Joseph Roth (1894-1939)

Leo Frijda

vrijdag 16 mei 2014

Joseph Roth stierf op 27 mei 1939, over ruim een week vijfenzeventig jaar geleden. Voldoende aanleiding om hem te herdenken. In Amsterdam wordt daarom maandag 19 mei in de Stadsschouwburg een hommage aan Roth gebracht onder de titel Vlucht zonder einde. In de voor te dragen teksten staan de laatste levensjaren van Roth centraal. Wie nog geen kaarten heeft, kan op 1 juni naar Oostende gaan om daar deze literaire manifestatie te zien.

Dit herdenkingsjaar is bovendien een aantal boeken verschenen waar ik in deze column de aandacht op wil vestigen. De titel van de ode aan Roth van maandag aanstaande is ontleend aan zijn roman Die Flucht ohne Ende uit 1927. Vorige maand is in de reeks L.J. Veen Klassiek Vlucht zonder einde verschenen, in de vertaling van Elly Schippers en met een inleiding van de hand van Arnon Grunberg. Grunberg noemt Roth ‘een van de grootste connaisseurs van de ondergang die de twintigste eeuw heeft voortgebracht.’

Grunberg merkt in zijn inleiding terecht op dat het in deze roman niet gaat om “het trauma van de oorlogsverschrikkingen. Het probleem is eerder dat de militair terugkeert in een wereld die hij niet meer herkent en waarin hij ook niet meer echt welkom is.” De hoofdpersoon is Franz Tunda, eerste luitenant in het Oostenrijkse leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakt hij in Russische krijgsgevangenschap. Weer terug in Wenen en Parijs, weet hij niet meer wat hij moet doen. “Niemand in de wereld,” zo eindigt de roman, “was zo overbodig als hij.”

Afgelopen maart publiceerde Uitgeverij Bas Lubberhuizen Hotelmens, Reportages en brieven, samengesteld en van een nawoord voorzien door Els Snick. Het zijn de stukken die Roth schreef over de hotelwereld, vooral voor de Franfurter Zeitung, aangevuld met enkele brieven. Het boekje is verlucht met schitterende tekeningen van Peter van Hugten die wonderwel passen bij de teksten van Roth.

Roth leefde in hotels: “Sinds mijn achttiende heb ik nooit in een huis gewoond. Ik logeerde hooguit een keer een week bij vrienden. Alles wat ik heb zit in drie koffers.” Hij schreef: “Ik zou het hotel tot een thuis degraderen als ik het niet zonder meer zou verlaten. Ik wil me hier thuis voelen, maar niet thuis zijn.” En iets verderop in hetzelfde stuk:

Gelukkig staat er niets in deze kamer, geen enkel voorwerp, waarvan de aanblik mij treurig zou maken! Geen oude suikerpot, geen bureau dat aan mijn oom heeft toebehoord, geen portret van mijn grootvader van moederszijde, geen wastafel met vermiljoenrode bloemetjes waar een fijn barstje door loopt, geen plank in de vloer die behaaglijk kraakt en waar je ineens van bent gaan houden, alleen omdat je vertrekt, geen geur van gebraden rosbief uit de keuken en geen koperen vijzel als decorstuk op de kleerkast in het kamertje naast de gang! Niets! Als mijn koffers weg zijn, komen hier andere te staan.

Toch kreeg ook Roth een band met de hotels waar hij verbleef. Over het hotel in Paris, waar hij lang heeft gewoond, zei hij: “Ik hou van mijn Hôtel Foyot.” Hij heeft dat hotel in 1938, een jaar voor zijn dood, voor zijn ogen zien afbreken. Daarover schreef hij op 25 juni in Das Neue Tage-Buch:

Nu zit ik tegenover de lege plek en hoor de uren voorbijglijden. Zo raak je het ene vaderland na het andere kwijt, zeg ik tegen mezelf. Hier zit ik met mijn wandelstok. Mijn voeten zijn kapot, mijn hart is moe, mijn ogen zijn droog. De ellende komt naast me zitten, wordt steeds zachter en dieper, de pijn blijft overeind staan, wordt sterk en goedig, de angst beukt erop los en kan geen angst meer inboezemen. En dat is nu juist zo troosteloos.

