Nacht in Mogilev-Podolski

Leo Frijda

vrijdag 4 mei 2012

Auschwitz is het symbool van de sjoa, schreef ik vorige week, maar daardoor kan uit het zicht raken dat in het midden en oosten van Europa veel Joden ook buiten de bekende concentratiekampen zijn omgekomen. Ongeveer 90.000 Joden zijn in 1941 uit de Boekovina naar Transnistrië en de werkkampen aan de andere kant van de Bug gedeporteerd. Lastig te achterhalen valt hoeveel van hen het leven hebben gelaten, vermoord of door honger, ziekte en uitputting omgekomen. Het zijn er, zo staat vast, in ieder geval tienduizenden geweest.

Edgar Hilsenrath en zijn familie zijn 14 oktober 1941 naar Mogilev-Podolski gedeporteerd waar ze na een dagenlange treinreis aankwamen. Op de kaart bij de vorige column is die kleine stad te vinden aan de oevers van de rivier de Dnjestr, Nistru in het Roemeens, vandaar Transnistrië. Er zijn foto’s in omloop, afkomstig van het Bundesarchiv, waarop te zien is hoe de Duitsers, die juni 1941 Rusland binnenvielen, de plaatselijke Joden dwangarbeid lieten verrichten.


Mogilev-Podolski juli 1941
Bron: Deutsches Bundesarchiv, foto: Rudolf Kessler, juli 1941

Van de Joden van Mogilev-Podolski waren velen al omgekomen toen de met de Duitsers verbonden Roemenen daar oktober 1941 een getto inrichtten. Samen met 50.000 andere gevangenen, niet alleen uit de Boekovina, hebben Hilsenrath en zijn familie tot de bevrijding door de Russen, eind maart 1944, in het getto van Mogilev-Podolski gewoond. Gewoond is niet zo’n goed woord. De huizen van Mogilev-Podolski waren na de Duitse invasie voor een belangrijk gedeelte verwoest. Hilsenrath en zijn familie hadden het geluk goede contacten te hebben en met anderen een schoolgebouw te kunnen betrekken. Zij overleefden het, 40.000 anderen niet.

Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten. Een korte beschrijving staat in Die Abenteuer des Ruben Jablonski:

Inzwischen waren Zehntausende von Deportierten nach Moghilev-Podolsk gekommen. Die meisten übernachteten in den Ruinenfeldern, viele blieben auf der Strasse. Es war Ende Oktober, und der russische Winter mit seiner grimmigen Kälte hatte schon eingesetzt. Im Dezember lagen schon Erfrorene auf der Strasse. Es wurde immer schlimmer. Die Leichenträger hatten Mühe, die Berge von Leichen wegzuschaffen. Ende Dezember brach eine Typhusepidemie aus. Wer nicht an Typhus starb, den raffte der Hunger und die Kälte weg. Das grosse Massensterben begann.

De formulering, Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten, een citaat uit de biografie van Helmut Braun, is juist maar tegelijk ook weer niet. In zijn boek Fuck America staat het volgende gesprek:

‘Sie schreiben ein Buch?’
‘Ich schreibe ein Buch.’
‘Über das Leben in diesem Ghetto?’
‘Über das Leben in diesem Ghetto.’
‘Über das grosse Sterben?’
‘Über das grosse Sterben.’
‘Über die Verzweiflung?’
‘Über die Verzweiflung.’
‘Schreiben Sie auch über die Hoffnung?’
‘Ich schreibe auch über die Hoffnung.’
‘Sonst nichts?’
‘Sons nichts ... ausser über die Einsamkeit, die jeder von uns mit sich herumträgt. Auch ich.’
‘Sie schreiben alles auf, was Sie verdrängt haben?’
‘Ich schreibe alles auf, was ich verdrängt habe.’
‘Müssen Sie schreiben?’
‘Ich muss schreiben.’
‘Ist das sehr wichtig?’
‘Es ist sehr wichtig.’
‘Sie wollen mir also nicht erzählen, was Sie während des Krieges in diesem Ghetto erlebt haben?’
‘Ich erzähle das nur meinem Buch.’
‘Nur Ihrem Buch?’
‘Nur meinem Buch.’

In bijna gelijke bewoordingen schrijft Hilsenrath later: wie das grosse Sterben aussieht und wie man in solch einem Ghetto überlebt, das habe ich in meinem Roman ‘Nacht’ beschrieben, ohne Beschönigung, so wie es wirklich war. Hilsenrath heeft lang aan zijn boek gewerkt, tot maart 1954, negen jaar. Het viel hem zwaar een boek te schrijven over het getto van Mogilev-Podolski, so wie es wirklich war. Manfred Hilsenrath bevestigt in zijn herinneringen dat het boek van zijn broer een waarheidsgetrouw beeld geeft van het gettobestaan. Al is het geen ooggetuigenverslag maar een roman. Uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski:

‘Ich will keinen Augenzeugenbericht schreiben’, sagte ich, ‘sondern einen Roman.’
‘Über das Ghetto kann man keinen Roman schreiben’, sagte sie.
‘Doch, das kann man’, sagte ich.

Hilsenrath heeft als schrijver geen compromissen willen sluiten. Daardoor heeft zijn roman over het getto van Mogilev-Podolski ook weerstand opgeroepen. Zijn beschrijving van het gettoleven is rauw. Moreel hoogstaande keuzes konden de bewoners van het getto zich niet altijd permitteren. De in het getto opgesloten Joden zijn niet allemaal lieverdjes. Bepaald niet. Het zijn wel allemaal slachtoffers. Dat de Joden in het getto moesten zien te overleven, is de Duitsers en de met hen optrekkende Roemenen toe te rekenen. Juist dezer dagen is het belangrijk aan de scheidslijn tussen daders en slachtoffers vast te houden.

