Met een boek naar het museum

Leo Frijda

vrijdag 14 november 2014

Het afgelopen half jaar heb ik geen columns geschreven. Ik heb die tijd benut om mijn voor Crescas geschreven columns over Kafka te bundelen en nog eens tegen het licht te houden. Meestal leidde dit tot de nodige aanpassingen en aanvullingen. Bovendien schreef ik een aantal stukken over en rondom Kafka die niet eerder zijn gepubliceerd. Alles bij elkaar een nieuw boek dat over enige tijd bij Amphora Books zal verschijnen. Ik houd u op de hoogte.

Intussen is in Warschau een nieuw museum geopend, Polin, dat beoogt de lange geschiedenis van de Joodse aanwezigheid in Polen in al haar facetten te laten zien. Ik ben benieuwd wat dit nieuwe museum te bieden heeft. Sommigen van ons zullen misschien moeite hebben om naar Polen te gaan en een bezoek aan het museum te brengen. Dat valt te begrijpen en te respecteren. Toch kan juist nu, meer dan zeventig jaar na de sjoa, de tijd gekomen zijn om een bezoek aan het nieuwe museum te brengen. Lees daarvoor het boek van Jan. T. Gross, Buren, De vernietiging van de joden in Jedwabne, in 2002 bij De Bezige Bij verschenen. De vertaling is van Albert Witteveen en Jorien Hakvoort.

Op het eerste gezicht geeft Buren de lezer veeleer een argument of een extra argument om niet naar Polen te gaan. Gross toont immers overtuigend aan dat de moord op de Joden van Jedwabne, een kleine plaats in het noordoosten van Polen, niet is gepleegd door de Duitsers maar door hun buren. Ruim 300 Joden vonden daar 10 juli 1941 op de meest gruwelijke wijze de dood. Wreed omgebracht door de Poolse inwoners van Jedwabne.

Natuurlijk, schrijft Gross, past ‘de tragedie van het jodendom van Jedwabne binnen de moorddadige oorlog die Hitler tegen alle Joden voerde’. ‘Maar wat de rechtstreekse betrokkenheid van de Duitsers bij de massamoord van 10 juli 1941 op de Joden in Jedwabne betreft, moeten we constateren dat die hoofdzakelijk beperkt bleef tot het maken van foto’s’.

Gross:

En wat de Joden zagen, tot hun afschuw en naar ik veronderstel hun onbegrip, waren bekende gezichten. Geen anonieme mannen in uniform, kleine radertjes in een grote oorlogsonderneming, agenten die orders uitvoerden, maar hun eigen buren, die verkozen om te doden en die bezig waren met een bloedige pogrom: gewillige beulen.

Gross, zelf afkomstig uit Polen en tegenwoordig hoogleraar in de Verenigde Staten, wijst erop dat ‘Polen net als diverse andere volken om zijn eigen verleden weer terug te winnen zichzelf opnieuw zijn geschiedenis zal moeten vertellen.’ Daaraan heeft Gross met zijn boek bijgedragen. De pogrom van Jedwabne heeft in Polen geleid tot de nodige discussies maar uiteindelijk ook tot meer openheid en inzicht. Zo was na de oorlog in Jedwabne een monument geplaatst waarop was aangegeven dat op die plek de Joden van de stad door de Duitsers waren vermoord. Die onjuiste, verhullende tekst staat niet meer op het nieuwe monument uit 2001. Na zestig jaar kon het verleden niet meer worden verdrongen.


Het nieuwe monument in Jedwabne (Wikipedia)

De laatste alinea van het boek van Gross luidt:

Tot slot wil ik zeggen dat ik geloof dat we aan het begin staan van een tijdperk waarin de nieuwe generatie die in Polen is opgegroeid met vrijheid van meningsuiting en met politieke vrijheden, in staat is om de onverbloemde geschiedenis van de Pools-Joodse verhoudingen tijdens de oorlog onder ogen te zien.

