Rabbi Nachman en Kafka (2)

Leo Frijda

zondag 9 oktober 2011

Wat de moderne literatuur betreft heeft het werk van Kafka het meest voor mij betekend, schrijft Gershom Scholem in zijn boek Von Berlin nach Jerusalem. En ik lees in het onlangs verschenen boek van Rodger Kamenetz, Burnt Books, Rabbi Nachman of Bratslav and Franz Kafka, waarover ik vorige week al berichtte, dat Scholem, toen hij in 1923 naar Jeruzalem ging, niet alleen een groot aantal kabbalistische teksten bij zich had, maar ook alle verhalen van Kafka voor zover die toen al gepubliceerd waren.

Volgens Kamenetz heeft Scholem gezegd dat wie in onze tijd wil begrijpen wat kabbala inhoudt, eerst Kafka moet lezen, vooral omdat het werk van Kafka is ‘subject to infinite interpretation’. Scholem concludeert bovendien dat Kafka’s wijze van schrijven ‘constitutes a work of interpretation in itself, it is a midrasj’.

Bij Scholem (Zur Kabbala und ihrer Symbolik) vond ik in dit verband de volgende mooie zin:

Jedes Wort der Tora hat sechshunderttausend ‘Geschichter’, Sinnesschichten oder Eingänge, nach der Zahl der Kinder Israels, die am Berge Sinai standen.

Toegepast op de wijze van schrijven van Kafka sluit dit naadloos aan bij de constatering dat er evenveel interpretaties als lezers van Kafka zijn.

Nog een keer Kamenetz over Scholem en Kafka:

But the most important point for Scholem is how intensely Kafka experienced guilt. For Kafka every day is Yom Kippur. He feels constantly judged but has no way to see the Judge.

Rabbi Nachman is Rosj Hasjana en Kafka is Jom Kipoer. Daarover ging mijn vorige column. Open bleef de speelse gedachte van Kamenetz dat de ziel van rabbi Nachman is teruggekeerd in Kafka. Als voorbeeld twee verhalen die op het eerste gezicht op elkaar lijken.

Rabbi Nachman schreef het verhaal Die Geschichte von dem Klugen und dem Einfältigen. De vertaling van de titel is van Buber. Rabbi Nathan had in opdracht van rabbi Nachman diens verhalen oorspronkelijk in het Jiddisj en in het Hebreeuws opgeschreven en gepubliceerd. De Jiddisje en Hebreeuwse woorden voor de schrandere en de eenvoudige vallen eigenlijk niet eenduidig te vertalen. Voor rabbi Nachman was de schrandere veeleer iemand die slechts denkt dat hij intelligent is en veel weet. De eenvoudige is niet louter een simpele man maar vooral ook een goede, gelovige Jood.

Het verhaal gaat als volgt. Bij de schrandere en de eenvoudige komen boodschappers van de koning die hen uitnodigen om voor de koning te verschijnen. De eenvoudige denkt eerst dat het een grap is, waarom hij, maar als de boodschapper dat bestrijdt, gaat hij op pad, vol vreugde over de eer die hem te beurt is gevallen. De schrandere heeft echter zo zijn bedenkingen. Hij gelooft zelfs niet dat de koning echt bestaat. Hij vraagt de boodschapper of hij de koning ooit heeft gezien. De boodschapper moet dat ontkennen. Hij kreeg de opdracht van een andere dienaar van de koning. Zie je wel, zegt de schrandere, er is dus geen koning. Als de schrandere uiteindelijk de eenvoudige weer ontmoet, is die door de koning tot eerste minster benoemt. De schrandere lacht hem ook dan nog uit: ook jij bent slachtoffer van die waanvoorstelling. Maar ik zie toch elke dag het gezicht van de koning, antwoordt de eenvoudige. Nog is de schrandere niet overtuigd: hoe weet je dat het werkelijk de koning is, heb je z’n vader en z’n grootvader gekend? Waren dat ook koningen?

