Hommage aan Andreas Burnier

Leo Frijda

vrijdag 27 november 2015

Crescas heeft veel aan Andreas Burnier te danken. De vondst van een kaartenbak, behorend tot de archieven van de bank met de misleidende naam Lippmann Rosenthal, was het begin, een vondst die concreet duidelijk had gemaakt hoeveel Joodse bezittingen medewerkers van die bank hadden geroofd. Het was vervolgens Andreas Burnier die bij Gerrit Zalm, toen minister van financiën, aanklopte en de noodzaak van een Joods kennisinstituut bepleitte. Dat kennisinstituut is Crescas, opgericht in 1999 en op voorstel van Irene Zwiep genoemd naar een vrijwel vergeten Joodse filosoof en rabbijn uit de veertiende eeuw, die zich na pogroms inzette voor het herstel van de Joodse gemeenschap.

Zo staat het opgetekend in de uitmuntende biografie die Elisabeth Lockhorn over Andreas Burnier heeft geschreven. De biografie, met als ondertitel Metselaar van de wereld, is verschenen bij Atlas Contact, tegelijk met de door Daniel van Mourik en Manja Ressler bezorgde bundel Ruiter in de wolken, Joodse essays 1990-2002, en een herdruk van Het jongensuur, de roman van Andreas Burnier uit 1969.

Het verschijnen van deze drie boeken werd vorige week dinsdag gevierd met een hommage aan Andreas Burnier in de Rode Hoed aan de Keizersgracht. Met veel sprekers en dat was wel nodig ook om de vele terreinen waarop Andreas Burnier zich heeft bewogen ook maar enigszins aan bod te laten komen. Vooral zijn mij bijgebleven het interview met Elisabeth Lockhorn en de video met het gesprek dat Adriaan van Dis met Andreas Burnier heeft gevoerd. De intelligentie en ook de humor van Andreas Burnier kwamen in dat gesprek mooi in beeld.

De biografie Metselaar van de wereld, hoewel meer dan 500 bladzijden, las ik in één ruk uit. Elisabeth Lockhorn heeft een bijzondere prestatie geleverd. In haar boek komt Andreas Burnier, die misschien in de vergetelheid dreigde te raken, terecht opnieuw tot leven. Een ruim aantal citaten van Andreas Burnier zelf helpt daarbij. Voor zover dat mogelijk is ga je haar begrijpen, in haar rol als transgender, in haar wanhoop over wat zij tijdens de sjoa had meegemaakt en in haar stellingnames, ook als zij paden bewandelt waar je zelf een andere afslag zou hebben genomen.

Met Daniel van Mourik had ik afgesproken dat ik in mijn column voor Crescas de mede door haar bezorgde Joodse essays zou bespreken. Dat, beloof ik, komt nog. De uitgever stuurde mij echter niet alleen de essaybundel maar ook de biografie en Het jongensuur. Met die boeken begon ik en daar wil ik dan ook eerst wat persoonlijke opmerkingen over kwijt.

Op de foto die tijdens de bijeenkomst in de Rode Hoed het meest in beeld was, is Andreas Burnier 21 jaar. Ouder dus dan de hoofdpersoon van haar roman Het jongensuur. Maar deze intrigerende foto lijkt me toch wel passend. De foto staat in de biografie. Ik mocht hem hier opnemen.


@ Erven Burnier

Het jongensuur heeft Andreas Burnier, geboren in 1931, haar meest autobiografische roman genoemd. Het is het relaas van onderduik en bevrijding, verteld zoals men naar het verleden kijkt, van 1945 terug naar het jaar 1940. In het eerste hoofdstuk, Lichtstad 1945, beschrijft ze hoe ze naar het sportfondsenbad gaat en een kaartje koopt, hoewel bij de ingang staat dat ‘het het uur was voor de jongens’. Ze wordt als meisje herkend en ‘vernederd’ moet ze zich weer aankleden.

Daarna staat in het hoofdstuk Lichtstad 1945 een tekst in cursieve letter die ik voor een belangrijk deel overneem:

Toen we terugkwamen na de oorlog, mijn vader en ik, stonden we eerst beneden in een trapportaal. Daarna liet mijn moeder, half huilend en verward pratend, ons bovenkomen. In een vreemde burgerkamer met geelhouten meubels omhelsde ze mijn vader. Ik stond in een hoek tussen de deur en de muurkast te wachten. Een blauwe alpinopet op mijn kortgeschoren haren, een lange blauwe gabardine regenjas tot ver over mijn knieën.
‘Wie is die jongen?’ vroeg mijn moeder ten slotte.
‘Welke jongen?’
‘Die je hebt meegebracht.’
‘Maar schat, dat is Simone.’
‘Kind, ik herkende je eerst niet. Wat ben je ontzettend veranderd.’

