Vriendschap

Leo Frijda

vrijdag 10 augustus 2012

Brievenboeken van schrijvers zijn geen zeldzaamheid en dat ligt voor de hand. Als schrijvers met elkaar corresponderen, gaat het vaak om goed leesbare brieven die ook nog eens laten zien wat hen persoonlijk en maatschappelijk bezig houdt. Een uitgave van die brieven is dan ook vrijwel altijd de moeite waard. Een voorbeeld is de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig waar ik eerder al over schreef. Volgend voorjaar, dinsdag 5 maart, zal ik hierover een lezing geven, zie het Crescas-cursusprogramma.

Het schrijven van brieven is door e-mail en andere moderne communicatiemiddelen naar de achtergrond gedrongen. Ook bij schrijvers zal dit wel het geval zijn, maar mogelijk in mindere mate. Het zijn, vermoed ik, hardnekkige brievenschrijvers, al zal het in deze tijd waarschijnlijk vooral gaan om briefwisselingen die, anders dan bijvoorbeeld de correspondentie tussen Roth en Zweig, van het begin af aan voor publicatie bestemd zijn. Dat zet dan natuurlijk de toon, zoals het geval is bij het onlangs uitgekomen boek van Paul Auster en J.M. Coetzee Een manier van vriendschap, Brieven 2008-2011. Het is een gezamenlijke uitgave van Cossee, waar de boeken van Coetzee verschijnen, en De Arbeiderspers, in Nederland de uitgever van Auster.

Coetzee heeft Auster voorgesteld om met elkaar te corresponderen, samenwerken noemt hij het, en het is dus duidelijk dat hen steeds voor ogen heeft gestaan dat de brieven in boekvorm zullen verschijnen. Geen al te intieme ontboezemingen maar, zoals de wat afstandelijke Coetzee aan Auster schrijft, de gedeelde ontzetting van twee heren op leeftijd over hoe het er aan toegaat in de wereld. Auster, die zich veelal wat emotioneler uit dan Coetzee, antwoordt dat het onze plicht is te blijven mopperen en kijven, te keer te gaan tegen alle hypocrisie, onrechtvaardigheid en stompzinnigheid van de wereld waarin we leven.

Twee heren op leeftijd. Ik zocht dus op hoe oud Coetzee en Auster zijn. Coetzee en ik bleken even oud, sterker nog, wij zijn op dezelfde dag geboren. Vaak had ik de neiging om instemmend met hen mee te mopperen. Neem hun ontzetting over de bibliotheek van de toekomst waar geen papieren boeken meer te vinden zijn (al nuanceert Coetzee dit ook wel weer). Coetzee merkt op hoe hij, toen hij zestien was en wat geld te besteden had, een stuk of tien boeken kocht die het fundament van een persoonlijke bibliotheek zouden gaan vormen. Met die boeken heeft hij nog steeds een sentimentele band. Zelf kocht ik in mijn middelbareschooltijd op een boekenmarkt in Den Haag de Elsevier-editie van de Verzamelde Werken van Multatuli uit 1907. Vijf kleine groene boekjes, gedrukt op dun papier, die ik koester omdat ze het begin zijn van een blijvende band met Multatuli.

Terug naar Coetzee en Auster want in deze column gaat het me over wat zij te vertellen hebben over vriendschap. Vooral wat Coetzee daarover zegt in zijn gedachtewisseling met Auster over het conflict in het Midden-Oosten.


Coetzee en Auster samen op het Kingston WritersFest, september 2011
(foto: Bernard Clark)

Vriendschap, schrijft Auster, betekent goede manieren, vriendelijkheid, consequent gedrag. Vrienden die tegen elkaar schreeuwen, meent hij, blijven zelden vrienden.