‘Rabbi Nachman’s tales carry the grander hope of a final redemption’, schrijft Kamenetz. Volgens hem zijn de verhalen van rabbi Nachman ‘outreach among the Maskiliem’, bedoeld voor de verlichte Jood die meent dat er geen God bestaat. ‘Rabbi Nachman said that this ... kind of atheism cannot be answered with an argument. It can only be answered with a song’. Kamenetz vat het standpunt van rabbi Nachman ook zo samen: ‘We can feel that the root of all our despair is the total absence of God’. ‘Our despair’, onze vertwijfeling, rabbi Nachman sluit zichzelf niet buiten.

Kafka schreef een enigszins vergelijkbaar verhaal, Een keizerlijke boodschap, opgenomen in de bundel Een plattelandsdokter. Het begint zo:

De keizer – zeggen ze – heeft jou, de enkeling, de jammerlijke onderdaan, de kleine, voor de keizerlijke zon in de verste verte gevluchte schaduw, juist jou heeft de keizer vanaf zijn sterfbed een boodschap gezonden.

Let op dat ‘zeggen ze’ en op ‘vanaf zijn sterfbed’. Het verhaal begint dus al erg onzeker. Het verdere verloop van Kafka’s verhaal kan gemakkelijk worden samengevat. Het beschrijft, net als in veel andere verhalen van Kafka, de eindeloze moeilijkheden om iets te bereiken. Het leven is zo kort dat het bij lange na niet toereikend is om zelfs naar het dichtstbijzijnde dorp te rijden, schrijft Kafka elders. Ook in dit verhaal bereikt de bode van de keizer de eenzame onderdaan niet. De paleizen van de keizer zijn te uitgebreid en de nabijgelegen hoofdstad is te groot. De laatste zin luidt: ‘Maar jij zit aan het raam en verbeeldt het je, als de avond valt’.

Nee, de verlossing is de ‘jou’ in het verhaal van Kafka niet beschoren. Kafka beschrijft de ‘despair’, niet de ‘redemption’. Zelfs de boodschapper van de keizer bereikt hem niet. Dat een boodschapper van de keizer naar hem onderweg is, wordt gezegd maar is wellicht slechts verbeelding. Het thema van Kafka, zo’n honderd jaar na rabbi Nachman, is de onzekerheid over wat een mens kan bereiken en het schuldgevoel over wat hem steeds maar weer niet lukt. De helden van Kafka, zo beëindigt Grözinger zijn boek over Kafka und die Kabbala, ‘sieht man dagegen sich eher in einem hoffnungslosen Agieren ermüden. Aber selbts dieser nutzlosen Bemühung scheint Kafka zuweilen etwas Sinnvolles abgewinnen zu können, sei es auch nur die tröstliche Selbsttäuschung über der Erfolg des menschlichen Handeln’s’.

Kafka had, kan worden vastgesteld, zeker belangstelling voor chassidische verhalen. De resonans daarvan vind je soms terug in zijn eigen verhalen. Vooral Joodse oren vangen dat op. Maar Kafka had kabbala ook bijgeloof genoemd en gebruikt vergelijkbare verhalen op zijn eigen manier. Ik zie daarom niet in dat het verhelderend is Kafka de reïncarnatie van rabbi Nachman te noemen. Kamenetz speelt wel met die gedachte maar weet ook dat dit nogal ver gaat:

Rabbi Nachman got himself reborn as Franz Kafka. He hoped to continue his outreach to secular Jews as a literary master, embedding within his strange stories gleams of the mystical truth. Unfortunately, born in Kafka’s body, he’d sunk further down and could no longer ascend to the higher wisdom. At the most, he could only stand outside the gate and point to the light.

Het boek van Kamenetz biedt veel wetenswaardigheden, over rabbi Nachman en over Kafka, en treffend is zijn puntige formulering dat de verhalen van rabbi Nachman en Kafka ‘speak to one another in a call and response’. Dit betekent nog niet dat de ziel van rabbi Nachman is teruggekeerd in Kafka. Dat kunnen we rabbi Nachman niet aandoen. Dat kunnen we Kafka niet aandoen.

3 + 3 = ?
"G-d gives the potion before the disease" is an old saying. Rabbi Nachman's stories offer the potion (geneesmiddel); Kafka's stories are showing the disease.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.