Kafka in Berlijn

Leo Frijda

vrijdag 29 juli 2011

Als Kafka eind 1910 voor de eerste keer in Berlijn is, noteert hij op een prentbriefkaart aan zijn vriend Max Brod: Zo juist brengen ze mij griesmeel met frambozensap, ik ben ook nog kropsla met room van plan, daar zal een kruisbessenwijn bij smaken en een kop thee van aardbeibladeren zal het slot zijn. Kafka liet zich in Berlijn alles goed smaken maar dan wel in de vegetarische restaurants, het is hier zo vegetarisch, dat zelfs fooien verboden zijn. Hij genoot in alle opzichten van de stad. In het Metropol-Theater zag hij een opvoering van Hamlet met Bassermann waarvan hij zeer onder de indruk was.

Bijna twee jaar later ontmoet Kafka bij Max Brod zijn latere verloofde Felice Bauer, die in Berlijn woont. In zijn tweede brief aan Felice, van 28 september 1912, nog met de aanhef zeer geachte Mejuffrouw, schrijft hij:

Hoe ik aan uw adres kom? Daar vraagt u toch niet naar, als u daarnaar vraagt. Ik heb gewoon uw adres op slinkse wijze veroverd. Eerst werd mij de één of andere maatschappij genoemd, maar dat beviel mij niet. Toen kreeg ik uw adres. Zonder huisnummer, en toen het huisnummer erbij. Nu was ik tevreden en schreef juist niet, want ik vond het adres in ieder geval al iets, bovendien vreesde ik dat het adres verkeerd zou zijn, want wie was Immanuel Kirch? En niets is droeviger dan een brief aan een onzeker adres schrijven, dat is dan toch geen brief, dat is meer een zucht.

Immanuel Kirch? Het doet denken aan “de componist Willem Spark”, die tijdens de oorlog onderwerp was van een lezing in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel. In mijn editie van de vertaalde brieven aan Felice, uit 1974, staat toegelicht dat de Bauers op de vierde etage van Immanuelkirchstrasse 29 woonden, een stille, maar niet bijzonder aantrekkelijke straat in Oost-Berlijn. Hoe die straat er in 1912 uitzag, heeft Kafka gevraagd aan Jizchak Löwy, de met hem bevriende Jiddisje toneelspeler die zich toen in Berlijn bevond. Daarover schrijft Kafka op 5 november 1912 aan lieve juffrouw Felice:

‘Van de Alexanderplatz loopt een lange, niet drukke straat, Prezloer Strasse, Prenzloer Allee. Ze heeft veel kleine zijstraten. Eén van deze zijstraatjes is de Immanuelkirchstrasse. Stil, afgelegen, ver van het altijd razende Berlijn’ (...). Zo beschrijft mij in een brief die ik gisteren gekregen heb de acteur Löwy uw straat.

De Immanuelkirchstrasse ligt dus in de wijk Prenzlauerberg. In die wijk brachten wij kort geleden enkele dagen door. De Immanuelkirchstrasse is nu een mooie straat en één van de weinige plekken in Berlijn waar het nog mogelijk is over Kafka te mijmeren. Vlakbij ligt ook de liberaal-conservatieve synagoge Rykestrasse, in 1904 ingewijd. Tijdens de Kristallnacht is de synagoge van binnen geheel vernield. De nazi’s gebruikten het gebouw onder meer als paardenstal. De fraai gerestaureerde en opvallend grote synagoge is in 2005 heropend. Hans-Gerd Koch spreekt in zijn boek Kafka in Berlin het vermoeden uit dat Felice daar naar sjoel ging.


Synagoge Rykestrasse
Wikipedia (foto Mazbin)

September 1922 schrijft Kafka, hij is dan in Plana, aan Robert Klopstock:

In ieder geval is Praag een geneesmiddel tegen Berlijn, Berlijn een geneesmiddel tegen Praag, en daar de westjood ziek is en zich met geneesmiddelen voedt, mag hij, als hij zich in die kring beweegt, Berlijn niet voorbijgaan. Dat heb ik altijd gezegd, maar ik had de kracht niet mijn hand uit het bed naar deze medicijn uit te strekken. Ook probeerde ik haar, ten onrechte, met de gedachte dat het maar een geneesmiddel is te depreciëren. Tegenwoordig is Berlijn overigens meer, het geeft, geloof ik, ook een ruimer uitzicht op Palestina dan Praag.

Een ruimer uitzicht op Palestina. Kafka zal dat inderdaad in Berlijn vinden, bij Dora Diamant en in de Hochschule für Wissenschaft des Judentums. Maar het duurt nog tot zomer 1923 eer Kafka naar Müritz gaat en Dora Diamant ontmoet met wie hij in Berlijn gaat samenwonen en droomt over een toekomst in Palestina. Ik schreef daar al eens een column over.

Eind 1923 woont Kafka met Dora in Berlin-Steglitz en daarvandaan schrijft hij aan Robert Klopstock:

De Hochschule für jüdische Wissenschaft is voor mij een rustpunt in het wilde Berlijn en in de wilde ruimten van het innerlijk. (...) Een heel huis met mooie gehoorzalen, grote bibliotheek, rust, goed verwarmd, weinig leerlingen en alles gratis. Ik ben weliswaar geen gewone toehoorder, ben alleen in de voorbereidende klasse en daar maar bij één leraar en bij hem maar zelden, (...). Maar al ben ik dan geen echte leerling, de school bestaat en is mooi en is eigenlijk helemaal niet mooi, maar eerder merkwaardig tot in het groteske en bovendien tot in het ongrijpbare delicate (namelijk het liberaal-hervormende, het wetenschappelijke van het geheel).

