Aghed

Leo Frijda

vrijdag 3 april 2015

De datum 24 april 1915, over drie weken een eeuw geleden, staat symbool voor de volkerenmoord op de Armeniërs, in de jaren 1915 tot 1917. ‘In het Armeens wordt dit aangeduid met het woord aghed, dat ‘grote ramp’ betekent, net als het Hebreeuwse woord shoah.’ Dit las ik in het nawoord van Ton Zwaan bij Bloedbroeders, het boek dat is verschenen ter gelegenheid van de gelijknamige televisieserie. Over deze volkerenmoord kunnen verschillende boeken worden geraadpleegd. Zo schreef Taner Akçam, De Armeense genocide, Een reconstructie. Het aantal in het oosten van Turkije omgebrachte Armeniërs is nog steeds een punt van discussie. Akçam gaat in zijn standaardwerk uit van 800.000 Armeense slachtoffers.

Al in 1933 verscheen de roman van Franz Werfel, De veertig dagen van de Musa Dagh, die de strijd van een groep Armeniërs rond de berg Musa Dagh beschrijft. Een opengeslagen exemplaar van het boek van Werfel, zag ik op internet, ligt in een museum in Jerevan, de hoofdstad van het huidige Armenië. Dat museum is aan de volkerenmoord gewijd. De Armeniërs hebben de roman van Werfel omarmd. De Duitsers niet, zij verboden het in februari 1934.


Museum Jerevan (foto Wikipedia/Hanay)

Niet alleen Werfel heeft over de volkerenmoord op de Armeniërs geschreven. Ook na de oorlog hebben Joodse auteurs daarover bericht. In 1989 publiceerde Edgar Hilsenrath Het sprookje van de laatste gedachte. Over Hilsenrath schreef ik april/mei 2012 drie columns. Daarin citeerde ik uit zijn romans, onder meer uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski. Van deze sterk autobiografische roman is vorige maand, eindelijk zou ik willen zeggen, een Nederlandse vertaling verschenen: De belevenissen van Ruben Jablonski. De vertaling van Het sprookje van de laatste gedachte was al eerder verschenen. In 2014 is deze roman herdrukt.

Hilsenrath heeft de sjoa aan den lijve ondervonden. Daarvoor kan men bij De belevenissen van Ruben Jablonski terecht. Hilsenrath zag in de volkerenmoord op de Armeniërs een parallel met wat de Joden was overkomen. Maar eerst iets over de bijzondere vertelwijze van Hilsenrath. Hilsenrath hangt zijn boek op aan de laatste gedachte van de Armeniër Thovna Khatisian, die zijn vader en moeder en andere familieleden nooit heeft gekend. Als hij sterft en ‘de laatste gedachte’ bij hem naar boven komt, ontspint zich het volgende gesprek met een meddah, een sprookjesverteller. Ik citeer uit het begin van de roman.

En de meddah zei: ‘Maar ik zou je al wel iets kunnen vertellen over de laatste gedachte, die in de laatste angstkreet zit en vol verwachting terug zal vliegen naar je vader en moeder en naar iedereen die je nooit hebt gekend. En ik kan je ook wel verklappen dat de laatste angstkreet zal veranderen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘In een blijde kreet vol verwachting.’
‘Dan zal ik dus sterven zonder angst?’
‘Je zult niet sterven in onzekerheid.’
‘Is dat hetzelfde?’
‘Dat is hetzelfde.’

Het boek behelst de door de sprookjesverteller aan Thovna Khatisian vertelde geschiedenis van diens familie. Die familiegeschiedenis staat symbool voor wat de Turken het Armeense volk hebben aangedaan. Een lang vergeten en door de Turken betwiste volkerenmoord, zeker toen Hilsenrath zijn roman schreef. Op één van de laatste bladzijden staat dan ook de zin:

Ik weet dat mijn laatste gedachte terug zal vliegen naar de lacunes in de Turkse geschiedenisboeken. En omdat ik dat weet, zal ik vrediger sterven dan anderen vóór mij, die dat niet wisten.

