Erich Fried

Leo Frijda

vrijdag 19 november 2010

Het is wat het is / zegt de liefde, luidt één van de bekendste gedichten van Erich Fried, vertaald door Remco Campert. Maar over zijn liefdesgedichten gaat deze column niet, wel over zijn werk als politiek geëngageerde dichter nu Meltzer Verlag Höre Israel, Gedichte gegen das Unrecht, september van dit jaar heeft herdrukt.

Klaus Wagenbach heeft eerder twee boeken van zijn vriend Erich Fried uitgegeven, een herdruk van diens herinneringen met de titel Mitunter sogar Lachen en vorig jaar een aantal brieven met de titel Alles Liebe und Schöne, Freiheit und Glück. Deze boeken zijn niet alleen mooi vorm gegeven, maar bieden samen ook een goede kijk op wie Erich Fried is en wat hem beweegt.

Erich Fried is op 6 mei 1921 in Wenen geboren. In zijn herinneringen schrijft hij met veel gevoel over zijn grootmoeder Malvine Stein, door wie hij als kind grotendeels is opgevoed. Op bijna tachtigjarige leeftijd is zij via Theresienstadt in Auschwitz terechtgekomen en daar op 26 maart 1943 omgebracht. Thuis was het voor Erich Fried niet altijd gemakkelijk. Zijn ouders gingen ieder hun eigen weg. Wel hebben zij hem al vroeg de liefde voor boeken bijgebracht. Uit zijn herinneringen blijkt niet dat hij van huis uit veel van de Joodse cultuur en traditie heeft meegekregen. En met religie, schrijft Fried, is hij alleen als kind in aanraking gekomen. Later, op het gymnasium, wordt hij er hardhandig mee geconfronteerd dat hij een Jood is. Als hij voor Saujud wordt uitgescholden, is zijn antwoord: Ja, ich bin ein Jude. Und ich bin stolz, ein Jude zu sein.

Het jaar 1938 is voor het verdere leven van Erich Fried beslissend. De gebeurtenissen van die tijd verwandelten ihn aus einem österreichischem Oberschüler in einen verfolgten Juden. Ook hij een Jood op bevel. Zijn herinneringen leggen daarvan indringend getuigenis af. Maar laat ik volstaan met wat er met zijn ouders gebeurt. 24 April 1938 worden zij in hechtenis genomen op verdenking geld naar het buitenland te willen smokkelen. Tijdens die detentie wordt zijn vader door een man van de Gestapo hard in de maag getrapt. Hij komt op 24 mei in een zo erbarmelijke toestand weer thuis dat zijn zoon hem eerst niet herkent. Nog dezelfde avond sterft hij. De moeder van Erich Fried heeft in totaal 13 maanden vastgezeten. Na haar invrijheidstelling kon zij alsnog Londen bereiken. Erich Fried was al eerder, 5 augustus 1938, via België naar Londen gevlucht. Tot zijn dood op 22 november 1988 zal hij er blijven wonen. De eerste jaren heeft hij gewerkt voor het Jewish Refugee Committee en heeft hij bovendien op eigen initiatief meer dan zeventig vluchtelingen, onder wie zijn eigen moeder, weten te redden door hen naar Engeland te halen. Tegelijkertijd begint zijn dichterschap. Ik haal het gedicht aan dat hij heeft gewijd aan zijn vader die is begraven op het Wiener Zentralfriedhof, neue Israelitische Abteilung. Erich Fried dicht in 1945:

...
Die mir die Gärten meiner Stadt versagen,
die Bank im staubigen Grün am Kai,
sie haben mir den Vater totgeschlagen,
dass ich ins Freie komm und Frühling seh.

Later schrijft Erich Fried een brief aan Heinrich Böll waarin hij hem over de dood van zijn vader vertelt. Toen nam hij het besluit, schrijft hij aan Heinrich Böll, om wenn ich lebend aus dem Lande komme, gegen diese Barbarei und alles vom gleichen Schlag zu kämpfen, solange ich lebe.

Dat heeft hij onvermoeibaar gedaan. Erich Fried ontwikkelt zich tot een politiek geëngageerde dichter die door zijn stellingname vaak op weerstand stuit. Al in 1966 verschijnt zijn bundel und VIETNAM und waarin hij een duidelijk, toen zeker nog niet door iedereen gedeeld standpunt inneemt over het Amerikaans optreden in Vietnam. Die gedichten zijn door Gerrit Kouwenaar vertaald. Ik kan dus de volgende dichtregels in het Nederlands weergeven:

Waarom was je niet als de boom Trung Kwan?
zegt een meisje

Dat wil zeggen
haar geliefde is één van hen
die verbrand zijn

De bladeren van de boom Trung Kwan vatten geen vlam
zoals bamboestokken of mensenhuid

En dan is het 1967. De gedichtenbundel Anfechtungen verschijnt met het onmiddellijk omstreden gedicht Höre, Israel waarin Erich Fried zich onomwonden keert tegen het optreden van Israël. Ik citeer de beginregels:

Als wir verfolgt wurden
war ich einer von euch
Wie kan ich das bleiben
wenn ihr Verfolger werdet?

