Exilliteratuur

Leo Frijda

vrijdag 11 juli 2014

Te hopen valt dat het nieuwe boek van de Utrechtse wetenschapper Els Andringa over de exilliteratuur de aandacht krijgt die het verdient. Het is in ieder geval al besproken in De Groene van 15 mei. Een mooie en lovende recensie met de terechte conclusie dat Andringa een standaardwerk schreef. Andringa heeft haar boek in het Duits geschreven en het is uitgegeven bij De Gruyter in de reeks Studien und Texte zur Sozialgeschichte der Literatur. Het zou goed zijn als er ook een Nederlandse uitgave komt.

De volledige titel van het boek van Andringa luidt Deutsche Exilliteratur im niederländisch-deutschen Beziehungsgeflecht, Eine Geschichte der Kommunikation und Rezeption 1933-2013. Het is een wetenschappelijk werk met de schijnwerpers op de schrijvers die in de jaren 1933 en volgende Duitsland waren ontvlucht en op de uitgeverijen en letterkundigen die hier in Nederland die schrijvers een helpende hand toestaken. De betekenis daarvan trekt Andringa door tot 2013 en mede daardoor plaatst zij het door haar beschreven web van onderlinge relaties in een breder perspectief dan tot nu toe veelal is gedaan.

Overigens emigreerden weinig Duitse schrijvers daadwerkelijk naar Nederland, ook als ze hier door exiluitgeverijen als Querido en Allert de Lange werden uitgegeven. Feuchtwanger, Roth en Zweig kwamen slechts af en toe naar Nederland om de contacten met hun uitgevers te onderhouden en om lezingen te geven. Het waren jongere en nog onbekende schrijvers als Grete Weil, Elisabeth Augustin, Konrad Merz en Hans Keilson die zich definitief of voor enige tijd in Nederland vestigden. Weil, Merz en Keilson bleven in het Duits schrijven. Alleen Elisabeth Augustin schreef haar boeken in het Nederlands.

Mijn vorige column ging over de grote verwachtingen die Menno ter Braak van Konrad Merz had. Dat hield mede verband met de opvattingen van Ter Braak over literatuur en - in het verlengde daarvan - de exilliteratuur. In 1934 schreef hij in Das Neue Tage-Buch een artikel over Emigranten-Literatur waarin hij zich een voorstander toonde van een nieuwe Europese literatuur. Andringa haalt hem aan:

Als sich in Deutschland die sogenannte “Nationale Revolution” vollzog, sahen nicht nur die deutschen Schriftsteller sich genötigt, Partei zu ergreifen; die deutsche Literatur war ja eine europäische, nicht nur eine deutsche Angelegenheit. Im heutigen Europa kann man überhaupt nicht mehr von nationalen Literaturen sprechen, es sei denn, man beschäftigte sich speziell mit Folklore (…) wir fühlen uns europäisch, weil wir Europäer geworden sind.

Ter Braak was goed geïnformeerd over de Duitse literatuur en onderhield contacten met schrijvers als Thomas Mann die hij zeer bewonderde. Hij schreef ook al vroeg, in 1936 en 1937, indringende artikelen over Kafka wat tot gevolg had dat hij enkele malen persoonlijk contact had met Dora Diamant die, omdat zij via Hoek van Holland naar Engeland wilde gaan, in 1939 enige tijd in Den Haag bij haar schoonzuster Ruth Friedländer-Lask logeerde.

Ter Braak heeft ondanks zijn Europese oriëntatie nauwelijks enige bekendheid in het buitenland gekregen. Andringa merkt op dat sinds 2011 wellicht een kentering valt waar te nemen. Toen werd de Duitse versie van de door Léon Hanssen geschreven biografie van Ter Braak, Leben und Werk eines Querdenkers, in het Literaturhaus in Berlijn gepresenteerd en tegelijkertijd een portret van Ter Braak van de hand van de Berlijnse kunstenaar El Bocho onthuld. Het hangt tegenover het door dezelfde kunstenaar gemaakte portret van Tucholsky en Andringa maakte daarvan een foto die zij in haar boek heeft afgedrukt.


Schilderij van Menno ter Braak van de hand van El Bocho. Het hangt in het Berliner Literaturhaus aan de Fasanenstrasse (foto Els Andringa)

Het boek van Andringa heeft voor de geïnteresseerde lezer veel te bieden. Daar komt bij dat Andringa onderhoudend schrijft en haar betoog steeds inkleurt met persoonlijke wetenswaardigheden van door haar besproken uitgevers en schrijvers. Uit haar boek kunnen de nodige onderwerpen voor columns gemakkelijk worden opgediept. Een enkel voorbeeld.

Ter Braak publiceerde in Das Neue Tage-Buch. Van het door Querido uitgeven tijdschrift van Klaus Mann, Die Sammlung, zult u wel eens gehoord hebben. Maar Das Neue Tage-Buch, uitgegeven in Parijs?

Das Tage-Buch was een uitgave van Leopold Schwarzschild, “ein äusserst kritischer Beobachter seiner Zeit.” Schwarzschild, schrijft Andringa, “sah die Entwicklungen in Deutschland rechtzeitig voraus. 1932 Verlegte er die Redaktion des Blatts zuerst nach Wien, 1933 nach Paris.” Das Neue Tage-Buch verscheen van 1 juli 1933 tot 11 mei 1940, veel langer dan de meeste andere emigrantenbladen. Ook Die Sammlung hield het maar twee jaar vol.


