2015

Leo Frijda

vrijdag 25 december 2015

In deze laatste column van 2015 kan ik gelukkig opgetogen zijn over de vele biografieën die dit jaar in Nederland zijn verschenen en over de vele bijzondere romans die dit jaar uit het Hebreeuws in het Nederlands zijn vertaald.

De oogst aan biografieën is opvallend. Niet alleen verscheen de biografie van Andreas Burnier waarover ik al eerder schreef. Ook andere biografieën zijn de moeite waard. Begin van dit jaar verscheen al Onrust. Het leven van Jacob Israël de Haan, van de hand van Jan Fontijn. Daarna kwam het boek van Willem van Toorn Emanuel Querido, 1871-1943, Een leven met boeken. En sinds vorige maand is er ook Geert van Oorschot, uitgever, geschreven door Arjen Fortuin. De laatste twee biografieën vullen elkaar aan omdat Van Oorschot ook bij Querido heeft gewerkt. Toen Querido als Jood de uitgeverij niet langer kon leiden, al enkele maanden na de Duitse inval had hij zich uit de directie teruggetrokken en zijn aandelen aan een vertrouwenspersoon overgedragen, paste Van Oorschot zo goed en zo kwaad als het ging op de winkel alvorens na de oorlog een eigen uitgeverij te beginnen.

Emanuel Querido was niet alleen de naamgever van een door hem opgebouwde Nederlandse uitgeverij, maar ook van Querido Verlag, in 1933 door hem en Fritz Landshoff opgericht. Schrijvers van wie in Duitsland geen boeken meer konden verschijnen, hadden zo een mogelijkheid deze toch te publiceren. Van Toorn stelt in zijn biografie de vraag ‘wat Emanuel wezenlijk bewoog’ en laat in dit verband enige ruimte voor ‘twijfel’. Dat lijkt vooral te gaan over de bijkomende zakelijke aspecten want mogelijke twijfel kan moeilijk slaan op de antifascistische houding van Querido. Die staat buiten kijf. De uitlatingen van Fritz Landshoff en Klaus Mann die in die periode Querido van nabij hebben meegemaakt, laten aan duidelijkheid niets te wensen over. In hun herinneringen had Querido ‘zich in het avontuur van de oprichting van deze uitgeverij begeven uit oprechte overtuiging’ (Landshoff) en ‘de oude sociaaldemocraat haatte het fascisme in elke vorm, maar vooral in de Duitse; daarom was de zorg voor de antifascistische Duitse literatuur een zaak die hem zeer ter harte ging’ (Mann).

Aan het einde van de biografie staat een persoonlijk nawoord van Van Toorn waaruit ik hier graag citeer:

Ik realiseerde mij ook dat ik veel van de auteurs die Querido Verlag uitgaf rond mijn zeventiende had ontdekt in de boekenkast van mevrouw Flatow, de moeder van een vriend, die met haar zoon en haar boekenbezit uit Duitsland was vertrokken naar het nog veilige Amsterdam en daar de bezetting had overleefd. Zij was verbaasd dat ik zulke belangrijke schrijvers als Robert Musil, Arthur Schnitzler, Stefan Zweig, Robert Walser, Joseph Roth en Anna Seghers niet kende en gaf ze mij niet zonder gestrengheid mee om mijn achterstand weg te werken.

Voor beide uitgevers geldt dat zij steeds veel zorg hebben besteed aan de vormgeving van de door hen uitgegeven boeken. Querido, schrijft Van Toorn, is ‘de uitgever geworden wiens opvattingen duidelijk spreken in de zeer bewuste vormgeving van zijn boeken’. Het geldt zeker ook voor Querido Verlag waarvoor Henri Friedländer en Paul Urban werden aangetrokken. In mijn column over Kurt Löb heb ik onder meer aandacht besteed aan diens proefschrift Exil-Gestalten en Friedländer en Urban die daarin een centrale plaats innemen.

De door Arjen Fortuin geschreven biografie van Van Oorschot lees je ademloos uit. Dat komt natuurlijk mede door de flamboyante persoonlijkheid van Van Oorschot, ‘omschreven als een man in wiens hoofd er altijd een storm van windkracht acht woei, gecombineerd met een aardbeving van zeven op de schaal van Richter’.