In 2008 is bij Uitgeverij IJzer een Nederlandse vertaling van Nacht verschenen met een nawoord van Arnon Grunberg. De roman is geschreven vanuit de beleving van de gettobewoners. Grunberg merkt daarover op: ‘het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar waarschijnlijk Joden’ en dat begrijp ik niet. Al op de eerste bladzij van Nacht ‘frunnikte’ de hoofdpersoon, Ranek - hij is op zoek naar een slaapplaats - ‘een poosje nerveus aan zijn jas, daar waar de vuilgele jodenster zat; die was wat los gaan zitten en hij duwde hem weer vast.’ Om nog een voorbeeld te geven: als Ranek een keer aardappels te eten heeft, fluit hij tevreden voor zich uit. ‘Een oud Joods liedje, waar hij de woorden van was vergeten.’ Passages genoeg waaruit blijkt dat het Joden zijn die in het getto zijn opgesloten.

Geschreven vanuit de beleving van de in het getto opgesloten Joden, speelt de buitenwereld in Nacht nauwelijks een rol. Met de buitenwereld hebben de gettobewoners vrijwel geen contact. Vluchten is ook ‘absurd’, er is geen andere mogelijkheid dan wachten tot de oorlog voorbij is. Niet de buitenwereld maar die Tote bilden die permanente Kulisse des Ghetto-Geschehens, schrijft Klaus Werner. Overleven is het onderwerp van de roman. Voor overleven heb je een slaapplaats nodig en eten en dat is allebei schaars, zeer schaars. Het zoeken naar een slaapplaats en naar eten bepaalt het dagelijkse leven. Ranek heeft een plek gevonden in het nachtasiel. Wie de roman heeft gelezen, kan het nachtasiel niet meer vergeten. Zo is er een slaapplaats onder het fornuis en in een nis onderaan de trap waar degenen die aan vlektyfus lijden worden neergelegd om te sterven.

‘Waarom liggen er zoveel doden op straat?’
‘Dat zijn vooral vlektyfusgevallen.’
‘Maar ook verhongerden?’
‘Ja, die ook.’

Om de kleding van de doden wordt gevochten want die kan worden geruild, bijvoorbeeld in de bazaar aan het begin van de Puschkinskaja. ‘Hier werd gehandeld in oude kleren, voetlappen en schoenen, potten en braadpannen, in vergeelde trouwringen en in de gouden tanden van doden.’ ‘Op een of andere manier lukte het altijd’, denkt Ranek, ‘een oplossing te vinden om uit de zwarte, doodlopende straat van de hopeloosheid te geraken’.

Ranek gaat erg ver om te overleven. Hij steelt zelfs eten van een kind. ‘Ja’, zegt hij in de roman, ‘Ik heb van alles op mijn kerfstok. Maar ik heb nog niemand omgebracht.’ Ranek is een overlever totdat de vlektyfus ook hem inhaalt, net als eerder zijn broer Fred.

Tot slot wil ik eerst nog een gesprek aanhalen uit de roman Fuck America:

‘Hatten Sie Hoffnungen?’
‘Manchmal’, sage ich. ‘In der Nacht der Verzweiflung gab es manchmal noch Momente der Hoffnung.’
‘Hat Sie der Hoffnung am Leben erhalten?’
‘Die Hoffnung hat mir am Leben erhalten.’

Ook in de roman Nacht is er hoop. Op schaarse momenten, maar toch. Zo is er een jongen die een kind, zijn kleine zusje, beschermt en nooit in de steek laat. Die jongen ziet Ranek samen met Debora, de vrouw van zijn overleden broer. ‘Het lijkt erop dat die twee daar beneden echt bij elkaar horen’, zei de jongen, ‘zoals wij tweeën. Zij hebben namelijk ook niemand meer.’ ‘Niemand meer?’ vroeg het kind. ‘Zij zijn ook de laatsten’, zei de jongen.

Debora heeft de hoop nooit opgegeven en komt na de dood van Ranek in gesprek met een oude vrouw, die haar zegt: ‘geluk bestaat ook hier bij ons. Er bestaat nog het geluk van de verkleumden die een warme deken vinden, het geluk van de hongerigen die brood vinden. En het geluk van de eenzamen die liefde vinden.’ Die zinnen, ze verbinden 4 en 5 mei, staan op één van de laatste bladzijden van de roman.

Verliebt in die deutsche Sprache, die Odyssee des Edgar Hilsenrath, is een in 2005 door Helmut Braun uitgegeven boek ter gelegenheid van een tentoonstelling in de Akademie der Künste in Berlijn. Met veel fotomateriaal. Over die Odyssee des Edgar Hilsenrath volgende keer.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.
Dank voor deze mooie recensie. Ik heb deze dagen de trilogie Nacht-Dageraad-Dag van Elie Wiesel herlezen. De impact is, nu vele jaren later dan de vorige lees\'toer\' - weer groter. Ook ik heb mijn levenservaringen, goed en naar, zien cumuleren met het ouder worden. Maar, deze ervaringen, raken aan het diepste binnenste van mensen. Dan past enkel zwijgen en buigen.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009