Heine, een voorproefje

Leo Frijda

vrijdag 14 februari 2014

In de cursus die ik voor Crescas geef, over schrijvers tussen jodendom en assimilatie, komt Heine als eerste aan bod, op 20 februari. Bij de voorbereiding kwam ik natuurlijk van allerlei tegen. In deze column drie voorbeelden, de één curieus, de ander opvallend en de laatste, over Holland, vol spot (maar dat niet alleen, zoals zo vaak bij Heine). Een voorproefje.


Mathilde

Heine die sinds 1831 in Parijs woonde, ontmoette in 1834 Augustine Crescence Mirat, door hem Mathilde genoemd. In 1841 trouwde hij met haar.

Van veel gedichten van Heine wordt vaak slechts één regel aangehaald en dat heeft nogal eens tot misverstanden geleid. De eerste regel van Nachtelijke gedachten luidt Denk ik aan Duitsland in de nacht (in de vertaling van Peter Verstegen). Anders dan men vaak meent, staat in het gedicht niet de weemoed naar Duitsland centraal maar de moeder van Heine die hij al twaalf jaar niet meer heeft gezien:

Ik smacht niet zo naar Duitsland, maar
Mijn moeder woont nu eenmaal daar …

En in het laatste couplet komt de zon op en verschijnt Mathilde:

Godlof! Door ’t venster breekt zowaar
Vrolijk Frans zonlicht en ziedaar,
Mijn vrouw verschijnt, mooi als de morgen,
Haar lach verjaagt mijn Duitse zorgen.

Van het echtpaar Heine bestaat een ontroerend portret uit 1851 toen Heine al in zijn ‘matrassengraf’ lag.


Ernst Benedikt Kretz: Heine en Mathilde, 1851

Milena Jesenská moet in één van haar brieven (die helaas verloren zijn gegaan) aan Kafka hebben gevraagd of hij een Jood is. Kafka antwoordt haar dat hij zich niet kan voorstellen dat die vraag ernstig is gemeend. Zo naïef kan Milena ‘als Pragerin’ toch niet zijn! Wel naïef was Mathilde, de vrouw van Heine, voegt Kafka daaraan toe en hij haalt de dichter Alfred Meissner aan die in zijn herinneringen een curieus gesprek heeft opgetekend.

Eerst is Meissner aan het woord:

“Henry verkehrt doch nur mit deutschen Journalisten und die sind hier in Paris alle Juden.” “Ach”, sagte Mathilde, “da übertreiben Sie, es mag ja hier und da unter Ihnen ein Jude sein, zum Beispiel Seiffert – “Nein” sagte Meissner “das ist der einzige Nichtjude”. “Wie?” sagte Mathilde “Jeitteles zum Beispiel” – es war ein grosser starker blonder Mensch – “wäre er ein Jude?” “Allerdings” sagte Meissner. “Aber Bamberger?” “Auch” “Arnstein?” “Ebenso”. So ging es weiter alle Bekannten durch. Schliesslich wurde Mathilde ärgerlich und sagte: “Sie wollen mich ja nur zum Besten halten; zu guter Letzt werden Sie noch behaupten wollen, auch Kohn sei ein jüdischer Name, aber Kohn ist doch ein Vetter von Henry und Henry ist Lutheraner.” Dagegen konnte Meissner nichts mehr einwenden.


Almansor

Afgelopen woensdag las ik in de Volkskrant het volgende:

De Spaanse consulaten in Israël kampen met een stormloop van aanvragers van een Spaans paspoort. Aanleiding is het besluit van de Spaanse regering om alsnog de Spaanse nationaliteit terug te geven aan de nazaten van de Joden die vanaf 1492 uit het Iberische schiereiland werden verbannen.

(…)

De verbanning van de Joden, samen met de moslims, geldt als een van de zwarte bladzijden uit de Spaanse (vaderlandse) geschiedenis. De maatregel werd officieel afgekondigd door de ‘katholieke koningen’ Fernando II van Aragón en Isabel I van Castilië na de eenwording van hun koninkrijken die leidde tot de vorming van Spanje. De joden en moslims kregen daarbij de keuze: of ze bekeerden zich tot het katholicisme of ze konden vertrekken.

Heine heeft die gebeurtenissen van 1492 gebruikt voor zijn tragedie Almansor waaraan hij in 1820 begon en die in 1823 in druk verscheen, dus vóór zijn doop in juni 1825.


Heinrich Heine, Almansor, Eine Tragödie, Berliner Ausgabe, 2013

De tragedie gaat, kort samengevat, over twee bevriende Moorse families. In de ene familie is een zoon geboren, Almansor, en in de andere een dochter, Zuleima. De moeder van Zuleima sterft in het kraambed en Zuleima wordt daarom opgevoed bij de ouders van Almansor. Almansor echter bij de vader van Zuleima. De beide kinderen, het zal niet verbazen, worden verliefd op elkaar.

De pleegvader van Zuleima, Aly, voor de keuze gesteld óf zich te bekeren óf te vertrekken, laat zich samen met Zuleima dopen en blijft in Spanje. De pleegvader van Almansor echter, Abdullah, vlucht samen met Almansor naar Noord-Afrika.

Na enige tijd gaat Almansor in vermomming terug naar Spanje omdat hij Zuleima weer wil zien. De afloop is tragisch als blijkt dat Zuleima met een christelijke Spanjaard gaat trouwen. Uiteindelijk vinden de beide geliefden de dood.

