Op het spoor van Patrick Modiano

Leo Frijda

vrijdag 23 januari 2015

Maar weer eens naar Parijs gaan, dacht ik de laatste tijd regelmatig. Dat kwam echter niet door de bloedbaden die daar hadden plaatsgevonden en de hartverwarmende weerzin die veel Fransen toonden en dus hield ik een column met mijn voornemen spoedig weer eens naar Parijs te gaan vorige week maar achterwege.

De aanleiding tot mijn verlangen naar Parijs was het lezen van de boeken van Patrick Modiano. Modiano kreeg in 2014 de Nobelprijs voor de Literatuur en de vertalingen van zijn boeken zijn daarom vorig jaar herdrukt, sommige voor de prijs van slechts 10 euro. Ik kocht een stapeltje om tijdens de laatste dagen van 2014 te lezen en ik had dezelfde ervaring, al zou ik het anders formuleren, als Arjen Fortuin die in NRC schreef: ‘ik bracht Kerst door met een stapeltje heruitgaven en voelde me als een kind op vrijdagmiddag met een grote zak drop.’ Zo las ik onder andere In het café van de verloren jeugd en Het gras van de nacht, uitgegeven door Querido en vertaald door Maarten Elzinga. Ik was Modiano op het spoor en was meteen gegrepen door zijn romans waarin steeds opnieuw wordt geprobeerd greep te krijgen op de brokstukken van de herinnering.


Patrick Modiano

Modiano schrijft heel precies over de straten en gebouwen van Parijs. Parijs is zijn houvast. ‘Ik ben gelukkig als ik alleen door de straten van Parijs loop’, schrijft hij in één van zijn boeken. De roman In het café van de verloren jeugd speelt in de rue de Condé, tussen Odéon en Le Jardin du Luxembourg. Het gras van de nacht in Montparnasse waar ik met mijn geliefde verblijf als we naar Parijs gaan. We spoeden ons dan altijd meteen naar Le Select, een café dat Modiano in zijn boek zijdelings noemt.

Bij Modiano gaat het natuurlijk om meer dan aangenaam verpozen en Manet van Montfrans heeft dat in haar vorig jaar verschenen boek Steltlopen door de tijd, Over geheugen en geschiedenis in de moderne Franse literatuur, mooi omschreven:

De Parijse topografie vormt het stramien van het universum van Modiano. In de verhalen die hij op dat stramien schrijft, functioneren bepaalde plaatsen als uitgangspunt voor interpretatie. Modiano’s personages lijken op goed geluk door Parijs te dolen (…), maar als men hun zwerftochten reconstrueert op een plattegrond van de stad, dan blijken deze heel precies geprogrammeerd te zijn, als een rondleiding langs publieke en persoonlijke plaatsen van herinnering.

In het begin van haar opstel over Modiano verwijst Van Montfrans naar de Quarto-reeks van Gallimard waarin in één band tien boeken van Modiano zijn verschenen. Vooral nieuwsgierig naar de foto’s die in de uitgave van Gallimard zijn opgenomen, raadpleegde ik deze verzamelband, hoewel mijn schoolfrans onvoldoende is om Modiano in die taal te kunnen lezen. De foto’s laat ik in deze column uiteindelijk maar achterwege. Ik citeer liever Modiano zelf die in zijn inleiding bij de verzamelband opmerkt (in de vertaling van Van Montfrans):

Deze ‘romans’, die voor het eerst in één band verschijnen, vormen één werk en ze zijn de ruggengraat van de andere teksten die hierin niet zijn opgenomen. Ik dacht dat ik ze los van elkaar geschreven had, als ik met de ene bezig was, was ik de vorige vergeten, maar vaak keren dezelfde gezichten, dezelfde namen, dezelfde plaatsen, dezelfde zinnen van boek tot boek terug, als patronen in een tapijt dat je in een halfslaap geweven zou hebben.

