Met Joseph Roth naar Berlijn

Leo Frijda

vrijdag 15 juli 2011

Voor wie naar Berlijn reist en van literatuur houdt, zijn er twee aardige boekjes om in de trein te lezen. Joseph Roth in Berlijn, Een leesboek voor wandelaars, van Michael Bienert. Oorspronkelijk een al wat ouder boek maar de Nederlandse vertaling, verschenen bij Atlas, dateert uit 2009. Ook de moeite waard is Kafka in Berlin, geschreven door Hans-Gerd Koch en in 2008 uitgegeven bij Verlag Klaus Wagenbach. Deze keer vooral Joseph Roth. Daarna meer over Franz Kafka en Berlijn.

De geschiedenis is in Berlijn vooral zichtbaar door wat er niet meer is. Veel is afgebroken of verwoest. Ook het Berlijn van Roth en Kafka is bijna niet meer terug te vinden. Aan de Kurfürstendamm bevindt zich nog wel het Hotel am Zoo, Roths stamkroeg vanaf halverwege de jaren twintig. Aan dezelfde staat ligt ook het hotel Askanischer Hof maar het hotel met die naam, waar Kafka indertijd verbleef, lag aan de Königgrätzer Strasse, nu Stresemannstrasse. Het hotel aan de Kurfürstendamm is wel een voortzetting van het vroegere hotel maar, schrijft Koch, de originele meubelen zijn vervangen, in Kafka’s bed kan men ook aan de Kurfürstendamm niet slapen. Vielleicht aber beim Licht einer Lampe lesen oder schreiben, die ihm (Kafka) bei einem seiner Besuche gedient hat. Wat te weinig en te onzeker om daar te gaan logeren.

Vanuit Hotel am Zoo kon Joseph Roth schuin aan de overkant de Mampe-Stube zien, Roth’s stamlokaal na sluiting van het Café des Westens. Daar hangt een gedenkplaquette:


Wikipedia (foto Doris Antony)

De Mampe-Stube, waar Roth de Radetzkymarsch schreef, is er niet meer. Net zo min als de andere beroemde literaire cafés, zoals het Café des Westens (Café Grössenwahn) of het Romanisches Café. Ook het Café Josty waar Kafka Else Lasker-Schüler ontmoette, zie hierover mijn column van 30 oktober 2009, is verdwenen. Het lag aan de Potsdamer Platz. Dat plein is na de Wende de menselijke maat ontstegen met z’n enorme gebouwen, waarvan het Sony-Center, letterlijk, de kroon spant. In het Sony-Center is wel een nieuw Café Josty maar, ach, het haalt niet bij het verleden. Of ben ik te romantisch en niet meer van deze tijd? Oordeel zelf:


Café Josty in 1880,
schilderij van Paul Hoeniger

Café Josty in het Sony-Center

In Joseph Roth in Berlijn zijn diens journalistieke stukken verzameld. Het valt op hoe helder en toegankelijk Roth schreef en hoe actueel zijn waarnemingen soms nog zijn. In een stukje uit 1922, Wolkenkrabbers, zie je de huidige Potsdamer Platz al voor je met de bioscopen en proeflokalen die, constateert Roth, in de wolkenkrabbers van Berlijn hun plaats vinden. Want de menselijke natuur verloochent haar zwakheden zelfs niet waar ze schijnbaar op het punt staat die te overwinnen.

