Ik teken het gezicht van de tijd

Leo Frijda

vrijdag 24 juni 2011

Ich zeichne das Gesicht der Zeit is de titel van een vorig jaar verschenen bundel met essays, reportages en feuilletons van Joseph Roth. Daarin staan ook Juden auf Wanderschaft uit 1927 en Die Juden in Deutschland, het in 1937 geschreven voorwoord voor de beoogde maar toen niet meer realiseerbare heruitgave van Juden auf Wanderschaft. Beide stukken zijn van centrale betekenis voor de kijk van Joseph Roth op wat hem en zijn medejoden overkwam. Ik scheef daar eerder over in mijn column van 29 april 2009. Een mooie samenvatting geeft Koos van Weringh:

Juden auf Wanderschaft is een uitermate boeiende ‘studie’, waarin getracht wordt de lotgevallen van de Europese joden na de wereldoorlog van 1914-1918 te beschrijven. Roth heeft het dan ook eigenlijk over zijn eigen lotgevallen: geboren in zo’n overwegend Joods stadje, via de Joodse wijk Leopoldstadt in Wenen naar het Oostelijke front en daarna naar Wenen, Berlijn en Parijs. In het westen gevierd als een belangrijk journalist, min of meer geassimileerd, maar met een niet te onderdrukken verlangen naar het verloren land.

In mijn vorige column noemde ik Joodse literatuur het Joodse geheugen. Ich zeichne das Gesicht der Zeit, uit een feuilleton van Joseph Roth, is een variant. Hij voegde daar nog aan toe: Das ist die Aufgabe einer grossen Zeitung.

Eén van onze grote literaire tijdschriften is De Gids. Het bestaat al sinds 1837. Onder de bezuinigingen die dit kabinet vanaf volgend jaar wil doorvoeren, vallen de subsidies aan literaire tijdschriften, in totaal gaat het om € 285.000. De Gids dreigt door het wegvallen van de subsidie in moeilijkheden te geraken. De kaalslag op cultureel gebied als gevolg van dit beleid van de regering is ongehoord, tenzij verstandige en voor de lijn van de geschiedenis gevoelige Kamerleden hieraan nog een halt toeroepen.

Literaire tijdschriften geven aan ontluikend talent een kans om te publiceren en ook wat dieper gravende artikelen over literatuur vinden daarin een plaats. Neem De Parelduiker, een ander tijdschrift dat door de subsidiestop ten onder dreigt te gaan. In De Parelduiker, uitgave 2011/2, staan interessante artikelen over Jacob Israël de Haan. Verder vind je in de laatste twee nummers bijdragen van Els Snick over Joseph Roth. Haar artikelen bevatten nieuwe informatie over de invloed van Amsterdam op diens werk. Ook schrijft ze over Joseph Roth en Marlene Dietrich. Dietrich had in een interview gezegd dat Job haar favoriete boek was en in haar nalatenschap is een manuscript aangetroffen van Stationschef Fallmerayer, het eerste wat langere verhaal dat Joseph Roth in de tijd van zijn ballingschap schreef.

Het stuk van Snick eindigt bovendien met de volgende opvallende passage:

Het vermelden waard is ten slotte hoe het met de verfilming van Job is gelopen. In Hollywood werd het script als te joods beschouwd, en toen de film in 1936 onder de titel Sins of men bij Twenthieth Century-Fox werd uitgebracht, was de Joodse Talmoedleraar Mendel Singer veranderd in een Oostenrijkse katholieke koster, en de setting van het Russische stadje Zuchnow verlegd naar Gossensass in Zuid-Tirol.

Tot zover een – wat lang uitgevallen - aanloop. De artikelen van Snick vormen de aanleiding om in deze column eerst iets te schrijven over de contacten van Joseph Roth met De Gemeenschap, het tijdschrift en de uitgeverij van de jonge en progressieve katholieken vóór 1940, waarna ik in de column van volgende week het verblijf van Roth in Amsterdam zal belichten. Behalve in de biografieën van Bronsen en Von Sternburg valt daarover veel te lezen in een ‘voorloper’ van De Parelduiker, het kwartaalschrift De Engelbewaarder, uit 1979, met als titel Joseph Roth in Nederland (hieruit komt het citaat van Koos van Weringh). Daarnaast is er de uitgave van Kiepenheuer & Witsch uit 1991: Aber das Leben marschiert weiter und nimmt uns mit, Der Briefwechsel zwischen Joseph Roth und dem Verlag De Gemeenschap 1936-1939.

Marlene Dietrich, meent Snick, had het manuscript van Roth kunnen kopen omdat Roth in die tijd steeds dringend geld nodig had. Dat is goed mogelijk want het was eveneens chronisch geldgebrek dat Roth ertoe bracht om in 1936 te kiezen voor De Gemeenschap, een kleine, relatief onbekende uitgeverij, gevestigd in Bilthoven. Querido en Allert de Lange, de twee grote uitgeverijen van exilliteratuur, hadden toen al zeven titels van Joseph Roth gepubliceerd. Roth had steeds hoge honoraria en voorschotten weten te bedingen, er bestand auf exorbitanten Vorschüssen, schrijft Klaus Mann in Der Wendepunkt. Dat lukte hem vooral bij Gerard de Lange. Een van de dingen die Joseph Roth en Gerard de Lange verbond was de alcohol, aldus De Engelbewaarder. Tegenover Gerard de Lange heeft zelfs Joseph Roth, toch een groot en befaamd innemer, het moeten afleggen. Na de dood van Gerard de Lange, 25 juni 1935, werden de contacten met diens uitgeverij zakelijker en daar kwam nog eens bij dat omstreeks dezelfde tijd Querido alleen nog maar drukklare manuscripten van Roth accepteerde.

