Marcel Reich-Ranicki (1920-2013)

Leo Frijda

zondag 29 september 2013

Februari 1937. Zo’n zeven of acht jongeren komen heimelijk bij elkaar in een woning in Berlin-Grünewald. Voorgelezen wordt de in een Zwitserse krant gepubliceerde open brief die Thomas Mann aan de universiteit Bonn richtte nadat hem het Duits staatsburgerschap was ontnomen en hij door de universiteit van de lijst van eredoctoren was geschrapt. Een van die jongeren was de toen 16-jarige gymnasiast Marcel Reich-Ranicki die op 18 september jl. is overleden.

De reactie van Reich-Ranicki op de open brief van Thomas Mann staat in zijn boek Mein Leben (ik heb alleen de oorspronkelijke uitgave, niet de Nederlandse vertaling). Reich-Ranicki:

Ich hatte ja keine Ahnung, worauf ich mich gefasst machen sollte, wie er sich also entschieden hatte, wie weit er gegangen war. Doch schon der dritte Satz hat die Unsicherheit behoben. Denn hier war von den ‘verworfenen Mächten’ die Rede, ‘die Deutschland moralisch, kulturell und wirtschaftlich verwüsten’. Da konnte kein Zweifel mehr sein: Thomas Mann hatte sich in diesem Brief zum ersten Mal und in aller Deutlichkeit gegen das ‘Dritte Reich’ gestellt.

Toen de brief was voorgelezen, schrijft Reich-Ranicki, ben ik weggegaan, ‘ich wollte allein sein – allein mit meinem Glück.’

Wie mijn vorige column heeft gelezen, weet dat Thomas Mann al eerder, begin februari 1936, een open brief publiceerde. Maar ik citeerde vooral de latere open brief aan de universiteit Bonn, omdat Thomas Mann daarin zijn weerzin tegen het Derde Rijk nog duidelijker en scherper heeft verwoord. De passage die Reich-Ranicki de centrale gedachte van Thomas Mann noemt, citeerde ik echter niet. Het gaat om deze zin:

Zij (de nationaal-socialisten) hebben de ongelooflijke vermetelheid zichzelf voor Duitsland aan te zien! Terwijl toch wellicht het ogenblik niet ver is dat het Duitse volk geen offer te groot zal zijn om niet voor hen te worden aangezien.

Thomas Anz schrijft in zijn boek over Reich-Ranicki terecht dat diens herinneringen ‘eine in vieler Hinsicht exemplarische Geschichte des 20. Jahrhunderts in Deutschland’ vormen. Lezen dus! Twee aspecten die mij intrigeren, wil ik naar voren halen, beter gezegd proberen aan te raken. Waarom is Reich-Ranicki in 1958 weer naar Duitsland gegaan? Wat betekende het jodendom voor hem?

Verliefd op literatuur

Voor het antwoord op de eerste vraag, waarom is Reich-Ranicki in 1958 weer naar Duitsland gegaan, moeten we terug naar die 16-jarige gymnasiast in Berlijn. Reich-Ranicki was in 1920 in Polen geboren maar kwam in 1929, toen de zaak van zijn vader failliet was gegaan, met zijn ouders naar Berlijn, naar ‘het land van de cultuur’.

In zijn herinneringen vertelt Reich-Ranicki dat hij nooit meer zoveel gelezen heeft als in de tijd dat hij in Berlijn het gymnasium bezocht. Reich-Ranicki was verliefd:

Ein extremes, ein unheimliches Gefühl hatte mich befallen und überwältigt. Ja, ich war verliebt. Halb zog sie mich, halb sank ich hin – ich war verliebt in sie, die Literatur.

Al in zijn gymnasiumtijd las Reich-Ranicki de Duitse klassieken, Goethe, Schiller, Kleist, Heine, en ‘vereerde’ hij Thomas Mann, de schrijver van de Buddenbrooks. Ook de schrijvers van wie in 1933 de boeken zijn verbrand, Joseph Roth, Stefan Zweig, Lion Feuchtwanger. Namen en titels waren weliswaar in de bibliotheken van de stad doorgestreept maar nog steeds te ontcijferen.

