1913

Leo Frijda

vrijdag 15 maart 2013

Stel dat volgend jaar iets gebeurt waardoor men zal zeggen dat het in de wereld nooit meer hetzelfde zal zijn en stel dat daarna iemand een boek wil schrijven over 2013, dit laatste gouden jaar van de eenentwintigste eeuw. Welke politici, wetenschappers en kunstenaars van nu zijn dan zo toonaangevend dat zij in dat boek over 2013 niet kunnen worden gemist?

Wat voor 2013 nog niet te doen valt, heeft Florian Illies gedaan voor het jaar 1913 (1). Illies heeft vooral schrijvers en kunstenaars bijeengebracht om zo een tijdsbeeld te geven van het oververhitte jaar vóór het uitbreken van de Grote Oorlog. Illies rijgt maand na maand aaneen aan de hand van anekdotes over Rilke, Kafka, Thomas Mann, Proust, Else Lasker-Schüler, Alma Mahler, Franz Marc en vele anderen. Ondanks het sterk anekdotische karakter van het boek blijf je gespannen doorlezen. Dat komt, denk ik, omdat je weet over wie het gaat.

De politiek speelt in het boek van Illies nauwelijks een rol. Wel waren, schrijft Illies, in de eerste maanden van 1913 met Stalin, Hitler en Tito de twee grootste tirannen en een van de ergste dictators van de twintigste eeuw op het zelfde moment in Wenen. Hitler en Stalin hielden er van om te wandelen in het park van Slot Schönbrunn. Misschien, stelt Illies zich voor, hebben ze elkaar beleefd gegroet en hun hoed gelicht toen ze hun rondje liepen door het eindeloze park. Hun namen waren in 1913 echter nog onbekend.

De vorig jaar overleden historicus Eric Hobsbawm laat zijn boek Een eeuw van uitersten (2) in 1914 beginnen. Interessant is wat Hobsbawm schrijft in het hoofdstuk De kunsten 1914-1945:

Tegen 1914 lag alles dat samengebracht kan worden onder de brede en nogal vage aanduiding ‘modernisme’ eigenlijk al op zijn plaats: kubisme, expressionisme, futurisme, puur abstracte schilderkunst, functionalisme en het afwijzen van het ornamentele in de architectuur, het verlaten van de totaliteit in de muziek, de breuk met de traditie in de literatuur. Een groot aantal kunstenaars die de meeste mensen op hun lijst zouden zetten van ‘eminente modernisten’ waren in 1914 al rijp en productief en zelfs al beroemd.

Dit is precies de ervaring die ik had bij het lezen van het boek van Illies. De schrijvers en kunstenaars die Illies de revue laat passeren, kleuren niet alleen het zinderende jaar 1913 maar vaak ook nog de jaren nadien, als Hitler en Stalin naar voren komen en zich van de macht meester maken.

In 1913 waren Wenen, Berlijn, München en Parijs de vier frontsteden van de moderniteit. Vooral Wenen blaakte van kracht, was een wereldstad geworden, het was bovendien, Illies citeert hier Lou Andreas-Salomé, de meest erotische stad ter wereld.

Op naar Wenen dus, het hoofdkantoor van de moderne tijd anno 1913. Hun hoofdrolspelers heten: Sigmond Freud, Arthur Schnitzler, Egon Schiele, Gustav Klimt, Adolf Loos, Karl Kraus, Otto Wagner, Hugo von Hoffmannsthal, Ludwig Wittgenstein, Georg Trakl, Arnold Schönberg, Oskar Kokoschka. Om slechts een paar namen te noemen. Hier woedden de gevechten rond het onbewuste, de dromen, de nieuwe muziek, het nieuwe kijken, het nieuwe bouwen, de nieuwe logica, de nieuwe moraal.

Op naar Wenen dus. Aangezien ik onlangs over de vrienden Stefan Zweig en Joseph Roth voor Crescas een lezing hield, vroeg ik mij af wat deze schrijvers in 1913 bezig hield.


