Varia

Leo Frijda

vrijdag 14 december 2012

Soms is het verstandig de aandacht niet te zeer te versnipperen en je volledig op één taak te werpen. In zo’n periode ben ik nu terecht gekomen en daarom ben ik als columnist al enkele weken buiten beeld gebleven. De verschraling van mijn aandacht zal nog wel enige tijd aanhouden, maar ik heb bedacht dat ik de laatste weken van het jaar kan gebruiken om te attenderen op publicaties van en over schrijvers die dit jaar door mij zijn behandeld. Of juist niet zijn behandeld. Varia dus, om de band met mijn lezers te behouden.

Een aardige bijkomstigheid van het schrijven van deze columns is dat sommige onderwerpen de aandacht trekken en zelfs worden overgenomen. Zo is een uitgebreide en herziene bewerking van mijn twee columns over Hans Fallada verschenen in het tijdschrift De Parelduiker 2012/4. De Parelduiker is een tijdschrift over schrijvers en literatuur en doet op een toegankelijke, niet academische manier verslag van enerverende, vaak amusante speurtochten naar verborgen schatten van onze literatuurgeschiedenis. Het blad is een aanrader voor wie in schrijvers en literatuur is geïnteresseerd. In 2010 schreef ik een column over Byron en de Joden. Die column is overgenomen in de nieuwsbrief van het Nederlands Byron Genootschap van dit weekend.

Het komt daarnaast voor dat lezers mij opmerkzaam maken op publicaties. In mijn column van 26 oktober jl. schreef ik over Kafka en maakte ik melding van het in Israël gevoerde proces over de nalatenschap van Max Brod. De uitspraak is nu in haar geheel beschikbaar. Emile Schrijver stuurde mij een link naar een artikel van Andreas Kilcher en Alexander Alon op de site van het Zwitserse weekblad Tachles waarin deze uitspraak wordt geanalyseerd. Als men één Zwitserse frank doneert, komt het artikel tevoorschijn.

Kilcher en Alon komen tot de conclusie dat het oordeel van de Israëlische rechter, de ‘literaire’ nalatenschap van Max Brod moet worden overgebracht naar de Nationale Bibliotheek in Jeruzalem, niet op harde bewijzen berust maar veeleer op teils überraschenden Interprationen von Texten wie Gesetzen, Schenkungen, Testamenten und Briefen, oder genauer: auf Zweideutigkeiten und Nischen in diesen Texten. Het geheel aan argumentatie is daardoor inderdaad niet zonder meer overtuigend en afgewacht moet worden of een hogere rechter deze uitspraak intact laat.

Opvallend is ook wat Kilcher en Alon die kulturpolitische Begleitargumente noemen. Zo moet Haggai Ben-Shammai, de academische directeur van de Nationale Bibliotheek, hebben betoogd dat Kafka het voornemen had naar Palestina te emigreren, want, zo zei hij, de Nationale Bibliotheek bezit een schrift met Hebreeuwse woorden uit de tijd dat Kafka ter voorbereiding van zijn komst les kreeg van een jonge vrouw uit Israël. Kilcher en Alon: So wird Kafka, der einige Versuche unternommen hatte Hebräisch zu lernen und wenig ernsthaft mit den Gedanken der Einwanderung nach Palästina spielte, zum überzeugten Zionisten erklärt.

De uitlating van Ben-Shammai is inderdaad te kort door de bocht maar voor het commentaar van Kilcher en Alon geldt dat evenzeer. Er valt over Kafka en Palestina veel te zeggen en dat is in de loop van de tijd ook gebeurd, onder andere in het dit jaar verschenen boek van Saul Friedländer, Franz Kafka (München 2012), waarvan de Amerikaanse uitgave in 2013 verschijnt onder de titel Franz Kafka, Poet of Shame and Guilt. Een goed leesbare en evenwichtige bespreking van Kafka. Ook diens jodendom en zionisme komen bij Friedländer uitgebreid aan bod. Terecht schrijft Friedländer dat Kafka loyaal was tegenover Individuen, nicht gegenüber dieser oder jener Sache. Er war nicht durch irgendein politisches oder sociales Engagement gebünden, auch wenn er nie seine jüdische Identität verleugnete und sie nach Kräften intellektuell zu nähren versuchte.