Israël als onderwerp van gesprek is, ook tussen vrienden, wel eens ongemakkelijk. Tussen Coetzee en Auster is dat niet het geval en dat komt vooral omdat hun opvattingen over het conflict in het Midden-Oosten maar weinig van elkaar verschillen en bovendien nauwelijks afwijken van die van andere linkse intellectuelen. Toch is dit niet alles wat hierover te zeggen valt. Van belang is ook de opmerkelijk begripvolle opstelling van Coetzee tegenover zijn Joodse vrienden voor wie het lot van de staat Israël heel veel betekent.

Velen, zo vermoed ik, zullen met mij de ervaring delen dat het soms gemakkelijker is met Joodse vrienden over Israël te praten dan met niet-Joodse vrienden. De Israëlische politiek zelf is niet zozeer het struikelblok. De opvattingen daarover hoeven niet uiteen te lopen. Het zijn veeleer onbestemde onzekerheden die ruis veroorzaken. Tegenover Joodse vrienden heb ik meestal geen remmingen om duidelijk te maken dat ik ernstige bedenkingen heb tegen de huidige Israëlische politiek. Mijn Joodse vrienden weten wel dat ook ik geen eenvoudige, pasklare oplossingen voor het conflict zie en mijn betrokkenheid bij het land er ook niet minder om is. Integendeel. Maar met niet-Joodse vrienden kan dat anders liggen en ben ik soms geneigd mijn eigen bedenkingen te verpakken, bevreesd als ik ben dat die niet in een juiste context worden geplaatst. En de bedenkingen van mijn niet-Joodse vrienden, ook al ben ik het met hen eens, wil ik liever niet horen want, denk ik dan bij mezelf, zo eenvoudig ligt het nu allemaal ook weer niet. En in het ergste geval kan ik zelfs enige argwaan niet onderdrukken.

In de briefwisseling snijdt Auster het Midden-Oostenconflict aan als één van de honderden, zoniet duizenden problemen die de wereld teisteren. Het antwoord van Coetzee aan Auster is behoedzaam: Je snijdt het onderwerp Israël aan. Ik vind Israël moeilijk om over te praten, maar als je me toestaat, zal ik proberen orde te scheppen in mijn verwarde gedachten. En verderop: Zoals veel westerse intellectuelen (...) heb ik gemengde gevoelens over Israël/Palestina.

Auster valt in een volgende brief Coetzee bij: Zelfs ik, een Jood die een jaar voordat de staat Israël werd gesticht, geboren is, ben niet minder verdeeld dan jij.

Kort daarna bezoekt Auster Israël. Hij geeft uiting aan zijn verwarde en verdeelde gevoelens. Jeruzalem noemt hij een van de mooiste steden ter wereld. Jeruzalem in bloesem, het licht van mei, de indrukwekkende stenen, overal schitterende kleuren. Aan de oppervlakte gaat het leven gewoon door, schrijft hij, maar daaronder is er angst, het einde van de hoop. Auster laat geen twijfel bestaan over wat hij vindt van de genadeloze opstelling van de Israëlische regering, haar regelmatig slechte inschattingen en herhaaldelijke brute optreden. Maar, constateert hij ook, geen ander land heeft het gevoel dat het in zijn bestaan wordt bedreigd, dat totale uitroeiing een reële mogelijkheid is.

Auster kreeg van Coetzee de ruimte om op deze manier over zijn verwarde en verdeelde gevoelens te schrijven. Hun vriendschap liet dat toe. Maar ook omdat Coetzee, nadat het Midden-Oostenconflict in de briefwisseling was opgedoken, Auster had laten weten:

Ik heb Joodse vrienden voor wie het lot van de staat Israël heel veel betekent. Als ik moet kiezen tussen mijn vrienden en het principe van historische rechtvaardigheid, ben ik bang dat ik voor mijn vrienden kies – niet alleen omdat ze mijn vrienden zijn, maar ook omdat ik geloof dat hun betrokkenheid bij Israël (die niet per se steun voor enige Israëlische regering inhoudt) zorgvuldig overdacht en diepgevoeld is en op sommige momenten behoorlijk gekweld.

Deze opstelling van Coetzee trof mij. Net als Auster zou ik met Coetzee over Israël durven spreken. Zonder enige aarzeling.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009