Het megawarenhuis is ook zo’n stukje dat nog niets aan glans heeft ingeboet. Roth omschrijft de roltrap: die brengt de mens omhoog doordat hij, en niet de mens, klimt. En, vraagt Roth zich af, misschien had men het megawarenhuis nog veel hoger gebouwd, als men niet van oordeel was geweest dat het een dakterras nodig had, waar de kopers kunnen eten, drinken, van het uitzicht genieten en naar muziek luisteren zonder het koud te hebben. In het voetspoor van Roth gingen wij dus het beroemde KaDeWe in en met de roltrap naar boven want dat dakterras is er nog steeds. Maar anders dan Roth hebben we het dakterras niet gehaald want op de op één na hoogste verdieping bevindt zich tegenwoordig de afdeling gourmet waar je niet alleen allerlei heerlijks kunt kopen maar ook kunt lunchen, aan verschillende modern vorm gegeven Feinschmeckerbars, met drank en hapjes. Roth zou het waarschijnlijk maar niks hebben gevonden. Hij vergelijkt de nieuwe lunchrooms die hij in Berlijn zag met witte hygiënische operatiezalen en verwart de lange glazen staafjes aan de muren met thermometers. Het zijn echter lampen of, zoals men tegenwoordig correcter zegt: ‘lichtelementen’. Roth dacht in 1929 al met weemoed aan de zachte en kalmerende roodfluwelen wansmaak in de vertrekken waarin de mensen twintig jaar geleden nog argeloos hun leven sleten. Niettemin bleken de lunchbars in het KaDeWe zo’n plek waar de middag verglijdt en het voorgenomen bezoek aan museum of bezienswaardigheid het moet afleggen tegen prettig gezelschap en een goed glas wijn.

Roth bezocht precies twee jaar na de moord op Walter Rathenau diens woonhuis aan de Koenigsallee 65. Wij sloegen het dus over, al weet ik eigenlijk niet of het nog te bezichtigen valt. Roth tekent in kort bestek een mooi portret van Rathenau en zijn woonhuis waar een instinctief trefzekere hand liefdevol heeft geordend. Maar wat mij bij lezing van zijn verslag vooral trof was dat Roth, op één tafel vreedzaam en zinvol naast elkaar vond: de oude, wijze Schoelchan Aroech, de religieuze bon ton van de Joodse diaspora-orthodoxie, en het oude Weissenfelsisches Gesangbuch. Het hele huis en het hele wezen van deze man werden beheerst door die verzoenende geest.

De geschiedenis is in Berlijn vooral zichtbaar door wat er niet meer is. Al logeerden wij in de wijk Prenzlauerberg, een gedeelte van Berlijn dat juist niet is afgebroken of verwoest. In de tijd van de DDR was de Prenzlauerberg een verwaarloosd gedeelte van de stad, maar nu is het een gerestaureerde woonwijk met gezellige cafés en eethuizen. Roth heeft in 1920 in die wijk een daklozenasiel bezocht en merkt op dat de Prenzlauer Allee haar verleidelijke naam dankt aan de paar teringachtige bomen die aan het armoedige plaveisel van de voorstad zijn ontsproten. Dat is gelukkig verleden tijd want nu is de wijk vooral ook zo aangenaam door haar vele tot wasdom gekomen bomen.

Meermalen gingen we met de metro via de Rosa-Luxemburg-Platz naar een ander gedeelte van de stad. Roth, las ik, kwam vaak op dat plein, toen nog de Bülowplatz geheten. De nazi’s herdoopten de Bülowplatz in Horst-Wessel-Platz. Na de oorlog werd het eerst de Liebknecht-Platz en nu dus de Rosa-Luxemburg-Platz. Het plein ligt aan de rand van het Scheunenviertel, de wijk waar indertijd de Joden uit Oost-Europa hun toevlucht zochten. Ook de straten van die wijk zijn soms van naam veranderd. Zo heet de Grenadierstrasse nu Almstadtstrasse. Het verslag van een bezoek aan de Grenadierstrasse noemt Roth Overdenking bij de Klaagmuur. De Grenadierstrasse, tekent Roth op, bestaat uit louter klaagmuren. De straffende hand drukt zichtbaar op de gebogen rug van het volk (...) In totaal zijn er na de oorlog, bedoeld is de Eerste Wereldoorlog, vijftigduizend mensen uit het oosten naar Duitsland gekomen. Het lijkt evenwel of het er miljoenen zijn. Want de misère is dubbel, drie-, tienvoudig zichtbaar.