Als wat Gross veronderstelt, in het nieuwe museum tot uitdrukking komt, en daar lijkt het op, kan deze ontwikkeling een goede reden zijn toch naar Polen te gaan en het museum te bezoeken. Mogelijk ook voor degenen die daar tot nu toe moeite mee hadden. Met het boek van Gross in de hand. Dat wel.

Was de opening van het nieuwe museum in Warschau de aanleiding op een al eerder verschenen boek te wijzen, een kort geleden verschenen boek vormt de aanleiding op een al langer bestaand museum te wijzen. Enkele jaren geleden bezocht ik het Felix-Nussbaum-Haus in Osnabrück, in 2001 uitgebreid met een door Daniel Libeskind ontworpen nieuw gedeelte. Ik was onder de indruk van het werk van Nussbaum dat in Osnabrück bijeen is gebracht en kocht daarom in de museumwinkel de biografie van Peter Junk en Wendelin Zimmer en een uitgave met enkele brieven van Nussbaum. Er is een goede reden om nu op Nussbaum te attenderen want vorige maand verscheen Orgelman, Felix Nussbaum, Een schildersleven, geschreven door Mark Schaevers en uitgegeven door De Bezige Bij.

Schaevers is de auteur van Oostende, de zomer van 1936, dat vooral gaat over de schrijvers die toen in Oostende verbleven, onder hen Zweig, Kisch en Roth. Ik schreef daar eerder over. Ook Nussbaum was die zomer in Oostende. Hij bracht zelfs een kwart van zijn leven door in Oostende en Brussel. Om zijn werk te zien heeft het echter nauwelijks zin naar België te gaan. Het Joods Museum in Brussel bezit van hem slechts twee gouaches en twee aquarellen. In Osnabrück daarentegen vindt men de meeste werken van Nussbaum, in totaal ongeveer 300, waaronder het bekende, indringende zelfportret met jodenpas uit 1943.

Orgelman is geschreven als een zoektocht naar wat er nog over Nussbaum kon worden teruggevonden. Van die zoektocht heeft Schaevers op enthousiaste wijze verslag gedaan. Hoewel veel sporen zijn verwaaid, heeft Schaevers toch nog veel naar boven weten te halen. Zijn biografie is bovendien verlucht met een groot aantal afbeeldingen van schilderijen en steeds wordt vermeld waar deze zijn ontstaan en wat met die schilderijen kan zijn bedoeld. Wie naar Osnabrück gaat om het museum te bezoeken, moet zeker eerst het boek van Schaevers lezen. Daaruit een voorpoefje.

Nussbaum is op 11 december 1904 in Osnabrück geboren. In een welvarend gezin, zijn vader bezat een groothandel in ijzerwaren. De kleine Joodse gemeente van Osnabrück schommelde voor de oorlog tussen de 400 en 435 leden. Ook de Nussbaums voelden zich deel van de Joodse gemeenschap, al gingen ze kennelijk niet regelmatig naar de synagoge en hielden ze zich niet aan alle voorschriften. In 1926 heeft een jonge Felix Nussbaum de synagoge van Osnabrück geschilderd. Het bewaard gebleven schilderij is bekend onder de naam Die beiden Juden of Inneres der Synagoge zu Osnabrück.


Felix Nussbaum, Die beiden Juden, 1926
Öl auf Leinwand, 115 x 99 cm
Felix-Nussbaum-Haus Osnabrück, Leihgabe der Niedersächsischen Sparkassenstiftung
© Pictoright / VB Bild-Kunst, Bonn 2014

De synagoge, opvallend groot voor een betrekkelijk kleine gemeente, is tijdens de Kristallnacht in vlammen opgegaan en niet herbouwd. Het schilderij is daarom ook historisch van betekenis. Interessant is dat Libeskind het museum zo heeft gebouwd dat de punt van de grote zaal wijst naar de plek waar eens de synagoge stond.