Els Snick is als docente Duits verbonden aan de universiteit Gent. In 2011 is zij in Utrecht gepromoveerd op het proefschrift Joseph Roth in den Niederlanden und Flandern: Vermittlung, Vernetzung und Orchestrierung eines vielseitigen Autors im niederländischsprachigen Kontext 1924-1940. Ik noemde dat proefschrift in mijn column van 13 januari 2012.

In 2013 publiceerde Snick, eveneens bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Waar het me slecht gaat is mijn vaderland, Joseph Roth in Nederland en België. Een informatief boek dat dit jaar terecht al een derde druk beleefde. Centraal staat het jaar 1936, toen Roth langere tijd in Amsterdam en in Oostende was. Over de aanwezigheid van Roth in Amsterdam gaat mijn column van 1 juli 2011. In mijn columns van 23 oktober 2011 en 28 oktober 2011, geschreven naar aanleiding van de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig, komt Oostende ruimschoots aan bod omdat beide schrijvers, en zij niet alleen, de zomer van 1936 in die Belgische badplaats doorbrachten.

Over deze zomer van 1936 hebben we intussen verschillende uitgaven. In 2001 verscheen bij Uitgeverij Atlas het boek van Mark Schaevers Oostende, de zomer van 1936. Nu dus ook het boek van Els Snick. Bovendien verscheen dit voorjaar bij Kiepenheuer & Witsch Ostende 1936, Sommer der Freundschaft van de hand van Volker Weidermann (de schrijver van Das Buch der verbrannten Bücher).


Roth en Zweig

In Oostende is een foto genomen waarop Roth en Zweig samen te zien zijn. Je hebt de neiging, schreef ik in 2011, om die foto wat langer te bestuderen en daaruit af te leiden hoe Zweig en Roth met elkaar omgingen. Mark Schaevers houdt in zijn boek een slag om de arm maar merkt toch op: “In de blik van Zweig (…) valt gemakkelijk een mengeling van bezorgdheid en bewondering ten overstaan van Roth te lezen. In de blik van Roth gelatenheid, gereserveerdheid, onbereikbaarheid.” Niet onjuist, lijkt me, want ook in de briefwisseling met Roth vind je bij Zweig die mengeling van bezorgdheid en bewondering. De manier waarop Schaevers naar de blik van Roth kijkt, spreekt me eveneens aan. Roth staat de laatste jaren van zijn leven altijd zo op foto’s.

Wat nu zeggen Snick en Weidermann over deze in Oostende genomen foto? Snick meent dat Zweig Roth ‘broederlijk’ aankijkt. Ook niet zo gek want Zweig heeft gezegd dat hij van Roth als van een broer hield. Roth kijkt volgens Snick ‘mismoedig in de lens'. Roth had het echter zo slecht nog niet in Oostende. Zweig was gul, hij betaalde voor Roth de hotelrekening en een nieuw pak. Roth had in Oostende bovendien de schrijfster Irmgard Keun ontmoet met wie hij een relatie begon.

Ook Weidermann kan het niet laten zijn mening over de foto te geven. Hij maakt er nog veel meer van dan Schaevers en Snick. Dat zal er wel mee te maken hebben dat hij zijn zomer van vriendschap in de vorm van een vertelling giet. Weidermann laat Lotte Altmann, toen nog de secretaresse en geliefde van Zweig, de foto nemen. Zweig had Roth, die liever binnen zat, weten over te halen om samen met hem op een terras te komen zitten. Weidermann:

Eigentlich reicht es Roth ja schon, dass er sich hier die Sonne auf den Kopf scheinen lassen muss, aber er hat keine rechte Lust, sich zu wehren, an diesem schönen Tag. Er schaut also etwas skeptisch, beinahe kampfeslustig in Lottes Linse, spöttisch zieht er die rechte Augenbraue ein wenig nach oben (…)
Unsicher hält er sich ein wenig am Tisch fest, legt die Hand mit den nikotingelben Fingern, zwischen denen eine fast aufgerauchte Zigarette klemmt, neben das halb volle Glas Weisswein, während Zweig näher rückt, an den Freund heran (…)
Lotte sieht Zweigs Blick durch die Linse, wie er auf seinen Freund, ja, herabschaut, aber es ist ein väterliches Herabschauen oder das eines grossen Bruders, weich, liebevoll, etwas besorgt. Er sitzt da, mit einem gütigen Lächeln, und durch Lottes Kamera sieht es so aus, als hätte er gern den Arm um die Schultern des Freundes gelegt. Und Roth sieht so aus, als fürchte er genau eine solche beschützende Geste.