Wat ik de lezer van deze column te bieden heb, is niet meer dan een samenvattend verslag over wat ik van Modiano de afgelopen weken op het spoor kwam. Gefascineerd door Modiano wilde ik vooral Dora Bruder en Pedrigree graag lezen. Beide boeken heeft Modiano voor de verzamelband van Gallimard geselecteerd. Dora Bruder is in de vertaling van Maarten Elzinga uitgegeven door Meulenhoff. Pedrigree is vertaald door Bernlef en in 2005 onder de titel Een stamboek door Querido uitgegeven. In het in 2012 postuum verschenen boek van Bernlef, Onbewaakt ogenblik, vond ik twee ‘notities over Patrick Modiano’.

Tot mijn verdriet bleek Een stamboek in 2014 niet herdrukt en ook antiquarisch kon ik geen enkel exemplaar vinden. Wel bleek mij dat kort na het verschijnen van Een stamboek Martin de Haan de vertaling van Bernlef in de Volkskrant had afgekraakt. In zijn artikel staat het advies van De Haan om aan Maarten Elzinga de opdracht te geven dit boek van Modiano opnieuw te vertalen. Misschien is dat de reden dat Querido of Meulenhoff een vertaling van Pedigree in het jaar van de Nobelprijs nog niet heeft uitgebracht.

Eenmaal op het spoor van Modiano kon ik echter niet wachten en heb ik Pedigree noodgedwongen maar in het Duits gelezen. De autobiografisch gekleurde roman uit 2005 bleek een centraal boek binnen het oeuvre van Modiano. Het is, in de woorden van Van Montfrans, ‘het kale, afstandelijke verslag van een stuurloze jeugd’. Net als in de andere romans die ik las, is Pedigree geschreven als een zoektocht aan de hand van de herinnering aan plaatsen en gebeurtenissen, een zoektocht ‘in het drijfzand van het verleden’.

Ik ben geboren, zo begint Modiano Pedigree, op 30 juli 1945, in Boulogne-Billancourt, Allée Marguerite 11, als kind van een Jood met een Zuid-Europese achtergrond en een actrice uit Vlaanderen die elkaar hebben leren kennen toen Parijs was bezet. ‘Ik schrijf Jood, zonder te weten wat dit woord voor mijn vader betekende en omdat het indertijd in zijn persoonsbewijs vermeld stond.’

De vader, Albert Modiano, komt in Pedigree bepaald niet gunstig naar voren. Hij houdt zich met illegale praktijken bezig en verlaat de moeder van Modiano voor een andere vrouw zonder zijn vroegere gezin financieel te ondersteunen. De moeder, Louisa Colpijn, komt er niet beter vanaf. ‘Ik herinner mij,’ staat in de roman, ‘van haar geen liefdevolle of tedere gebaren’. De schrijver van Pedigree is als ‘een hond zonder stamboom die teveel aan zichzelf was overgelaten’. Inderdaad ‘een stuurloze jeugd’ en dat is misschien zelfs een eufemisme.

Over de vader en diens jodendom twee aanhalingen. ‘Vader heeft mij nooit verteld’, schrijft Modiano, ‘hoe hij als Jood de jaren van bezetting in Parijs heeft ervaren. Had hij angst en het gevoel dat op hem werd gejaagd omdat men hem onder te jagen wild had ingedeeld, terwijl hij zelf niet eens wist wie hij eigenlijk was?’ Ook toen ze samen in een bioscoop een documentaire over de processen van Neurenberg zagen, Modiano was dertien en zag toen voor het eerst de beelden van de concentratiekampen, liet zijn vader niet merken wat in hem omging. ‘Daarover spraken zij nooit met elkaar, zelfs niet bij het verlaten van de bioscoop’.

In Pedigree staat een scène die ook elders in de boeken van Modiano voorkomt en die zich afspeelt in een groene politiewagen waarin hij samen met zijn vader naar een politiebureau wordt gebracht. Hier past, merk ik, een aantekening. Ik schrijf steeds Modiano hoewel ik natuurlijk weet dat de ik-figuur van een roman niet zonder meer met de schrijver kan worden vereenzelvigd. Dat ligt gecompliceerder. De moeder van Modiano, blijf ik toch maar schrijven, had hem naar zijn vader gestuurd om een financiële bijdrage te vragen. Dat pakte faliekant verkeerd uit. Modiano werd wegens lastigvallen en onheus gedrag bij de politie aangegeven en zat toen voor het eerst van z’n leven samen met zijn vader in een groene politiewagen. Hij bedenkt dan dat zijn vader februari 1942 en winter 1943 ook in zo’n wagen moet hebben gezeten toen hij tijdens razzia’s was gesnapt. Tijdens de rit in de politiewagen zegt zijn vader echter geen woord.