In de door Wagenbach bij elkaar gebrachte brieven, staan ook brieven van Paul Celan en Jean Améry, die ik allebei in deze columns al eens heb behandeld. De verstandhouding met Paul Celan, de opgenomen brief dateert uit 1952, zal door het standpunt van Erich Fried over Israël bekoelen. En in 1975 gaat het Jean Améry veel te ver om het optreden van Israël imperialistisch en misdadig te noemen. Deze bewoordingen staan in de gedichtenbundel Höre Israel, die een jaar eerder was verschenen en waarvan nu een herdruk op de markt is gebracht.


Uitgave 1974

Uitgave 2010

Met de wijze waarop deze nieuwe uitgave van Höre Israel wordt gepresenteerd, ben ik niet onverdeeld gelukkig. De herhaling van de titel in het Hebreeuws raakt me in het hart. Het Sjema is immers één van onze belangrijkste gebeden. Op de omslag van de uitgave uit 1974 staat de Hebreeuwse tekst niet. De toevoeging Gedichte gegen das Unrecht zag ik evenmin op de omslag uit 1974. Op de omslag wordt verder een foto van kinderen in een Duits concentratiekamp geplaatst naast een foto met Palestijnse kinderen. In het boek wordt dat procedé enkele malen herhaald. Goed mogelijk is dat dit in 1974 ook al het geval was. Ik ken alleen de omslag van de uitgave uit 1974, de uitgave zelf heb ik niet.

Mijn grote bezwaar tegen deze foto’s en ook de gedichten van Erich Fried betreft de herhaalde koppeling van wat tijdens de sjoa is gebeurd met wat in Israël gebeurt. Die vergelijking gaat niet op en moet je mijns inziens niet willen maken, ook niet als je het met het optreden van Israël oneens bent. De achtergrond van Erich Fried, ik zeg dit in alle behoedzaamheid die daarbij past, maakt dat wat mij betreft niet anders. Onrecht is onrecht, zou men kunnen tegenwerpen. Ja, maar niet altijd, in de woorden van Erich Fried zelf, vom gleichen Schlag. Hij gaat daarin bovendien wel heel erg ver. Zo eindigt het gedicht Ein Jude an die zionistischen Kämpfer met Hakenkreuslehrlinge, een woord dat ik in deze context maar met moeite kan overtypen.

De titel van dat laatste gedicht, Ein Jude an die zionistischen Kämpfer, maakt een dilemma zichtbaar waar ik niet zonder meer een antwoord op heb. Jean Améry schreef in 1975 aan Erich Fried: wir wollen doch um keinen Preis die “querelles juives” ausgerechnet auf deutschem Boden austragen! Men kan een dichter echter niet ontzeggen Warngedichte te schrijven en te publiceren. De mooie laatste regels van het laatste gedicht uit Höre Israel luiden:

Ein Mensch
der ein Mensch ist
kann nicht schweigen
zu dem was geschieht

Maar het dilemma blijft dat men in het geval van kritiek op Israël niet zeker weet wie er mee aan de haal gaan en met welke motieven.

Nu de andere kant, want daar heeft Erich Fried recht op. Daarom ook ben ik deze column begonnen met twee boeken die zicht geven op wie Erich Fried is en wat hem beweegt. Erich Fried is oprecht en zijn schaamte over wat in Israël gebeurt, is des te groter juist omdat hij een Jood is en de jaren van vervolging aan den lijve heeft ondervonden. In mijn column van 5 november jl. citeerde ik Hannah Arendt die aan Gershom Scholem schreef dat onrecht, begaan door het eigen volk, haar meer aan het hart gaat dan ander onrecht. Dat herken ik. Als de radio aanstaat en het optreden van Israël weer eens het onderwerp van berichtgeving is, heb ook ik soms de neiging om van schaamte onder de dekens weg te kruipen.

Mijn kritische opmerkingen moeten dus niet tot de conclusie leiden dat deze Warngedichte maar beter ongelezen kunnen worden gelaten. Juist wij moeten deze gedichten lezen. Om de eigen mening tegen het licht te houden en eventueel bij te stellen. De gedichten, 35 jaar geleden geschreven, hebben bovendien niet aan actualiteit ingeboet. Erich Fried:

Wie lange werdet ihr brauchen
um über das
was ich sage
nicht mehr empört zu sein?

Und werde ich dann noch da sein
um es zu sagen?
Und wird es dann noch helfen
wenn man es sagt?

Wird es dann nicht zu unverständlich sein
oder zu selbstverständlich?
Und werde ich dann nicht krächzen:
“Ich hab es schon immer gesagt”?

We hebben de neiging te denken dat het gelijk geheel aan onze kant ligt. Maar zelfs Erich Fried was daarvan misschien toch niet helemaal zeker. En dat geldt ook deze columnist. Dus nog een enkele regel uit één van de gedichten:

... hab Angst
vor dem
der dir sagt
er kennt keinen Zweifel.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009