenotes. Toch is De Finklerkwestie niet alleen een roman over Joden. Het is tevens een roman over liefde en vooral over vriendschap. Maar ja, Joden zijn net mensen, boeiende mensen dat wel.


Howard Jacobson, De Finklerkwestie, Prometheus, 2011
3 + 3 = ?

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.