Roth, die in het Duits schreef en wiens afzetgebied dus voor een groot deel was weggevallen en die vrijwel steeds alle voorschotten al had uitgegeven, kwam in grote financiële problemen. Als gevolg van deze geldzorgen kwam Joseph Roth via Anton van Duinkerken bij De Gemeenschap terecht.

Tekening van Mies Blomsma, gemaakt in Parijs, november 1938.
“Dat ben ik echt; boos, bezopen, maar snugger”, schreef Joseph Roth er zelf bij.

Het contact met Anton van Duinkerken had een voorgeschiedenis. Bij Allert de Lange was in 1934 een merkwaardig boek van Joseph Roth verschenen, Der Antichrist. Het is geen roman maar een verhandeling die vooral in Nederland opzien baarde. Roth, die van Gerard de Lange ook voor dit boek een ruim voorschot had ontvangen, erkende naderhand dat het te haastig was gemaakt: aus Panik habe ich (...) schnell und schlecht geschrieben. Dat is ook wel zo. Het boek past niet goed binnen het oeuvre van Roth. Het versterkte bovendien de indruk dat Roth katholiek zou zijn geworden. Sommigen zagen daarin das Bekenntnis vom “Wunder” seiner Bekehrung. In Nederland dachten sommigen dat ook werkelijk, mede omdat Anton Van Duinkerken voor de Nederlandse vertaling een voorwoord had geschreven.

Alleen Menno ter Braak zag het beter en schreef een recensie die tot de kern doordrong. Ik citeer een belangrijk gedeelte uit zijn recensie:

Zoals bij meer Joodsche schrijvers (ik herinner onder anderen aan wijlen Jakob Wassermann (...), is bij Roth het centrale punt, waarom alles draait, het probleem der gerechtigheid. Men overdrijft niet, als men zegt, dat dit probleem een speciaal Joodsch probleem is en organisch samenhangt met het bestaan van het Joodsche volk in de diaspora; want welk volk is nauwer bij de gerechtigheid betrokken dan het volk, dat zich op het recht moet beroepen als eenige macht tegenover de machtsmiddelen van numeriek sterker volken, bij wie het vaak slechts officieus gastvrijheid geniet? De gerechtigheid is voor de zwakken het eenige argument, waarop zij kunnen steunen tegenover de brute overmacht. Gerechtigheid hangt weer onmiddellijk samen met het geloof, want hoe kan de gerechtigheid, die de zwakken rechtvaardigt, werkelijk gerechtigheid zijn, als zij niet op eeuwige waarden berust? Voor Joseph Roth is het probleem van de gerechtigheid tevens het probleem van de Antichrist.

In mijn column van 27 augustus vorig jaar staat een citaat van Joseph Roth die na het overlijden van Jakob Wassermann schreef: Dennoch sprach er von seiner Heimat mit der Liebe eines Deutschen und mit dem Gerechtskeitsgefühl eines Juden. Daarop zal Ter Braak het oog hebben gehad.

Bij De Gemeenschap verschenen: Die Geschichte von der 1002. Nacht en Die Kapuzinergruft. Wie de briefwisseling tussen Roth en die uitgeverij leest, valt het op hoe groot de financiële nood van Roth moet zijn geweest. Eén keer, in een brief van 26 oktober 1938, doet Roth een beroep op onze gemeinsame katholische Gesinnung maar dat is in een brief vol strijkages en nederige verzoeken van één van Ihrer ärmsten, durch die äusseren Umstände völlig geschlagenen Autor.

Anton van Duinkerken was door en door katholiek maar hij was ook een bon vivant, die, schrijft Bronsen, im Trinken nicht weit hinter Roth zurückstand. Belangrijker is dat Van Duinkerken net als Roth een afkeer had van het nationaalsocialisme. Hij schreef De ballade van den katholiek waarin hij de NSB een opgewonden kliek noemde en sprak van heilgeschreeuw, geleerd bij de barbaren. Joseph Roth heeft dat gedicht in het Duits vertaald.

Toen Roth was overleden, publiceerde het tijdschrift De Gemeenschap naast de van Roth gemaakte tekening van Mies Blomsma een In memoriam amici Joseph Roth van de hand van Anton van Duinkerken:

Stralend van trots zullen later mijn kind’ren hun kind’ren verhalen:
Vader heeft Joseph Roth nog gekend, en zij twee waren vrienden,
Kwamen bijeen en vervloekten in hun verschillende talen
De slechtheid van hun ontluisterden tijd, wiens geest zij niet dienden.


Anton van Duinkerken, getekend door Mies Blomsma

Ook van Anton van Duinkerken heeft Mies Blomsma een tekening gemaakt. Zij was getrouwd met de journalist Gerth Schreiner, die in 1933 Duitsland was ontvlucht. Op 18 mei 1940 benamen zij zich samen het leven.

3 + 3 = ?
Een kleine correctie voor een mooi stuk, Leo: de Schreiners pleegden niet op 18 maar op 16 mei zelfmoord.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.