Niet onaardig natuurlijk, al heb ik enige voorkeur voor de voorzichtige omschrijving van Schaevers. Dit brengt mij op het volgende. Achterin zijn boek bedankt Weidermann een aantal personen die hem hebben geholpen bij het verzamelen van materiaal over Oostende 1936 en de daar toen aanwezige schrijvers. Hier ontbreken Schaevers en Snick. Mogelijk is dit een taalkwestie. Maar vooral het boek van Schaevers heeft min of meer dezelfde opzet als dat van Weidermann. Schaevers verdient als zijn voorganger een vermelding.

Ook Egon Erwin Kisch verbleef zomer 1936 aan de Belgische kust. Hij zag dat Roth en Keun een relatie aangingen en samen in Hôtel de la Couronne verbleven.

Over de relatie tussen Roth en Keun zei Kisch: “Sie versucht ihm das Trinken abzugewöhnen und er, es ihr anzugewöhnen. Ich glaube er gewinnt.” Maar ondanks hun overmatig alcoholgebruik blijven ze allebei schrijven. Het is Roth die Keun dwingt daarmee dagelijks onvermoeid door te gaan, al is het wel in het café. “Schreiben das ist eine heilige Pflicht.” Roth zei eens tegen zijn vriend Soma Morgenstern: “Wenn du willst, zeige ich dir in jedem meiner Bücher die guten Stellen, die ich einem guten Calvados verdanke.” Keun schreef in Oostende aan haar roman Nach Mitternacht. Roth herschreef het tweede gedeelte van Beichte eines Mörders en schreef tegelijkertijd aan Das falsche Gewicht. “Es ist Stefan Zweig,” schrijft Weidermann, “mit dem er die zweite Hälfte der Beichte noch einmal überarbeitet. Er liest ihm vor und übergiebt dem Freund die Seiten im ersten Entwurf.”

Zweig van zijn kant wilde in Oostende zijn legende Der begrabene Leuchter afmaken. Aan Roth, toen nog in Amsterdam, had hij al op 1 mei geschreven: “Jetzt schreibe ich an einer jüdischen Legende. Ich glaube sie wird gut.” Op 20 mei herhaalt Zweig dat: “Ich glaube sie wird gut, so schwer ich solches auch ausspreche.” Daaraan voegt hij toe: “Im Stilistischen bin ich nicht ganz sicher. Da brauche ich Ihre Nachschau. Aber im ganzen könnte es wohl bestehen. Ich kann nur Dinge jetzt schreiben, die Bezug haben auf die Zeit und von denen etwas Bestärkendes ausgeht trotz der tragischen Anschauung.” Eind juni, vlak voor het gezamenlijk verblijf in Oostende, schrijft Zweig nog aan Roth: “Es wäre ein Glück für mich Sie als literarisches Gewissen für jene Legende dort zu haben. Wir könnten abends gemeinsam uns prüfen und belehren wie in alten guten Zeiten.”

Op grond van deze briefwisseling wijzen Schaevers en Snick terecht op de behoefte van Zweig om met Roth over zijn ‘Joodse’ legende te praten. De in Galicië geboren en getogen Roth had in zijn jeugd meer van het jodendom meegekregen dan Zweig, afkomstig uit een verregaand geassimileerd Weens gezin.

Weidermann gaat er dieper op in. In zijn vertelling bespreken Zweig en Roth in de zomer van 1936 de legende Der begrabene Leuchter “so intensiv und genau, wie sie es lange Zeit nicht mehr getan haben und wie sie es mit keinem anderen können.” Aan het eind van hun gezamenlijk verblijf in Oostende, aldus Weidermann, ontvangt Zweig een door Roth beschreven blad met een voorstel voor een in de legende op te nemen tekst. Zweig neemt die tekst, aangepast aan de eigen stijl, over. Weidermann: “Ein bisschen wird es ihr gemeinsames Buch.” “Es ist eine Beschwörung, die Zweig hier mit Roths Hilfe schreibt. Eine Beschwörung des Glaubens und der Hoffnung auf eine Ende der Flucht.”

Toen Roth op 27 mei 1939 was overleden, schreef Zweig dat hij juist hem zo graag mocht “diesen jüdischsten aller Menschen.”

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009