Als Almansor in Spanje is teruggekeerd, ontmoet hij eerst Hassan, de dienaar van Abdullah, die weliswaar is achtergebleven maar als Moorse vrijheidsstrijder. Tussen hen ontspint zich het volgende gesprek:

Almansor:

Wir hörten, dass der furchtbare Ximenes,
Inmitten auf dem Markte, zu Granada –
Mir starrt die Zung’ im Munde – den Koran
In eines Scheiterhaufens Flamme warf!

Hassan:

Das war ein Vorspiel nur, dort, wo man Bücher
Verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.

Over Almansor schreef Heine in een brief: 'In diesem Stücke habe ich mein eigenes Selbst hineingeworfen, mitsamt meinen Paradoxen, meiner Weisheit, meiner Liebe, meinem Hasse und meiner ganzen Verrücktheit'. Almansor, mogen we dus wel zeggen, heeft trekken van Heine. De vervolging van de Moslims, anders dan die van de Joden, zo kan hij hebben gedacht, zal minder weerstand wekken. Dat was dan een misrekening. De opvoering van de tragedie in 1823 werd verstoord door boze Duitsers, die vonden dat daarin de christenen werden beledigd.

De in Almansor door Hassan uitgesproken regels zijn vaak aangehaald in verband met de boekverbranding van 1933 en de Sjoa. Dat is natuurlijk begrijpelijk. Dat de twee regels in de oorspronkelijke tekst slaan op de verbranding van de Koran, is zeker een extra reden om deze tragedie in onze tijd nog eens op te voeren.


Holland

Van het werk van Heine zijn gelukkig goede vertalingen voorhanden. Ik noem de voortreffelijke vertalingen van zijn gedichten door Peter Verstegen, onder de titel Duitsland, een wintersprookje, en andere gedichten, en verder zijn Reistaferelen, vertaald door Wilfred Oranje, en Over Duitsland, vertaald door H.L. Mulder en Wilfred Oranje.

In mijn lezing over de Joodse kant van Heine zal de nodige aandacht worden besteed aan De rabbijn van Bacherach, in vertaling (van de hand van Ruth Wolf) opgenomen in de door Het Spectrum indertijd uitgegeven verhalenbundel. Die verhalenbundel, waarin ook de Memoires van de heer von Schnabelewopski en Florentijnse nachten staan, is antiquarisch gemakkelijk te vinden. En als men toch antiquarisch zoekt, let dan ook op het boekje van Reich-Ranicki, De kwestie Heine, en de twee boekjes van Martin van Amerongen, Het matrassengraf, Heine’s sterfbed 1848-1856 en Heine in Holland.

Maar kijk, mij bleek dat de uitgeverij Ad. Donker enkele maanden geleden de memoires van de heer von Schnabelewopski opnieuw heeft uitgegeven als hommage aan Ad. Donker ‘die de Duitstalige versie van dit boek als eerste boek van zijn uitgeverij in 1938 het licht deed zien’.

Schnabelewopski verlaat in de door Heine geschreven memoires zijn geboorteland Polen om via Hamburg naar Amsterdam en Leiden te gaan. In Amsterdam ziet hij in de schouwburg het toneelstuk De vliegende Hollander, ‘de wandelende Jood van de oceaan’, en wordt hij verliefd op ‘een prachtige Eva, die mij met haar grote, blauwe ogen verleidelijk aankeek’ en is hij ‘nog nooit zo wild gekust als door deze Hollandse blondine’. Dat neemt zijn vooroordeel weg dat hij tegen blondines had. ‘Ieder land’, laat Heine Schnabelewopski optekenen, ‘heeft zijn bijzondere keuken en zijn bijzondere vrouwelijkheden en alles is op dit terrein een kwestie van smaak. De een houdt van gebraden kip, de ander van gebraden eend; wat mij betreft, ik houd van gebraden kippen en van gebraden eenden en bovendien nog van gebraden ganzen.'

Ja, het is inderdaad een ‘vrolijk werkje’, zoals op de flaptekst van de uitgave van Donker staat. Daarvoor moet men het verhaal zelf maar verder lezen want dit is, ik heb gewaarschuwd, slechts een voorproefje.

Het is echter niet alleen maar een ‘vrolijk werkje’. In Leiden, waar Schnabelewopski zich aan ‘de studie der godgeleerdheid’ wil wijden, gaat hij veel om met ‘de kleine Simson, de trouwe kampioen voor het deïsme’. ‘De Joden zijn steeds de gehoorzaamste deïsten en in het bijzonder zij die, zoals de kleine Simson, in de vrije stad Frankfort geboren zijn.’

Ook de kleine Simson heeft Heine, zo denk ik, trekken van zichzelf meegegeven toen hij dit verhaal in zijn eerste Parijse jaren schreef. Daarom toch nog één citaat. Met de kleine Simson loopt het niet goed af en op zijn sterfbed laat hij zich voorlezen uit de Bijbel. Schnabelewopski gaat hem dan opzoeken:

“Schnabelewopski”, zuchtte de kleine, “het is goed, dat je komt. Je kunt meeluisteren en het zal je goed doen. Dit is een prachtig boek. Mijn voorvaderen hebben het door de hele wereld met zich meegedragen en er heel veel verdriet en ongeluk en bespottingen en haat voor te verduren gehad, of zich er zelfs om laten doodslaan. Ieder blad erin heeft tranen en bloed gekost, het is het geschreven vaderland van de kinderen Gods, het is de heilige erfenis van Jehova.”

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009