Als uitgever wist Van Oorschot ‘zakelijkheid en artisticiteit’ te combineren. Fortuin:

Een groot deel van het succes van uitgeverij Van Oorschot is terug te voeren op het vermogen van de oprichter om zijn creatieve talenten in dienst te stellen van zijn zakelijke onderneming. Bijna al zijn grote successen dankte Van Oorschot aan zijn vermogen om projecten in zijn gedachten steeds groter te laten groeien en vervolgens naar dat grootse idee te handelen. Het geldt voor de beslissende ingeving om Helmut Salden zijn hele fonds te laten vormgeven, voor het omarmen van grote projecten als de Volledige werken van Multatuli (…) en zeker voor het grootste project van allemaal: de Russische bibliotheek (…).

Van Oorschot valt eigenlijk buiten het kader waarin mijn columns zich veelal bewegen. Maar ik wil de over hem door Fortuin geschreven biografie toch graag in dit overzicht meenemen. Niet alleen omdat het een schitterende biografie is die een belangrijk deel van onze literatuurgeschiedenis bestrijkt, maar vooral ook omdat de door Van Oorschot uitgegeven boeken, waaronder die van Multatuli, mij al zo lang hebben begeleid. De biografie was aanleiding om er een paar uit de kast te pakken. Achterin elk boek staat een colofon met de naam van Helmut Salden en met de toevoeging: gezet uit de Bembo. Zulke gebonden boeken op dun papier liggen ideaal in de hand en, merkte ik opnieuw, leg je niet zo gauw weer opzij.

Het laatste geldt ook voor een aantal opvallende romans van Israëlische schrijvers, in 2015 ook in het Nederlands uitgebracht. Drie daarvan wil ik hier noemen, een persoonlijke keuze op grond van de omstandigheid dat ik nu eenmaal slechts deze drie heb gelezen. Het nieuwe boek van David Grossman bijvoorbeeld, Komt een paard de kroeg binnen, valt alleen daarom erbuiten.

In de eerste plaats Wereldschaduw van Nir Baram, een overweldigende roman, buitengewoon knap en spannend geschreven. Baram was enige tijd in Nederland en hij werd op 3 oktober in De Balie geïnterviewd door Abdelkader Benali, ook over een reis die Baram maakte door Israël en de Palestijnse gebieden en waarover hij in Ha’aretz verslag heeft gedaan in acht reportages onder de titel Walking the Green Line. Ik ben blij dat ik voor Baram naar De Balie ben gegaan.

Bijzonder en zeker ook origineel is Eén nacht, Markovitsj, de eerste roman van Ayelet Gundar-Goshem waarin zij de levens van twee vrienden, Jacob Markovitsj en Zeëv Feinberg met elkaar verbindt tegen de achtergrond van het ontstaan van de staat Israël.

Toch ben ik vooral onder de indruk van Judas, de laatste roman van Amos Oz. Zijn boek staat dichter bij mij dan de twee eerder genoemde boeken. De vertaling is van de onvolprezen Hilde Pach. Toen Amos Oz in Nederland was, gaf hij een interview in Buitenhof.

Op een keerpunt in zijn leven reageert een jongeman, Sjmoeël Asj, op een advertentie waarin een inwonend student wordt gevraagd met als belangrijkste taak een oudere, invalide man, Gersjom Wald, gezelschap te houden en met hem te praten. In hetzelfde huis als Gersjom Wald woont Atalja Abarbanel. Atalja is de dochter van Sjealtiël Abarbanel die andere ideeën had dan Ben Goerion over het land en zij was getrouwd geweest met de zoon van Gersjom Wald die in de oorlog van 1948 de dood had gevonden.

De door Sjmoeël Asj met Gersjom Wald gevoerde gesprekken en het contact met Atalja Abarbanel brengen hem tot meer inzicht. Aan het eind van de roman, als Sjmoeël Asj het huis heeft verlaten, staat de mooie zin: ‘En hij bleef staan om zich af te vragen.’

De verdere inhoud van deze gelaagde roman kent u natuurlijk al want u heeft de roman die al enige tijd hoog op bestsellerslijsten staat, vast al gelezen. En als dat nog niet het geval is, moet u dat beslist alsnog gaan doen. In Judas staan vaak gesprekken en zinnen waardoor je het boek even opzij legt om wat je leest tot je te laten doordringen. Ook voor de lezer van Judas geldt: ‘En hij bleef staan om zich af te vragen.’

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009