Het waren de twee kanten van Duitsland waarmee hij al op het gymnasium had kennis gemaakt. Daar werden, tot zijn verbijstering, de leerlingen nog met een rotting geslagen. Naast de liefde voor de literatuur, ‘das Glück, dass ich dem Deutschen verdankte’, bleef de angst voor ‘dem deutschen Rohrstock, dem deutschen Konzentrationslager, der deutschen Gaskammer, kurz: vor der deutschen Barbarei.’

Als Reich-Ranicki zich herinnert dat hem in februari 1937 de open brief van Thomas Mann is voorgelezen, voegt hij daaraan toe:

1937 habe ich noch nicht wissen können, dass Thomas Mann während des Zweiten Weltkrieges in der internationalen Öffentlichkeit eine Rolle spielen würde, die noch nie einem deutschen Schriftsteller zugefallen war: Er wurde zur weithin sichtbaren Gegenfigur. Sollte ich mit zwei Namen andeuten, was ich als Deutschtum in unserem Jahrhundert verstehe, dann antwortete ich, ohne zu zögern Deutschland – das sind in meinen Augen Adolf Hitler und Thomas Mann. Nach wie vor symbolisieren diese beiden Namen die beiden Seiten, die beiden Möglichkeiten des Deutschtums.

Als Jood met een Poolse nationaliteit is Reich-Ranicki op 28 oktober 1938 Duitsland uitgewezen. Naar Polen. Zijn ouders waren hem voorgegaan. De hoofdstukken uit Mein Leben over wat hem en de andere familieleden in Warschau is overkomen, behoren tot de meest indrukwekkende en aangrijpende van zijn autobiografie. Reich-Ranicki beschrijft ‘wozu Menschen fähig sind, wenn ihnen unbegrenzte Macht über andere Menschen eingeraumt wird.’ ‘Die Juden im Warschauer Getto … ist Grauenhaftes widerfahren.’ Reich-Ranicki heeft het getto overleefd. Zijn ouders niet. Zij zijn vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Reich-Ranicki stond op de ‘Umschlagplatz’ toen zij werden weggevoerd. ‘Ich wusste, dass ich sie zum letzten Mal sah.’

Genoeg. De vraag laat zich hiermee nog dringender stellen. Waarom is Reich-Ranicki in 1958 weer naar Duitsland gegaan? Het antwoord is mede te vinden in wat in Reich-Ranicki omging toen hij op 13 augustus 1955 vernam dat Thomas Mann de dag daarvoor in Zwitserland was overleden:

Ich fühlte mich verlassen. Denn ich wusste, dass er, Thomas Mann, mich beeindruckt und beeinflusst, vielleicht sogar geprägt hatte, wie kein anderer deutscher Schriftsteller unseres Jahrhunderts. Ich wusste, dass es seit Heine keinen Schriftsteller gegeben hatte, dem ich in so hohem Mass und auf so tiefe Weise verbunden war.

Reich-Ranicki kon in 1958 toch naar Duitsland gaan omdat Duitsland, ondanks alles, voor hem ook het land van Thomas Mann was.

Ich bin ein Jude

‘Ich bin ein halber Pole, ein halber Deutscher und ein ganzer Jude’, zei Reich-Ranicki in 1958 tegen Günter Grass. In zijn autobiografie neemt hij dat ‘ganzer’ terug. Hij kan niet, meent hij, ‘ein ganzer Jude sein’ omdat God in zijn leven geen rol speelt. Reich-Ranicki gebruikt hier dezelfde formulering als Canetti.