In de biografie lees ik dat de moeder van Andreas Burnier in Eindhoven ondergedoken was. Eindhoven was al op 18 september 1944 bevrijd en Andreas is na de bevrijding van het oosten van Nederland samen met haar vader naar Eindhoven gegaan waar zij haar moeder weer ontmoette. Vandaar Lichtstad 1945, begreep ik nu aan de hand van de biografie.

Ik las verder in Het jongensuur: ‘Iedereen zat al aan tafel in het huis aan de Bloemlaan.’

Dat moest ik even tot me laten doordringen. In Eindhoven, wist ik, is geen Bloemlaan, wel een Bloemenplein. Het Bloemenplein heeft op de hoeken zijstraatjes waar even kleine arbeidershuisjes staan als op het plein zelf. Een van die zijstraatjes is de Asterstraat, met slechts twee huizen, genummerd 1 en 2. Asterstraat 1 was het onderduikadres waar ik september 1944 samen met mijn ouders ben bevrijd.

Het laatste hoofdstuk van Het jongensuur heet Waterstad 1940 en ik weet na het lezen van de biografie dat met waterstad Scheveningen is bedoeld, de plaats waar Andreas Burnier haar jeugd heeft doorgebracht. Over Joods Scheveningen is kortgeleden bij Prometheus een boek verschenen, Hier woonden wij, Hoe een stad zijn Joodse verleden herontdekt. Wim Willems en Hanneke Verbeek hebben daarin de Joodse gemeenschap van het vooroorlogse Scheveningen weer een gezicht gegeven. De bewoners van de Harstenhoekweg staan in hun boek centraal. Een zijstraat van de Harstenhoekweg is de Gentsestraat. In een noot op bladzij 361 wordt het parfumeriehuis A. van Leeuwen genoemd, dat vanaf 1935 op het adres Gentsestraat 13 was gevestigd. A. van Leeuwen is Abraham van Leeuwen, getrouwd met Diena Jacobs, oom en tante van Andreas Burnier. Zij hebben de oorlog overleefd en konden na de oorlog het parfumeriehuis op hetzelfde adres voortzetten waar Andreas, toen ook weer in Scheveningen, ook wel eens op bezoek zal zijn geweest.

Mijn grootvader van moederskant, Samuel Speijer, had voor de oorlog een juwelierszaak aan de Valeriusstraat in Den Haag. Na de oorlog kon hij een juwelierszaak beginnen aan de Gentsestraat 11 in Scheveningen, naast het parfumeriehuis op nummer 13. Ik grijp de gelegenheid aan om van de juwelierszaak van mijn grootvader een foto te laten zien.


Juwelierszaak van mijn grootvader in 1946

Ach, ik weet dat dit slechts persoonlijke raakvlakken zijn en eigenlijk zijn het helemaal geen raakvlakken en raken deze toevalstreffers me vooral in de schaduw van de verleden tijd die ik toch al moest reconstrueren om alsnog, zeventig jaar na dato, een claim te kunnen indien bij het Child Survivor Fund. En net toen ik daarmee bezig was, kwam Andreas Burnier mij haar geschiedenis vertellen. Bijna negen jaar ouder dan ik en met een veel beter geheugen, liet ze me zien dat terugkijken betekenis heeft.

Na deze aanloop komen een volgende keer de Joodse essays aan bod. Beloofd is beloofd. Maar ik moet erover kunnen nadenken. Het volgende kan ik al wel zeggen. Andreas Burnier liet eerst eind jaren tachtig het jodendom in haar leven en denken weer toe en het is bijna onvoorstelbaar hoe snel en grondig zij kennis over de Joodse religie en geschiedenis heeft verzameld en in zich heeft opgezogen. Bovendien dacht zij daarover zelfstandig na en zal het dus niet erg vinden dat we de degens moeten kruisen.

3 + 3 = ?
Mooi verhaal Leo, nu we het toch over raakvlakken hebben, ik woon al jaren in Scheveningen, heb vlakbij de Gentsestraat en de Harstenhoekweg gewoond. Bijzonder om te zien wat zich daar allemaal heeft afgespeeld.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.