Pedigree eindigt op het moment dat de eerste roman van Modiano af is. En als een uitgever die roman wil publiceren, kunnen de laatste zinnen van Pedigree worden geschreven. ‘Voor het eerst is de dreiging die hem dwong steeds op z’n hoede te zijn, opgelost in de lucht van Parijs’. In de boeken van Modiano zal Parijs steeds opnieuw de plaats blijven waar hij aan de hand van straten en gebouwen heden en verleden met elkaar probeert te verbinden.

Zo kwam de politiewagen waarmee zijn vader na een razzia naar het ‘hoofdkwartier van de jodenpolitie’ werd gebracht, ook al voor in Dora Bruder, de roman van Modiano uit 1998. Mogelijk, denkt Modiano, zat in dezelfde politiewagen de toen zestienjarige Dora Bruder. De roman verhaalt de speurtocht van Modiano naar het Joodse meisje Dora Bruder. Zij kan echter, zo blijkt hem later, onmogelijk tegelijk met de vader van Modiano zijn opgepakt. Opgepakt is Dora echter wel, op 19 juni 1942, waarna zij op 13 augustus is doorgestuurd naar Drancy. Haar vader, Ernest Bruder, was toen al enkele maanden in Drancy geïnterneerd. Vandaar zijn Ernest en Dora Bruder op 18 september naar Auschwitz gedeporteerd. Dit alles is Modiano in een lange zoektocht, die hij in zijn roman beschrijft, te weten gekomen.

De drie laatste alinea’s van Dora Bruder wil ik hier graag aanhalen:

Op zaterdag 19 september, de dag nadat Dora en haar vader vertrokken, stelden de bezettingsautoriteiten een avondklok in, als wraak voor een aanslag in bioscoop Rex. Vanaf drie uur ’s middags tot de volgende ochtend mocht niemand zijn huis verlaten. De stad lag er uitgestorven bij, als om Dora’s afwezigheid te benadrukken.

Sindsdien is het Parijs waarin ik haar sporen heb geprobeerd terug te vinden, even uitgestorven en stil gebleven als op die dag. Ik loop door lege straten. Voor mij blijven ze leeg, zelfs ’s avonds, tijdens het spitsuur, als de mensen zich in drommen naar de ingang van de metro haasten. Ik moet steeds weer aan haar denken, en in bepaalde wijken voel ik onwillekeurig een echo van haar aanwezigheid. Pas geleden nog gebeurde me dat ’s avonds, in de buurt van het Gare du Nord.

Ik zal nooit weten hoe ze haar dagen doorbracht, waar ze zich verborgen hield en in wiens gezelschap ze zich die winter bevond, toen ze de eerste keer was weggelopen en gedurende de paar weken in het voorjaar toen ze opnieuw was ontsnapt. Dat is haar geheim. Een armzalig en kostbaar geheim dat de beulen, de verordeningen, de zogenaamde bezettingsautoriteiten, het huis van bewaring, de kazernes, de kampen, de Geschiedenis, de tijd – alles wat ons bezoedelt en vernietigt – haar nooit meer kunnen ontfutselen.

Reist men dezer dagen naar Parijs, dan zal men in de rue Nicolas Appert, in het 11e arrondissement, en bij de Porte de Vincennes, tussen het 12e en 20e arrondissement, de echo nog voelen van hen die daar in een redactielokaal en in een Joodse supermarkt zijn omgebracht.

Vergeet dan niet om over enige tijd ook naar het 18e arrondissement te gaan. Nog maar enkele dagen geleden, op 19 januari, heeft de burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, aangekondigd dat in dat arrondissement, waar eens het Joodse meisje Dora Bruder heeft gewoond, een straat naar haar zal worden genoemd.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009