Kafka en Else Lasker-Schüler

Leo Frijda

vrijdag 30 oktober 2009

Kafka blijft slechts kort in Berlijn als hij Felice Bauer voor de eerste keer opzoekt. Toch vindt hij tijd om naar café Josty te gaan. Op 24 maart 1913 moet hij daar Else Lasker-Schüler hebben ontmoet want beide schrijvers ondertekenen een ansichtkaart aan hun gezamenlijke uitgever Kurt Wolff. Kafka schrijft: Sehr geehrter Herr Wolff! ... Bis ich sie ins Reine werde haben schreiben lassen, schicke ich sie natürlich sehr gerne. Ihr ergebener F. Kafka. Kafka doelt in dit grammaticale hoogstandje op zijn verhaal Die Verwandlung dat Kurt Wolff wilde uitgeven. Ook anderen ondertekenen, Else Lasker-Schüler met Abigail Basileus III. Een kleinood van de Duitse literatuurgeschiedenis noemt Kafkabiograaf Reiner Stach de ansichtkaart.

De ontmoeting tussen beide schrijvers is opvallend en niet alleen omdat Kafka de tijd en de energie vond om naar café Josty te gaan. Kafka wist dat hij daar Else Lasker-Schüler kon tegenkomen, hoewel hij een aantal weken daarvoor aan Felice Bauer had geschreven dat hij haar gedichten niet kon uitstaan en alleen maar weerzin voelde. Das wahllos zuckende Gehirn einer sich überspannenden Grossstädterin, oordeelt Kafka venijnig. Een scherpe afwijzing in bewoordingen die we van Kafka zo niet kennen. Waarom?

Kerstin Decker volgt in haar nieuwe biografie van Else Lasker-Schüler de analyse van Reiner Stach. Kafka wilde niets weten van teugelloosheid. Het onbeheerste en het extreme vond hij vooral destructief. Hij reageerde dan furieus, zoals in het geval van Else Lasker-Schüler. Kafka hield zich verre van zulke schrijvers, omdat hij bang was om misschien toch iets aan te treffen dat hem persoonlijk zou kunnen raken.

Het hield hem echter niet tegen om naar café Josty te gaan en hij vond het niet nodig om in de verdere briefwisseling met Felice Bauer te vertellen dat hij daar was geweest en Else Lasker-Schüler had ontmoet. Else Lasker-Schüler heeft hem nauwelijks opgemerkt, hoewel zij een antenne had voor mensen die haar niet mochten. Pas in 1927, Kafka is dan al overleden, refereert zij aan Kaffka (!) in een brief aan Paul Goldscheider. De hoofdletter K heeft zij voorzien van een stralenkrans.

Niet lang na 24 maart 1913 gaat Else Lasker-Schüler naar Praag om daar voor te lezen. Met veel succes. Max Brod en Egon Erwin Kisch waren onder haar gehoor. En vermoedelijk ook Kafka, schrijft Kerstin Decker. Na afloop gaat een gezelschap eerst naar café Arco om daarna een wandeling te maken op de Altstädter Ring waar een politieman de buitenissig geklede, in gebed neergezonken Else Lasker-Schüler wegens haar in zijn ogen vreemde gedrag arresteert. Zij stelt zich voor als de Prins van Thebe waarop Kafka zou hebben gezegd: Dies ist nicht der Prinz von Theben sondern eine Kuh vom Kurfürstendamm. Een te mooi verhaal om niet door te vertellen, maar het is zeer de vraag of het waar is. Reiner Stach verwijst naar dit alles slechts in een noot en laat de uitlating van Kafka weg. Er is ook maar één bron. Bovendien het past niet goed bij Kafka. En Else Lasker-Schüler, had ze de opmerking van Kafka gehoord, zou later vast geen stralenkrans hebben getekend.

Extreem was Else Lasker-Schüler zeker. Maar nu, ongeveer een eeuw later, kijken we van haar gedrag minder op. In het Berlijn van haar tijd stond ze aan de wieg van de avant-garde, niet alleen met haar gedichten maar ook met haar optredens, performances zouden we nu zeggen. Beroemd is de tekening waarin ze in een exotisch pak op een fluit speelt.

Else met fluit

Leven en dichten vielen bij Else Lasker-Schüler samen. Zij noemt zich Tino van Bagdad of Jussuf, de Prins van Thebe. En ook haar geliefden krijgen nieuwe namen. Achter Giselheer gaat de dichter Gottfried Benn schuil. En die namen gebruikt ze niet alleen in haar gedichten. Wahrheit und Dichtung zijn soms moeilijk te ontrafelen en dat maakt een biografie van Else Lasker-Schüler tot spannende lectuur. Maar gedichten, zei Else Lasker-Schüler, gedichten kunnen niet liegen.

Misschien wel de mooiste liefdesgedichten van Else Lasker-Schüler zijn aan Gottfried Benn gewijd.

Giselheer dem Tiger

Über dein Gesicht schleichen die Dschlungeln.
O, wie du bist!

Deine Tigeraugen sind süss geworden
In der Sonne.

Ich trage dich immer herum
Zwischen meinen Zhänen.

(...)
Aan Giselheer de tijger

Over je gezicht sluipen de jungles.
Zoals jij bent!

Je tijgerogen zijn zoet geworden
In de zon.

Ik draag je aldoor rond
Tussen mijn tanden.

(...)

Onverminderd felle, indringende liefdespoëzie en het doet er niet toe voor wie bedoeld. Het zijn dichtregels die iedereen graag uit de mond van een geliefde wil horen.

Veertig jaar later herdenkt Gottfried Benn Else Lasker-Schüler en schildert hij een liefdevol portret: een kleine slanke vrouw in extravagante kleren, behangen met kettingen en ringen, die iedereen op straat nakeek, dat was de Prins van Thebe, Jussuf, Tino van Bagdad, de zwarte zwaan. En, schrijft Gottfried Benn, zij was de grootste lyrische dichter die Duitsland ooit heeft gehad.

Het is Peter Hille die haar de zwarte zwaan van Israël heeft genoemd. In de volgende column de Joodse kant van Else Lasker-Schüler die onder andere de ‘Hebräische Balladen’ schreef en in 1939 naar Palestina is gegaan waar ze in 1945 is overleden.

Aanleiding tot deze column is de deze maand verschenen biografie van Kerstin Decker, Mein Herz – Niemandem, Das Leben der Else Lasker-Schüler, Propyläen, 2009.

De vertaling van een gedeelte van het gedicht Aan Giselheer de tijger is uit Menno Wigman, Altijd kleurt je bloed mijn wangen rood, De mooiste liefdesgedichten van Else Lasker-Schüler.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009