Zoals uit bijgaande, in het boek van Andringa afgedrukte, advertentie blijkt, behoorden naast Menno ter Braak bijvoorbeeld ook Heinrich Mann, Egon Erwin Kisch en Joseph Roth tot de vele schrijvers die aan het blad meewerkten. Het was kennelijk de moeite waard ook in een Nederlands tijdschrift, De Groene, te adverteren.

Bovendien was er een Nederlandse connectie. Johan Warendorf, advocaat en zoon van de medeoprichter van de Nederlandse uitgeverij Van Holkema & Warendorf, kwam met Schwarzschild in contact en heeft hem op verschillende manieren ondersteund, financieel maar ook door het oprichten van de ‘Société Néerlandaise d’Editions’, gevestigd te Parijs, met een nevenvestiging in Amsterdam. Das Neue Tage-Buch viel onder deze firma, wat bedoeld was om problemen te voorkomen. En dat was bepaald ook nodig, schrijft Andringa, want het blad had ten doel “das deutsche und internationale Publikum über die politische und wirtschaftliche Lage Deutschlands und vor allem den Nationalsozialismus aufzuklären.”

Ook Ludwig Kunz heeft Andringa aan de vergetelheid ontrukt. Kunz was de uitgever van Flugblätter, die hij publiceerde onder de titel Die Lebenden. Een fotografische herdruk van deze Flugblätter is in 1966 verschenen bij De Boekenvriend Hilversum & Limmat Verlag Zürich. Het nummer van februari 1930 bevat de antwoorden van een aantal auteurs op de vraag welke schrijver volgens hen ten onrechte nog steeds onvoldoende bekend is. Hier het antwoord van Thomas Mann:

Ich nenne einen Verstorbenen, nämlich Franz Kafka, den Deutsch-Böhmen, dessen Werke ich ausserordentlich liebe (…) Seine Bücher sind grundeigentümliche Gebilde von sublimer Einfalt (…) Es muss ja seine Gründe haben, dass das Publikum diesen merkwürdigen und tiefen Dichter nicht beachtet, aber sehr edel, sehr anerkennenswert sind diese Gründe nicht, und man muss tun, wass man kann, um sie ausser Wirkung zu setzen.

Ludwig Kunz is in 1939 naar Nederland gevlucht en heeft de oorlog in de onderduik overleefd. Hij bleef in Nederland en bleef zich ook met literatuur bezig houden. Hij redigeerde een soortgelijk blad als Die Lebenden en vertaalde van het Nederlands in het Duits waarvoor hij de Martinus Nijhoffprijs kreeg. Onder meer vertaalde hij het bekende gedicht van Lucebert:

Ich suche auf poetische Weise,
Das heisst
In der Einfachheit erleuchteter Wasser
Den Raum des umfassenden Lebens
Zum Ausdruck zu bringen

Tenslotte viel mij op dat tijdens de oorlogsjaren Kafka verschillende malen in Nederland is uitgegeven. In 1943 verschenen clandestien zeven korte prozastukken met even zovele litho’s van Jan Bons. Het was het eerste werk van Kafka dat in Nederland werd gedrukt. In 1944 illustreerde Bons Der Landartzt van de kleine ondergrondse uitgeverij Vijf Ponden Pers. Later heeft Bons gezegd, ik citeer Andringa, “dass das Werk ihm sehr geeignet erschienen sei, weil es indirekt den Alptraum der Bedrohung und Unterdrückung verbildliche – ausserdem hat er als Akt des Widerstands Werk eines jüdischen Autors herausbringen wollen.” Van de prachtige uitgave uit 1943 is in 1983 een heruitgave in facsimile uitgebracht, met daaraan toegevoegd vertalingen van de verhalen door Thomas Graftdijk. In 1944 verscheen ook nog eens De gedaanteverwisseling in de vertaling van Nini Brunt. Ik kon het gelukkig antiquarisch vinden, van deze uitgave waren 1.000 exemplaren gedrukt, een hoge oplage voor die tijd. Helaas bevatten alleen tien genummerde exemplaren, die op speciaal papier waren gedrukt, de tekeningen van Bertram Weihs.

Er valt dus het nodige te grasduinen in het boek van Andringa. Enkele malen is de naam van Kafka gevallen want in het kort verband van deze column heb ik de eigen voorkeur gevolgd. Maar er is nog een reden die deze voorkeur zo gek nog niet maakt. In het laatste hoofdstuk van haar boek schrijft Andringa:

Europäische Identität? Das sei ja nicht der Euro, das sei das Gefühl, das man hat, wenn man nach Paris, London, Barcelona, Amsterdam, Rom, Berlin reise und dort die Museen, Sportveranstaltungen und Terrassen besuche, wenn man Italienische Mode, Pariser Parfüms trage, englische Gärten besichtige, niederländische Blumenzwiebeln pflanze, die mediterrane Küche geniesse und Kafka lese.


Els Andringa, Deutsche Exilliteratur im niederländisch-deutschen Beziehungsgeflecht, Eine Geschichte der Kommunikation und Rezeption 1933-2013, De Gruyter, Berlin 2014

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009