Liberal-reformerische staat er in het Duits al was de Hochschule für Wissenschaft des Judentums in 1872 gesticht zonder binding met een bepaalde stroming binnen het jodendom. Studenten uit geassimileerde gezinnen moesten de Präpanderie (vertaald als voorbereidende klasse) volgen. Ook Kafka. Maar zelfs dan werd enige kennis van het Hebreeuws verondersteld. Biograaf Reiner Stach meldt dat Kafka niet alleen de Präpanderie volgde maar samen met Dora Diamant ook voordrachten over Talmoed bijwoonde.

De Hochschule bestaat niet meer, wel het gebouw waarin het gevestigd was, thans het Leo-Baeck-Haus met de Zentralrat der Juden in Deutschland.


Leo-Baeck-Haus
Tucholskystrasse 9

In zijn boek Kafka in Berlin verwijst Koch naar de herinneringen van Josef Tal. Nieuwsgierig geworden kon ik die gemakkelijk antiquarisch vinden. Ze zijn in 1985 bij Quadriga Verlag gepubliceerd onder de titel Der Sohn des Rabbiners, Ein Weg von Berlin nach Jerusalem. Josef Tal (1910-2008), een bekend Israëlisch componist, is de zoon van rabbijn Julius Grünthal die aan de Hochschule für die Wissenschaft des Judentums doceerde toen Kafka daar lessen volgde.

In het boek van Josef Tal komt de volgende passage voor:

Eines Abends erzählte Vater bei Tische von seinen Studenten an der Hochschule. Da war einer, der immer auf der letzten Bank im Unterrichtsraum sass und der durch seine ungewöhnlich klugen Fragen auffiel. Vater bestellte ihn nach dem Kolleg zu sich und fragte ihn, was er den täte und studiere, worauf er antwortete, er sei ein Journalist. Und sein Name? Franz Kafka. (...) Es verging noch geraume Zeit, dann besuchte uns Franz Kafka mit seiner Freundin, mit der er zusammen nach Palästina auswandern wollte. Sie kamen nachmittags zum Kaffee. Kafkas weisses Gesicht mit den tiefschwarzen Augen und sein leises und zartes Sprechen während der wenigen Minuten, die ich ihn sah, sind unvergesslich geblieben. Nicht lange danach starb er.


Josef Tal met zijn vader rabbijn Julius Grünthal

Het boek van Josef Tal bevat veel wetenswaardigheden over zijn leven in Berlijn en in Israël. Het is naast een persoonlijk relaas ook geschiedschrijving. Tal schetst bovendien een mooi portret van zijn vader, die orthodoxie en tolerantie met elkaar wist te verzoenen. Rabbijn Grünthal moet een geboren pedagoog zijn geweest. Maart 1934 is Tal met vrouw en kind naar Palestina gegaan. Zijn ouders bleven in Berlijn. Hij beschrijft aan het einde van het eerste deel van zijn herinneringen het afscheid op het Anhalter Banhhof:

Es war ein Sonderzug für jüdische Auswanderer. (...) Draussen vor unserem Coupé sassen die Eltern auf einer Bank. (...) Eine halbe Minute vor Abgang des Zuges begann die Menschenmenge die jüdische Nationalhymne “Hatikwah” zu singen. (...) Der Zug setzte sich im Schrittempo langsam in Bewegung. Die Eltern sassen auf ihrer Bank wie zwei Skulpturen. Sie sahen in eine unerreichbare Ferne. (...) Ich beugte mich aus dem Fenster und winkte meinen Eltern. Sie sassen regungslos und schauten ins Leere. Wir sollten uns nicht mehr wiedersehen.

Rabbijn Grünthal, intussen weduwnaar geworden, is eind jaren dertig naar Eindhoven uitgeweken waar zijn dochter met haar gezin onderdak had gevonden. Van haar ontvangt Josef Tal een brief, gedateerd 24 juni 1945. Hij verneemt dan wat er met zijn vader is gebeurd. Allen zijn gepakt en op transport gesteld. De dochter en haar gezin hebben het concentratiekamp wie durch ein Wunder overleefd. Der Vater hat ein furchtbares Ende erlitten. Vergast – verbrannt. Man hat ihn nach einem der schlimmsten Vernichtungslager transportiert. Nach Auschwitz.

Het is, weten we nu, niet Auschwitz maar Sobibor geweest. In Berlijn is bij het voormalige woonhuis van rabbijn Grünthal aan de Wielandstrasse 12 een Stolperstein geplaatst. Om ook hem te gedenken. Dat zag ik op internet, toen we al uit Berlijn terug waren. Er zijn dus toch meer plekken dan de wijk Prenzlauerberg om over Kafka te mijmeren. Wie naar de Wielandstrasse gaat, kan ook daar een moment aan Kafka denken, eens in de Hochschule für Wissenschaft des Judentums onder het gehoor van rabbijn Grünthal.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009