Stefan Zweig omstreeks 1913

In het boek van Illies komt de in 1881 in Wenen geboren Stefan Zweig terloops voor, slechts in verband met andere schrijvers die hem hebben ontmoet. Onder mei merkt Illies op dat het voor Rilke in Parijs een vermoeiende lente is. Aan dichten, schrijft Illies, komt Rilke nauwelijks toe. Wel ontmoet hij vrienden en kennissen: hij gaat ontbijten, lunchen, dineren, ontmoet André Gide, Henry van de Velde, de uitgever van Insel Anton Kippenberg, Romain Rolland en Stefan Zweig.

Stefan Zweig was echter niet in mei, maar van begin maart tot de tweede helft van april in Parijs, de stad met een magische aantrekkingskracht op iedere Europeaan, schrijft Illies, en Europeaan voelde Zweig zich.

Zweig logeerde in Hôtel Beaujolais met uitzicht op de tuinen van het Palais Royal en heeft Rilke, Emil Verhaeren, Romain Rolland en Leon Balzagette uitgenodigd voor een déjeuner op 17 maart 1913 in Le Bœuf à la Mode, Rue de Valois. De heren sturen een kaart naar Anton Kippenberg (3):

In die tijd schrijft Zweig gedichten voor Friderike von Winternitz, zijn toekomstige bruid, waarin strofen als: Und ich zittre in süssem Gedenken, Liebste, an dich. Het weerhoudt hem niet in Parijs een verhouding te beginnen met een modiste die naar de naam Marcelle luistert en na het déjeuner naar Marcelle toe te snellen om daarover naderhand te noteren: Entlastung von allem Geistigen in starkem körperlichen Spiel bis zur Ermattung.

Anders dan Zweig komt de dertien jaar jongere Joseph Roth in het boek van Illies in het geheel niet voor. Daar kan men vrede mee hebben want in 1913 was Roth vermoedelijk nog student in Lemberg al zal hij kort daarna, mogelijk reeds hetzelfde jaar, in Wenen gaan studeren.


Joseph Roth als student

Kafka komt wel uitgebreid aan bod, vooral als brievenschrijver aan zijn verloofde Felice Bauer. Illies laat Kafka in de maand september uit Praag weggaan om van zijn wanhoop en ‘neurasthenie’ te genezen. De beschrijving van de reis van Kafka is exemplarisch voor de wijze waarop Illies zijn vergezichten voor de lezer ontvouwt:

Zijn bestemming is het sanatorium van dr. Von Hartungen in Riva aan het Gardameer. Eigenlijk had hij samen met Felice willen reizen, maar haar vader heeft nog niet geantwoord op zijn brief over zijn bruid, en dus gaat hij op pad, omdat hij, ambtshalve, eerst naar Wenen moet, waar hij van 9 tot en met 13 september samen met zijn superieur hert Tweede Internationale Congres voor het Reddingswezen en de Ongevallenpreventie bezoekt. Vervolgens reist hij door naar Triëst, de enige havenstad van Oostenrijk-Hongarije aan de Middellandse Zee, die in die jaren een ongekende bloei beleeft. De haven zorgt voor een unieke multiculturele mix in de straten en koffiehuizen, en het is de stad waar James Joyce zich heeft teruggetrokken, Engelse les geeft en dag in, dag uit aan zijn voorstudies voor Ulysses werkt. Goed, op 14 september zijn Franz Kafka en James Joyce in Triëst. En ook Robert Musil is dezer dagen in de stad, op zijn reis van Rome naar Wenen. We kunnen ons voorstellen dat ze allemaal aan het eind van de middag koffie aan de haven drinken voordat ze weer ieder huns weegs gaan.

Illies slaat in deze beschrijving echter iets over. In september 1913 vond in Wenen het elfde Zionistencongres plaats en op 8 september heeft Kafka, al in Wenen, dat congres bezocht waarover hij aan Max Brod in een brief bericht. Het congres verveelde hem, hij vond het maar een vreemde vertoning, al gooide hij geen propjes naar de gedelegeerden zoals een meisje op de galerij tegenover hem.


