De kleine marktplaats Sadagora

Leo Frijda

vrijdag 16 september 2016

Enkele kilometers buiten het centrum van Czernowitz, aan de andere kant van de rivier de Proet, ligt een kleine marktplaats waar in de 18e eeuw Peter Freiherr von Gartenberg een munterij of munterswerkplaats heeft gesticht. De marktplaats draagt zijn naam. Sadagora betekent Gartenberg, tuin op de berg dus of tuindorp, wat ik aardiger vind. Othmar Andrée raadt in zijn Czernowitzer Spaziergange aan naar Sadagora te wandelen “über Feldwege und verödete landwirtschaftliche Erschliessungsstrasse. Man ist dabei völlig ungestört, atmet die beste Landluft, und zugleich gewinnt man eine Vorstellung von der tatsächlichen, doch eher geringen Entfernung jener Gartenstadt von Czernowitz, eine Distanz, die schliesslich früher, also zur Kaiserzeit, von den armen Leuten immer nur auf diese Weise bewältigt wurde”.


Sadagora: synagoge van de wonderrebbe in vroeger jaren

Sadagora is vooral bekend omdat rabbijn Israel Friedmann zich in 1842 in die plaats heeft gevestigd. Onder Friedman en zijn opvolgers ontwikkelde Sadagora zich tot een belangrijk chassidisch centrum. Toen Michel Waterman en ik maart 2013 Czernowitz bezochten, zijn we dus ook naar Sadagora gegaan, zij het niet wandelend maar in de auto van onze gids, Anna Yamchuk. Haar vriend reed ons en maakte ook foto’s. De eens zo indrukwekkende synagoge van de wonderrebbe van Sadagora troffen wij in vervallen staat aan. Weliswaar was te zien dat men wilde gaan restaureren, maar het werk lag stil. Nadien moet de restauratie echter wel op gang zijn gekomen en dit jaar wordt daaraan kennelijk de laatste hand gelegd. Ik hoop het maar, want ook de kleine marktplaats Sadagora behoort tot onze geschiedenis.


Sadagora: synagoge van de wonderrebbe maart 2013

In de literatuur vinden we Sadagora regelmatig vermeld. Zo beschrijft Leopold von Sacher-Masoch (1836-1895) in zijn Geschichten aus Galizien hoe hij in 1855 samen met zijn oom Sadagora bezoekt en op het plein in het midden van die plaats het woonhuis van de tsadiek ontwaart. “Sadagora war damals eine kleine Stadt, die fast nur von Juden und Armeniern bewohnt war. Enge Strasse voll Schmutz, Strassen mit dunklen Winkeln, in die niemals ein Sonnenstrahl drang. (…) In den Strassen arme Juden in Hemdärmeln an beiden Seiten der Stirn und langen Bärten, Frauen in grünen Kleidern mit gelben Gesichtern, welche ihre Kinder auf den Arme hatten und uns misstrauisch betrachteten. Mitten in der Stadt ein grosser Platz und auf diesem das Haus des Zaddik, ein hölzernes Haus mit einem Stockwerk, einer hölzernen Freitreppe, mit roten Ziegeln gedeckt.”

In de romans en verhalen van Karl Emil Franzos (1848-1904) stond naast zijn geboorteplaats Czortkow ook Sadagora model voor het sjtetl Barnow. Hij schreef onder andere een verhalenbundel onder de titel Die Juden von Barnow. Sadagora noemt hij soms ook rechtstreeks. In zijn belangrijkste roman, Der Pojaz, krijgt de hoofdpersoon, Sender Glatteis, de opdracht samen met de twintigjarige Schmule naar Sadagora te gaan om daar de wonderrebbe te raadplegen. Schmule, al enige tijd getrouwd, wordt maar geen vader en de hoop van zijn familie is op deze tsadiek gevestigd. De rebbe zal Schmule inderdaad zegenen, al heeft Sender Glatteis wel flink weten af te dingen op het bedrag dat daarvoor eerst nog door de rebbe wordt verlangd. Ja, over de tsadiek van Sadagora was Franzos niet erg te spreken, hij noemt hem elders “de grootste vijand van de verlichting, de ijverigste voorvechter van het oude, duistere geloof”. De arme Joden gingen naar Sadagora in de volgens Franzos ijdele hoop dat de wonderrebbe hen zal helpen. Door hen meegebracht geld en kostbaarheden neemt de rebbe aan en daardoor kan hij een weelderig leventje leiden.

Na het aardse bestaan kan de tsadiek van Sadagora zijn weelderig leventje zelfs voortzetten, althans volgens de Jiddisje schrijver Itzik Manger (1901-1969). In diens boek Het lied van het paradijs wonen de notabelen van het Joods paradijs aan de Profeet Eljohoe-boulevard en het mooiste huis aan die boulevard is het huis van de Sadegoerer tsaddek: op aarde heeft hij een weelderig leventje geleid en in het paradijs is dat eveneens het geval.

Ook Martin Buber (1878-1965) bezocht in zijn jeugd Sadagora; hij was gewoon met zijn vader de zomer in de Boekovina door te brengen, zo vertelt hij in Mein Weg zum Chassidismus: Erinnerungen. De pracht van het paleis van de rebbe stoot Buber af. Bij de synagoge echter ondergaat Buber andere gevoelens. Hij ziet dat de chassidische Joden en hun rebbe levensvreugde en verbondenheid met elkaar uitstralen als ze dansen met de Torarollen: “Der Palast des Rebbe in seiner effektvollen Pracht stiess mich ab”, schrijft Buber. “Das Bethaus der Chassidim mit seinen verzückten Betern befremdete mich. Aber als ich den Rebbe durch die Reihen der harrenden schreiten sah, empfand ich ‘Führer’, und als ich die Chassidim mit der Thora tanzen sah, empfand ich: ‘Gemeinde’. Damals ging mir eine Ahnung davon auf, dass gemeinsame Seelenfreude die Grundlagen der echten Menschengemeinschaft sind.”

