Paul Hellmann, medeaanklager

Leo Frijda

vrijdag 18 december 2009

Paul Hellmann, oud-redacteur van NRC Handelsblad, is één van de medeaanklagers in het proces tegen Demjanjuk, dat volgende week wordt voortgezet. Met de beslissing om zich als medeaanklager aan te melden eindigt het boek met herinneringen dat hij heeft geschreven. Die persoonlijke herinneringen heeft Paul Hellmann tegelijk gevoelig en met humor en enige afstand beschreven. Dat is heel knap gedaan. Terecht staat in een recensie dat hij zijn leven met geamuseerde ernst beschrijft. Paul Hellmann kan bovendien beeldend schrijven. Je ziet voor je wat hij beschrijft, wat nog wordt versterkt door de foto´s die hij in zijn boek heeft opgenomen. Vooral de op een volledige bladzij afgedrukte foto’s zijn ontroerend, bijvoorbeeld die van zijn grootmoeder Irene Hellmann-Redlich, van Mevrouw en van zijn ouders in gelukkiger tijden, een foto waarnaar je slechts met schroom kan kijken.

Het leven van Paul Hellmann is in belangrijke mate bepaald door wat hem in zijn jeugdjaren is overkomen, maar de confrontatie met dat verleden gaat hij lang uit de weg totdat dat niet meer gaat en hij in 1992 de bijeenkomst Het ondergedoken kind bijwoont en in 2005 Auschwitz en Sobibor bezoekt. Als enig kind van Bernhard Hellmann en Clarissa Hauchmann is Paul Hellmann in 1935 in Rotterdam geboren. Bernhard Hellmann kwam uit Wenen en was afkomstig uit een welgesteld, geseculariseerd Joods gezin. De vader van Clarissa Hauchmann was een Russische Jood die met een Nederlandse vrouw was getrouwd. Kort voor de oorlog kwam ook Irene Hellmann-Redlich, de moeder van Bernhard Hellmann, naar Nederland. Bernhard Hellmann is in Sobibor omgebracht. Irene Hellmann-Redlich in Auschwitz. De moeder van Paul Hellmann, intussen van zijn vader gescheiden, kon de oorlog overleven. Net als een zuster van zijn vader, Ilse, die in Londen verbleef en in het boek een belangrijke rol speelt. Paul Hellmann zelf is als onderduikkind de oorlog doorgekomen bij Mevrouw, de dochter van het echtpaar Kröller-Müller. Niet op de gebruikelijke manier, noemt hij dat. Na de oorlog heeft hij lange tijd, samen met zijn moeder, bij Marten en Phiny Toonder gewoond. Ook dat geeft het boek extra accent.

Over het boek van Paul Hellmann valt dus veel meer te zeggen maar in het korte bestek van deze column twee verhaallijnen. Paul Hellmann verbindt zijn onderduiktijd met zijn daarna ontluikende liefde voor films. En hij laat zien hoe in de loop van de tijd de oorlog en de ondergang van een deel van zijn familie een steeds grotere rol gaan spelen.

Op verschillende plaatsen in het boek beschrijft Paul Hellmann zijn gevoelens tijdens de onderduik en bij bioscoopbezoek op bijna dezelfde manier. Al op één van de eerste bladzijden heeft hij een gevoel van geborgenheid als hij in de winter van 1942-’43 voor het eerst in een vreemd bed op een grote, halfdonkere zolder ligt. De mooie woorden het duister van mijn wijkplaats, die hij later in zijn boek gebruikt, zijn zowel van toepassing op de onderduik als op de intimiteit van de filmzaal. Minder dan twee uur waren we binnen geweest, maar in die tijd had ik heviger geleefd dan ooit. En dat zonder risico’s te lopen. Zo beschrijft Paul Hellmann de beleving van filmbezoek kort na de oorlog. Op een andere plaats noemt hij de bioscoop de plek die twee uur lang respijt verleende van het leven.

Wat opvalt, zijn de details die Paul Hellmann zich weet te herinneren over zijn jongensjaren en over de vele films die hij heeft gezien. Hij moet een uitstekend geheugen hebben. Ook al hield hij vaak een dagboek bij en noteerde hij in een schriftje welke film hij waar en wanneer had gezien. Het zal dus mede daardoor zijn dat hij tot mijn verrassing nog weet dat hij in de begin jaren zestig ook een keer samen met mij een film heeft gezien. Wij zaten toen allebei in de redactie van een studentenblad en moeten samen naar Nuit et Brouillard, een zes jaar oude film van Alain Resnais over de Duitse vernietigingskampen, zijn gegaan. In die tijd hebben wij nooit gesproken over onze achtergrond, die, met alle verschillen, een aantal opvallende overeenkomsten had. Maar zo ging dat. Na het zien van de film van Alain Resnais, schrijft Paul Hellmann, bekeek ik ’s avonds op mijn kamer nog eens de paar foto’s die ik van mijn vader had. En daarmee kom ik op het tweede thema.

Achteraf kan ik het me nauwelijks meer voorstellen, schrijft Paul Hellmann, maar ik geloof dat de ondergang van mijn vader en zijn moeder pas in volle omvang tot me doordrong in de late jaren zeventig. Paul Hellmann laat in zijn boek zien hoe zoiets werkt. Hoe eerst de ondergang van een gedeelte van zijn familie weliswaar op de achtergrond er steeds is maar daar ook wordt gelaten. Hoe daarna, zoals in de late jaren zeventig bij een bezoek aan Westerbork, de oorlogsjaren onvermijdelijk toch meer betekenis krijgen. In 1985 vraagt hij een Yad Vashem onderscheiding aan voor Mevrouw, bij wie hij ondergedoken was. Sindsdien leek het of ‘de oorlog’ in mijn leven een grotere rol speelde. En in 1992 gaat Paul Hellmann naar het congres Het ondergedoken kind.

Een groot deel van de tijd voelde ik me misplaatst: iemand die niet op de gebruikelijke manier ondergedoken was geweest, geen joodse opvoeding had gehad, en sterker nog, vanwege een Nederlandse grootmoeder aan moeders kant misschien niet eens als joods gold. Terwijl anderen uitweidden over hun ervaringen, deed ik er dan ook meestal het zwijgen toe.

Dat woordje misschien raakt me in het hart. Ook om wat erop volgt. De enige keer dat ik uit mijn rol viel, was op de laatste dag in een kamertje van een medewerkster bij wie informatie was te krijgen over doden en vermisten. Het simpelweg noemen van Bernhards naam leidde in die kale ruimte onverwacht tot een golf van emotie die zowel mijzelf als haar overrompelde. Toch, schrijft Paul Hellmann, viel hij toen weer terug in zijn rol van buitenstaander. Die positie van buitenstaander leek drie jaar nadien nog eens te worden bevestigd door het aan de Jodenvervolging gewijde boek In Memoriam, waarin achter mijn naam ‘vermist’ stond.

Het is in 1995 kort na zijn pensionering dat Paul Hellmann een bij een antiquair al omstreeks 1980 opgedoken hutkoffer met brieven, documenten, albums en losse foto’s van zijn vaders familie opent. Het doorbreekt het zwijgen. Het leidt in 2005 tot het bezoek aan Auschwitz en Sobibor en daarna tot de beslissing als medeaanklager op te treden in het proces tegen Demjanjuk en zo zijn positie als buitenstaander op te geven. Zijn boek geeft één van de medeaanklagers een gezicht en is tevens een monument voor zijn vader die in Sobibor is vermoord.

Paul Hellmann. Mijn grote verwachtingen, Herinneringen, uitgeverij Augustus, 2009.

3 + 3 = ?

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.