Grenadierstrasse
Wikipedia/Deutsches Bundesarchiv (foto P. Buch)

Ook in Juden auf Wanderschaft beschrijft Roth het Berlijnse Scheunenviertel met al z’n armoede maar ook met z’n hoop. Hierher kommen die Emigranten, die über Hamburg und Amsterdam nach Amerika wollen. Hier bleiben sie oft stecken. Sie haben nicht genug Geld. Oder ihre Papiere sind nicht in Ordnung. Maar laat ik de ontroerende passage citeren die daarop volgt:

Manchmal komt nach Berlin der ‘Tempel Salomonis’. Diesen Tempel hat ein Herr Frohmann aus Drohobycz getreu nach den genauen Angaben der Bibel hergestellt (...).
Und Frohmann fährt von einem Getto zum andern, von Juden zu Juden und zeigt ihnen sein Kunstwerk, Frohmann, der Hüter der Tradition und des einzigen grossen architektonischen Werkes, das die Juden jemals geschaffen haben und das sie infolgedessen niemals vergessen werden. Ich glaube, dass Frohmann der Ausdruck dieser Sehnsucht ist, der Sehnsucht eines ganzen Volkes. Ich habe einen alten Juden vor dem Miniaturtempel stehen gesehen. Er glich seinen Brüdern, die an der einzig übriggebliebenen, heiligen Mauer des zerstörten Tempels in Jerusalem stehen, weinen und beten.

Het laatste stuk dat in Joseph Roth in Berlijn is opgenomen, schreef Roth in 1933 voor de Cahiers Juifs. Het heet Het autodafe van de geest en gaat over de boekverbranding. Daarin komt een interessante passage voor over de Joden en de grote stad:

De onbetwistbare verdienste van de Joodse schrijvers voor de Duitse literatuur is dat ze het urbanisme hebben ontdekt en literair verwerkt. De Joden hebben het stedelijke landschap en het psychische landschap van de stadsbewoner ontdekt en beschreven. Ze hebben de diepe gelaagdheid van de stedelijke civilisatie ontsluierd. Ze hebben het koffiehuis en de fabriek ontdekt, de bar en het hotel, de bank en de lagere burgerij van de hoofdstad, de trefpunten van de rijken en de achterbuurten, de zonde en de ondeugd, de stad bij dag en de stad bij nacht, het karakter van de grotestadsbewoner. Deze oriëntatie was de Joodse talenten gegeven dankzij het stadsmilieu waar de meesten van hen vandaan kwamen, waarheen hun ouders om maatschappelijke redenen waren verdreven, ook dankzij hun beter ontwikkelde sensibiliteit en de kosmopolitische begaafdheid die de Joden eigen is.

In de boeken van een aantal Joodse schrijvers, Roth noemt enkelen van hen in Het Autodafe van de geest bij name, o.a. Alfred Döblin en Georg Hermann, is het vroegere Berlijn terug te vinden. Het geldt ook voor de gebundelde journalistieke stukken over Berlijn van Roth zelf. Op de Bebelplatz zagen we het monument, Bibliothek, van de Israëlische beeldhouwer Micha Ullmann: lege boekenplanken. Een aansprekend monument. Zeker. Maar ik vroeg mij toch af of die lege boekenplanken wel zo passend zijn. De verbrande boeken zijn immers niet definitief verloren gegaan en kunnen nog steeds gelezen worden. Eigenlijk vormen zij het monument.

3 + 3 = ?
Geachte heer Frijda, Als altijd heb ik uw column weer met genoegen en grote belangstelling gelezen. Wellicht ten overvloede attendeer ik u op het boekje van Mark Schaevers "Oostende, de zomer van 1936"(uitg. Atlas). Voorts lees ik op het moment "Bloemen in de sneeuw" van Gregor von Rezzori (uitg. Atlas), dat zich grotendeels in Czernowitz/de Boekovina afspeelt. En verder maak ik u opmerkzaam op het eerste hoofdstuk van "Gevecht om te overleven" van Dan Kampelmacher (uitg. Verbum). De datum van uw lezing staat inmiddels in mijn agenda. Ik hoop te kunnen komen. Met vriendelijke groet en dank voor uw verrijkende bijdragen aan de nieuwsbrieven van Crescas. Carole Maykels, docente Duits

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.