Musikverein Wenen

Ook Joseph Roth, zo weten wij uit de herinneringen van Soma Morgenstern (4), heeft in september 1913 in Wenen het Zionistencongres bezocht. We kunnen ons voorstellen, om Illies te parafraseren, dat Kafka en Roth tegelijk in de zaal van de Musikverein aan de Karlsplatz zaten, waar op 8 september het congres werd gehouden. Kafka op de galerij. Roth waarschijnlijk ook. Al is het niet onmogelijk dat hij bij de gedelegeerden zat; misschien werd hij wel geraakt door één van de propjes van het meisje op de galerij tegenover Kafka.

Zat Joseph Roth bij de gedelegeerden? Het is inderdaad niet uitgesloten als je het volgende verhaal mag geloven dat Roth naderhand, jaren later, aan Morgenstern heeft verteld:

Obwohl ich damals schon nicht mehr so ein eifriger Zionist war, war ich sehr neugierig auf die Vorgänge im Kongress. Ich wollte (…) die grossen Redner hören, deren Reden bei den Kongressen wir in der Zeitschrift ‘Die Welt’ so gierig gelesen hatten (…) Zufällig hatte ich damals genug Geld. Ich liess mich rechtzeitig ein Zimmer reservieren im Hotel Imperial. Ich wusste, dass die meisten Delegierten im Imperial wohnen würden und hoffte die Gelegenheit zu finden, einige von ihnen kennenzulernen. Das Hotel war natürlich vollbesetzt.

Ein paar Tage vor der Eröffnung kam der schon damals weltberühmte Schriftsteller Scholem Alejchem ins ‘Imperial’ und wollte dort ein Zimmer haben. Der Portier sagte ihm: ‘Bedaure. Alles ausverkauft. Die meisten Delegierten zum Kongress wohnen bei uns.’ Scholem Alejchem liess sich die Liste zeigen und fand einen Namen, der ihm nicht bekannt vorkam, in einem Einzelzimmer (…) Scholem Alejchem beschloss, die Bekanntschaft dieses Delegierten zu machen, der allein und unbeweibt in einem Zimmer wohnte. Er ging also hinauf und klopfte an die Tür. Ich war zu Hause und öffnete. Er trat ein und zeigte mit dem Zeigefinger auf mich gerichtet: ‘Du bist der Delegierte?’ Ich kannte sein Gesicht von vielen Bildern. Ich sagte ihm gleich, dass es mir eine grosse Ehre sein würde, ihn als Gast in meinem Zimmer zu haben – obwohl ich kein Delegierter war. Wir lachten beiden (…)

Scholem Alejchem entschied sogleich, dass er im Bett und ich auf dem Sofa schlafen werde (…) Er stellte mich, sooft sich die Gelegenheit bot, diesem oder jenem von den Berühmten immer mit einem verschmitzten Blick als Delegierten Joseph Roth vor.

Een mooi verhaal maar Joseph Roth hield zich bij het vertellen over eigen wetenswaardigheden niet altijd geheel aan de waarheid. Wel staat vast dat Roth in 1913 het Zionistencongres heeft bijgewoond. Maar wat doet het ertoe of het verhaal over Scholem Alejchem tot in alle details klopt? Ik hou van zulke anekdotes en daarom ook heb ik het boek van Illies over het gouden jaar 1913 met zoveel genoegen gelezen.

(1) Florian Illies, 1913, Het laatste gouden jaar van de twintigste eeuw, vertaling Jan Bert Canon, Uitgeverij Atlas Contact, 2013.
(2) Eric Hobsbawm, Een eeuw van uitersten, De twintigste eeuw 1914-1991, vertaling André Abeling en Martha Heesen, Het Spectrum, 1995.
(3) De kaart is afgebeeld in Stefan Zweig, Leben und Werk im Bild, Insel Taschenbuch 3213, 2006.
(4) Soma Morgenstern, Joseph Roths Flucht und Ende, Erinnerungen, Kiepenheuer & Witsch, 2008.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009