De gekozen vertelwijze is bijzonder geschikt voor Hilsenrath die altijd indringende dialogen weet te schrijven. Dat geldt voor veel van zijn boeken. Voor De belevenissen van Ruben Jablonski en ook voor Het sprookje van de laatste gedachte. Het eerste citaat is daarvan een sprekend voorbeeld.

Hilsenrath trekt op verschillende plaatsen een vergelijking tussen het lot van de Armeniërs en dat van de Joden. Een Duitse majoor, die de Turken adviseert, laat hij zeggen: ‘Die twee volkeren lijken sprekend op elkaar. Het is niet te geloven.’ En op verschillende plaatsen in zijn boek gebruikt hij voor de moord op de Armeniërs het woord Holocaust.

Opmerkelijk is in dit verband de afloop van de door de meddah vertelde levensgeschiedenis van de vader, Wartan Khatisian. Hilsenrath laat, zo kun je zeggen, de moord op de Armeniërs samenkomen met de sjoa. Wartan Khatisian gaat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Polen met de Joden ten onder. Hoe dan ook, goed is dat de Joden, door wat er met hen later is gebeurd, de Armeniërs de hand reiken. Dat kan ook andersom. Daarvoor moeten we naar een reisverslag van Vasili Grossman.

Over Vasili Grossman schreef ik eveneens eerder, voor het laatst op 2 januari van dit jaar. Van Grossman is vorig jaar Reis door Armenië verschenen, het verslag van een door hem in 1961 gemaakte reis. Het huidige Armenië maakte in die tijd deel uit van de Sovjet-Unie. Boven Jerevan, de hoofdstad, stond toen nog het standbeeld van Stalin. Nu waakt daar moeder Armenië over de stad.

Elk nieuw boek van Grossman versterkt mijn bewondering voor een schrijver die onder moeilijke omstandigheden een menselijke blik en een scherpe pen wist te combineren. Het geldt opnieuw voor Reis door Armenië. Het gaat me hier om het volgende fragment.

Tijdens een bruiloft in een klein dorp ontmoet Grossman een Armeense timmerman die een toespraak houdt en wiens woorden voor hem worden vertaald:

(De Armeense timmerman) sprak over de Joden. Hij zei dat hij toen hij door de Duitsers gevangen was genomen, had gezien hoe gendarmes de Joodse krijgsgevangenen ertussenuit haalden. Hij vertelde hoe zijn Joodse kameraden waren gedood. Hij vertelde over de compassie en de liefde die hij voelde voor de Joodse vrouwen en kinderen die in de gaskamers van Auschwitz de dood hadden gevonden. Hij zei dat hij mijn oorlogsreportages had gelezen, waarin ik over de Armeniërs had geschreven, en dat hij had bedacht dat die man die over de Armeniërs had geschreven iemand was wiens volk zwaar had geleden. Hij wenste dat een zoon van het zwaarbeproefde Armeense volk over de Joden zou schrijven. Daar wilde hij een glas wodka op drinken. Alle aanwezigen, mannen en vrouwen, stonden op en een langdurig, donderend applaus bevestigde dat het Armeense boerenvolk vol sympathie was voor het Joodse volk.


Hiervoor genoemde literatuur:

Sinan Can en Ara Halici, Bloedbroeders, Verscheurd door het verleden, herenigd in hun zoektocht, Spectrum 2015.

Taner Akçam, De Armeense genocide, Een reconstructie, vertaling Gerrit Jan Zwier en Djuke Houweling, Nieuw Amsterdam 2007.

Franz Werfel, De veertig dagen van de Musa Dagh, vertaling R.H.G. Nahuys, Elsevier Manteau 1981.

Edgar Hilsenrath, Het sprookje van de laatste gedachte, vertaling Elly Schippers, Ambo/Anthos 2010.

Vasili Grossman, Reis door Armenië, vertaling Yolanda Bloemen, Balans 2014.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009