Over de plannen van Kafka om naar Palestina te emigreren, merkt Friedländer op: Dass Kafka, wäre er in besserer gesundheitlicher Verfassung gewesen, Palästina besucht hätte, ist anzunehmen, denn diese Reise lag ihm sehr am Herzen. Dass er sich dort niedergelassen hätte, erscheint allerdings unwahrscheinlich.

Kurt Tucholsky (1890-1935), schrijver van onder andere Schloss Gripsholm, is in mijn columns nog niet aan de orde gekomen. Niettemin wil ik wijzen op een over hem verschenen nieuwe biografie van Rolf Hosfeld, Tucholsky, ein deutsches Leben, München 2012, waarin Hosfeld een beeld van Tucholsky schetst aan de hand van uitlatingen van tijdgenoten, onder wie Kafka. Tucholsky en Kafka hebben elkaar 30 september 1911 ontmoet. Tucholsky was naar Praag gekomen om Max Brod op te zoeken en hem om raad en steun te vragen. Brod bracht Tucholsky in contact met Kafka, die over hem in zijn dagboek schreef:

… een mens uit één stuk van eenentwintig jaar. Van het beheerste en krachtige zwaaien van de wandelstok, waardoor de schouder op een jeugdige manier bewogen wordt, tot aan het weloverwogen genoegen in en de minachting voor zijn eigen werk. Wil advocaat worden, ziet maar weinig bezwaren en tegelijkertijd de mogelijkheid ze te overwinnen: zijn hoge stem, die na de mannelijke klank van het eerste halve uur praten zogenaamd meisjesachtig wordt - twijfel aan zijn eigen capaciteit tot poseren, die hij evenwel door meer levenservaring hoopt te verkrijgen - ten slotte angst tot melancholie te vervallen, zoals hij dat bij oudere Berlijnse joden van zijn richting heeft opgemerkt, overigens merkt hij daar voorlopig nog niets van. Hij zal binnenkort gaan trouwen.

Tucholsky was teleurgesteld in Max Brod. Kafka daarentegen schatte hij hoog in. Tucholsky was één van de eersten die het grote belang van het werk van Kafka zag. Al in 1913 bespreekt hij Betrachtung in het Prager Tageblatt en looft hij das grosse Können Kafkas. In zijn recensie van 3 juni 1920 noemt hij In der Strafkolonie een Meisterleistung. Toen Der Prozess postuum was verschenen, schreef Tucholsky op 9 maart 1926 een uitvoerige en opmerkelijke recensie in Die Weltbühne over das unheimlichste und stärkste Buch der letzten Jahre. Slechts een enkele aanhaling want op textlog.de kan de tekst worden nagelezen.

Tucholsky loopt in zijn bespreking van Der Prozess tegen de vraag op wat Kafka met zijn boek wil zeggen, een vraag die tot op de dag van vandaag velen bezig houdt.

Wir alle, die wir ein Buch zu lesen beginnen, wissen doch nach zwanzig oder dreissig Seiten, wohin wir den Dichter zu tun haben; was das ist; wie es läuft; obst ernst gemeint ist oder nicht; wohin man im groben so ein Buch zu rangieren hat. Hier weisst du gar nichts. Du tappst im Dunkel. Was ist das? Wer spricht?

Tucholsky tast in het duister en schrijft dat hij zich daarom tot Max Brod heeft gewend om opheldering te vragen. Brod antwoordt dat het gaat om der ewige Prozess, den ein zart empfindender Mensch mit seinem Gewissen aufzufechten hat en vervolgt:

Mit Kafka selbst konnte man natürlich nie über Deutungen sprechen, auch bei der grössten Intimität nicht. Er selbst deutete so, dass die Deutungen neuer Deutungen bedürftig wären.

Zo komt Tucholsky natuurlijk niet veel verder en hij laat dan ook elke duiding weg. Es gibt gar keine Frage mehr, ob es das alles gibt - das gibt es. In 1926 heeft Tucholsky het al goed gezien, Kafka wird in den Jahren, die nun seinem Tode folgen, wachsen. Man braucht niemand zu ihm zu überreden; er zwingt. En hij eindigt: Wir dürfen lesen, staunen, danken.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009