Nee, religieus is deze kleinzoon van een rabbijn zeker niet. ‘Das ist es’, schrijft hij, ‘was ich an der mosaischen Religion nicht ertragen kann: ihre Weigerung und Unfähigkeit, unzählige seit Menschengedenken existierende, aber längst sinnlos gewordene Gebote und Vorschriften zu reformieren.’ Dit is een wel erg grove versimpeling. Gelukkig schrijft hij ook: ‘Aber ich weiss zugleich und vergesse es nicht: Die Juden haben keine Schlösser und Paläste erbaut, keine Türme errichtet, keine Reiche gegründet. Sie haben nur Worte aneinander gereiht. Es gibt keine Religion auf Erden, die das Wort und die Schrift höher schätzen würde als die mosaische.’ Ook Reich-Ranicki en Amos Oz kunnen elkaar de hand schudden.

In 1973 publiceerde Reich-Ranicki zijn boek Über Ruhestörer, Juden in der deutschen Literatur. Omdat het boek de ‘Juden in der deutschen Literatur’ tot onderwerp heeft, is het opgedragen aan allen die door de Duitsers zijn vermoord, alleen omdat zij Joden waren. ‘Zu ihnen gehören mein Vater David Reich, meine Mutter Helene Reich, geb. Auerbach, und mein Bruder Alexander Herbert Reich.

Een ‘Ruhestörer’ was Reich-Ranicki zelf ook en Thomas Anz haalt uit dat boek verschillende zinnen aan die zowel op die Joodse schrijvers als op Reich-Ranicki slaan. Onder andere uit het hoofdstuk over Heine: ‘Ein geborener Provokateur war er und ein ewiger Ruhestörer’. Daarmee is meteen een eventueel misverstand uit de weg geruimd, want Reich-Ranicki hield van ‘Ruhestörer’ als Heine. ‘Ruhestörer’ is een geuzennaam. Het gaat mij echter vooral om het volgende.

Een van de hoofdstukken uit Über Ruhestörer, Juden in der deutschen Literatur, is getiteld Im magischen Judenkreis. Die drie woorden zijn afkomstig uit een door Reich-Ranicki in dat hoofdstuk overgenomen opmerking van Ludwig Börne uit 1832:

Es ist wie ein Wunder! Tausend Male habe ich es erfahren, und doch bleibt es mir ewig neu. Die einen werfen mir vor, dass ich ein Jude sei; die anderen verzeihen es mir; der Dritte lobt mich ganz dafür; aber allen denken daran. Sie sind wie gebannt in diesem magischen Judenkreise, es kann keiner hinaus.

In Mein Leben staat het hetzelfde, voor Reich-Ranicki kennelijk belangrijke, citaat. Alleen de laatste zin ontbreekt maar aan de betekenis van het citaat doet dat niet veel af. Zo’n anderhalve eeuw later had Reich-Ranicki nog steeds dezelfde ervaringen als Börne. Daarvan geeft hij in zijn autobiografie verschillende voorbeelden. En altijd is zijn antwoord dan: ‘Aber sie haben schon recht, ich bin ein Jude.’

Tot slot

Als Reich-Ranicki in 1979 in China is en toevallig Yehudi Menuhin ontmoet, vraagt deze hem wat hij daar doet.

‘Ich halte hier Vorträge über Goethe und Thomas Mann.’ Menuhin schweigt, doch nicht lange – und sagt dann: ‘Nun ja, wir sind eben Juden.’ Nach einer kurzen Pause: ‘Dass wir von Land zu Land reisen, um deutsche Musik und deutsche Literatur zu verbreiten und zu interpretieren – das ist gut und richtig so.’ Wir sehen uns nachdenklich an, schweigend und vielleicht melancholisch.


Bronnen:
Marcel Reich-Ranicki, Mein Leben, Stuttgart 1999.
Thomas Anz, Marcel Reich-Ranicki, München 2004.
Marcel Reich-Ranicki, Über Ruhestörer, Juden in der deutschen Literatur, München 1973.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009