Op het schilderij zien we rechts Nussbaum zelf en links Elias Abraham Gittelsohn, indertijd de voorzanger van de gemeente. Schaevers: ‘Gittelsohn is afgebeeld als een baardige, wat verdwaasde, in gebed verzonken man. Ook Nussbaum draagt een gebedssjaal, maar hij is gladgeschoren, zelfbewust. De vertegenwoordiger van een nieuwe generatie, minder in tradities gevangen?’

Gittelsohn moet, zo lees ik bij Junk en Zimmer, eerder ruimdenkend dan bekrompen zijn geweest. Maar Nussbaum wilde waarschijnlijk Die beiden Juden ook binnen het jodendom tegenover elkaar plaatsen. En hij koos partij door zichzelf op het schilderij af te beelden. Nussbaum had zeker het gevoel een ‘vertegenwoordiger van een nieuwe generatie’ te zijn. Een jaar eerder schreef hij een brief aan Ludwig Meidner die is teruggevonden. In die brief laat Nussbaum zijn oudere collega-schilder weten dat hij met betrekking tot het Joodse geloof slechts vragen heeft. Hij is ‘niet geleerd genoeg om God te ontkennen’ en ‘misschien niet geleerd genoeg om God te ontkennen.’ Daaraan voegt hij toe dat hij ‘uit liefde voor zijn ouders’ zich nog wel aan de Joodse feestdagen wil houden. Dat en ook ‘schilderkunst, natuur, vreugde in het leven,’ zo meent hij, ‘is wellicht God.’

In 1931, hij woont dan al niet meer thuis maar in Berlijn, gaat Nussbaum een stap verder. In Maler im Atelier stelt hij schilderen en jodendom tegenover elkaar.


Felix Nussbaum, Maler im Atelier, 1931
Öl auf Leinwand, 87 x 100 cm
Privatsammlung
© Pictoright / VG Bild-Kunst, Bonn 2014

Op dit schilderij zien we Nussbaum, werkend aan een doek met daarop een naakte vrouw. ‘Vier heren zijn binnengedrongen,’ schrijft Schaevers, ‘ze dragen baarden en bruidskleren; allicht proberen ze hem over te halen om aan de sabbat deel te nemen, zonder succes. De zoeker Nussbaum heeft niet het geloof, maar de schilderkunst gevonden.’

Het jodendom heeft Nussbaum echter niet losgelaten. Het zelfportret met jodenpas, velen zullen het kennen, maakt dat al duidelijk. Maar er zijn veel meer schilderijen waarin Nussbaum het lot van de vervolgde Joden voor altijd heeft vastgelegd. Ik haal er één naar voren, Jaqui auf der Strasse, geschilderd in 1944 toen Nussbaum en zijn vrouw in Brussel waren ondergedoken. Jaqui moet een jongen zijn geweest die hen af en toe kwam opzoeken. Hij is geschilderd met ster in een lege ommuurde straat.


Felix Nussbaum, Jaqui auf der Straße, 1944
Öl auf Sperrholz, 70,5 x 49 cm
Felix-Nussbaum-Haus Osnabrück, Leihgabe der Niedersächsischen Sparkassenstiftung
© Pictoright / VG Bild-Kunst, Bonn 2014

Hoe het met Jaqui is afgelopen, is onbekend. Schaevers: Mag ik hier alsnog een oproep plaatsen: ‘Wie herinnert zich Jaqui?’

Het laatste schilderij dat Nussbaum heeft geschilderd, heet Triumph des Todes. Een angstaanjagend schilderij, afgesloten 18 april 1944. Twee maanden later, op 20 juni, worden Nussbaum en zijn vrouw opgepakt en op 2 augustus komen zij in Auschwitz aan. Zij hebben het niet overleefd. Nussbaum moet hebben gezegd: Wenn ich untergehe, lasst meine Bilder nicht sterben. Het heeft even geduurd maar in Osnabrück zijn de schilderijen van Nussbaum sinds 1970 stap voor stap weer tot leven gekomen en in 2001 in het nieuwe gebouw van Libeskind ondergebracht. Nussbaum verdient het dat we ook dat museum bezoeken.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009