Enkele Joodse dichters uit Czernowitz noemen Sadagora in hun gedichten eveneens. Onder hen Paul Celan, maar zijn gedicht komt nog. Eerst Rose Ausländer (1901-1988) en Alfred Gong (1920-1981).

Van Rose Ausländer het gedicht Chassied van Sadagora, waarvan de laatste regels luiden:

In der doppelgerollten Thora
liegen Licht und Lied
spricht die Geschichte des Volks
Sieh die Geliebte:
im goldgestickten Samtgewand und
krönenden Kopfschmuck
dürfen deine Lippen sie küssen
darfst du sie halten im Arm
und tanzen mit ihr tanzen
zur Ehre des Herrn

Tanzte der Sadagorer Chassid
mit den andern Chassidim.

In de vertaling van E. Ottevaere en P. Thomas:

In de dubbelgerolde thora
liggen licht en lied
spreekt het verleden van het volk
Kijk de geliefde:
in het goudbestikte kleed van juweel
met als haartooi een kroon
mogen je lippen haar kussen
mag jij haar aan de arm leiden
en dansen met haar dansen
ter ere van God

Danste met de andere chassidiem
de chassied van Sadagora

Alfred Gong noemt de wonderrebbe in zijn gedicht Bukovina. Ik citeer de regels waarin Gong de wonderrebbe in de sneeuw laat dansen, ook omdat wij maart 2013, zoals de foto laat zien, een besneeuwd Sadagora aantroffen. Gong:

… Der Wunderrabbi
mit schneeigem Bart tanzte im Schnee
mit dem Schnee überm Schnee –
unterm Schnee träumte ganz Sadagura.

Paul Celan (1920-1970) schreef een heel ander gedicht. Het staat in de bundel Die Niemandsrose. Het eerste gedeelte heb ik gescand:

Volgens het Celan Handbuch ziet Paul Celan in dit gedicht de “jüdische Geschichte als eine in der Shoah kulminierende Leidensgeschichte”. Door de omdraaiing, Czernowitz bij Sadagora, legt hij tevens een verbinding met de eigen geschiedenis. Fritzi Schrager, de moeder van Celan, was geboren in Sadagora en is in een kamp aan de andere kant van de rivier de Boeg vermoord. In 1942, “in dunkeln Zeiten”, zoals Heine het in zijn gedicht An Edom! verwoordt.

“Manchmal nur, in dunkeln Zeiten”, de woorden die Celan boven zijn gedicht overneemt, vormen de eerste regel van het tweede couplet van het gedicht van Heine. Heine gebruikt Edom als algemene term voor jodenhater. De eerste twee coupletten van An Edom! luiden als volgt (in de vertaling van Peter Verstegen):

Boven het gedicht van Celan staat bovendien: Eine Gauner- und Ganovenweise gesungen zu Paris emprès Pontoise von Paul Celan aus Czernowitz bei Sadagora. Ook dat behoeft toelichting. In Sadagora woonden indertijd (“als es noch Galgen gab”) niet alleen maar vrome Joden. De inwoners van Sadagora stonden ook als “Gauner und Ganoven” te boek. Vooral de paardensmokkelaars onder hen hadden een slechte naam.

Nog maar een keer het begin van het gedicht van Paul Celan (nu in de vertaling van Ton Naaijkens):

Destijds, toen er nog galgen waren,
toen, nietwaar, had je,
een boven.

Waar blijft mijn baard, wind, waar
mijn jodenvlek, waar
mijn baard, waar je aan rukt?

Het gedicht van Celan, dat met deze verzuchting begint, eindigt met de woorden de Pest, in de geschiedenis vaak een voorwendsel voor een pogrom, nog een link derhalve met Heine en diens Rabbi von Bacherach waarin dat voorwendsel ook voorkomt.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is de zetel van de Sadagorer tsadiek naar Wenen verplaatst. Dat had gevolgen. Woonden in 1914 ruim 5.000 Joden in Sadagora, veruit de meerderheid van de bevolking, in 1919 waren het er nog geen duizend. En de Sjoa maakte nagenoeg een einde aan Joods leven in Sadagora. In 1945 woonden daar nog slechts een paar Joodse families. Al kort nadat de Roemenen begin juli 1941 het noorden van de Boekovina op de Russen hadden heroverd, was in Sadagora het moorden begonnen. Daaraan deed de plaatselijke bevolking mee, zoals in veel dorpen in het noorden van de Boekovina het geval was. Ook voor Sadagora was het Blutiger Juli, schrijft Simon Geissbühler in zijn gelijknamige boek.

Van die moordpartij staat in dat boek een verslag:

Am frühen Morgen des 7. Juli 1941 wurden 86 Juden, Männer, Frauen und Kinder, aus ihren Betten gerissen und halbnackt zum Bürgermeisteramt getrieben. Von dort führte man sie in der morgendlichen Dunkelheit zu einem Waldabschnitt auf einem nahen Hügel. Dort mussten sie sich bei zuvor ausgehobenen Gruben aufstellen. Dann wurde geschossen. 73 Personen wurden getötet. Der Rest schaffte es, zu entfliehen. Beim Massaker anwesend waren 50 Rumänen und Ukrainer, die in Sadagora wohnten.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.
dank Leo

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009