De Hoge Raad buigt mee

Leo Frijda

vrijdag 23 december 2011

Met de individuele leden van de Hoge Raad was eigenlijk niet eens erg veel mis, zeker in hun eigen ogen niet, zo valt op bij het lezen van De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, geschreven door Corjo Jansen met medewerking van Derk Venema en uitgegeven door Boom, Amsterdam. Dit nieuwe boek over de Hoge Raad in oorlogstijd, in 1984 had P.E. Mazel daarover al gepubliceerd, geeft veel informatie en is vlot en helder geschreven. Zonder meer een aanrader.

De Hoge Raad bestond aan het begin van de bezetting uit gezaghebbende juristen. Nette mensen bovendien. Veelal ingetogen en zoekend naar een afgewogen oordeel, geen scherpslijpers. Nationaalsocialisten vond je onder hen niet. Van antisemitisme was evenmin sprake, eerder het tegendeel, constateren de schrijvers. Zelfs de door de bezetter benoemde raadsheren waren, op één uitzondering na, geen lid van de NSB. Toch was na de oorlog het in de samenleving breed gedragen oordeel dat de Hoge Raad, in het understatement van Jansen en Venema, wel heel erg heeft meegebogen met de Duitse bezetter. Hoe kon een en ander gebeuren?

Al in 1937 had de regering ‘aanwijzingen’ aan de ambtenaren gegeven zo lang mogelijk in functie te blijven. Volgens de regering woog het nadeel van aanblijven veelal niet op tegen het grotere nadeel dat voor de bevolking kon voortvloeien uit het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat. Het was voor de leden van de Hoge Raad elke keer opnieuw het doorslaggevende argument om de Duitsers hun zin te geven en met hen mee te buigen. Bij de raadsheren leefde sterk de vrees dat indien men er mee zou ophouden, de Duitsers vrij spel hadden en dan was men, zo was het gevoelen, nog veel verder van huis.

Als het hoogste rechtsorgaan van het land had de Hoge Raad echter ook een voorbeeldfunctie. Uit het boek van Jansen en Venema rijst het beeld op dat dit bij de te nemen beslissingen te weinig heeft meegewogen. De Hoge Raad accepteerde veel en indien men het met een al te vergaande maatregel van de bezetter niet eens was, koos men ervoor alleen via de interne kanalen protest aan te tekenen. Nooit openlijk. Daardoor verloor de Hoge Raad steeds meer aan gezag.

De Hoge Raad heeft ook onvoldoende beseft dat indien men al een keer met de Duitse bezetter heeft meegebogen, een eerste stap is gezet op een hellend vlak. Het ging van kwaad tot erger is de titel van een recensie op de website van Athenaeum Boekhandel. Die recensie, van mr. P.C. Kop, geeft een duidelijke samenvatting van het boek over de Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Daarin staan ook enkele andere onderwerpen die in het kort bestek van deze column buiten beschouwing moeten blijven. Zo wees de Hoge Raad op 12 januari 1942 het zeer omstreden toetsingsarrest, waarin het college de beslissing nam dat de verordeningen van de Duitse bezetter konden gelden als wetten waarvan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid niet mag beoordelen. Daarmee sneed de Hoge Raad zichzelf de pas af. Gelukkig nam de Hoge Raad wel stelling toen de bezetter twee raadsheren van het gerechtshof te Leeuwarden had ontslagen nadat zij een moedige en voorbeeldige uitspraak hadden gedaan. Het hof te Leeuwarden legde een straf op gelijk aan het voorarrest, omdat een langere straf zou moeten worden uitgezeten in een gevangenkamp, kamp Erika in Ommen, waar erbarmelijke omstandigheden heersten. De Hoge Raad tekende over het ontslag van de leden van het hof protest aan in een brief aan Seyss-Inquart maar deed dat niet openlijk en consequenties werden aan het protest niet verbonden. Ondanks de flagrante inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid gingen de leden van de Hoge Raad door met hun werkzaamheden.

Maar zover zijn we nog niet. De eerste stappen op het hellend vlak moesten nog worden gezet.


De raadsheer rechts is mr. L.E. Visser (1871-1942)

Na de schok van mei 1940 ging bijna iedereen, ook de Hoge Raad, over tot de orde van de dag. In het begin van de bezetting, schrijven Jansen en Venema, was sprake van een vanzelfsprekende aanvaarding van de nieuwe machtsverhoudingen en van een voortzetting van het gewone leven. Maar al spoedig veranderde dat. De eerste Duitse maatregel dateert van oktober 1940. Ambtenaren en rechters dienden de ariërverklaring in te vullen. Aan deze verplichting heeft de Hoge Raad twee vergaderingen gewijd die helaas niet zijn genotuleerd. Wel is bekend dat de stemverhouding twaalf tegen vijf is geweest. Vóór het invullen van de verklaring, wel te verstaan. De Hoge Raad besefte dat aan het insturen van de ariërverklaring gevolgen waren verbonden, zoals een mogelijke buitenfunctiestelling van Visser. Terecht vragen Jansen en Venema zich af wat de leden van de Hoge Raad wisten van hetgeen zich in Duitsland al had afgespeeld. De door hen gegeven samenvatting van wat daarover in de Nederlandse kranten en juridische tijdschriften had gestaan, is in haar beknoptheid sprekend genoeg. Men kon veel weten.

Toch ging men door de knieën. De ariërverklaringen werden ingevuld. Eén lid van de Hoge Raad, mr. J. Donner, hij was de enige die later om een andere reden alsnog is afgetreden, schreef er iets bij: Het geven van deze inlichting mag allerminst worden opgevat als medewerking aan maatregelen, met het oog waarop de inlichting mocht worden gevraagd. Maar van zo’n vrijblijvend voorbehoud lag de bezetter niet wakker.

Voor degenen die van mening waren dat de Hoge Raad het voortouw had te nemen, onder wie de Leidse hoogleraar Cleveringa, was het een deceptie dat was besloten de ariërverklaring in te sturen. Na de oorlog heeft één van de raadsheren, mr. N.C.M.A. van den Dries, de houding van de Hoge Raad proberen te verklaren. Hij schreef: Dat, gelet op de Duitsche mentaliteit en hetgeen het Hitler-regime in Duitschland aan de Joden reeds had misdreven, men zich kan indenken, dat de bezetter in het bijzonder de Joodsche ambtenaren wantrouwde en als gevaarlijk beschouwde. Met verbijstering heb ik deze tekst op me laten inwerken. Zelden is een cynischer redengeving geformuleerd als in deze kwestie door de Hoge Raad, schrijven Jansen en Venema.

Nadat de leden van de Hoge Raad in oktober 1940 de ariërverklaring hadden ondertekend, ging het snel. De bezetter liet er geen gras over groeien. Per 23 november 1940 schorste de Duitse bezetter 9 Joodse rechters en 18 Joodse rechter-plaatsvervangers. Ontslag volgde op 1 maart 1941. Onder hen het enige Joodse lid van de Hoge Raad, mr. L.E. Visser. Wel hadden vóór 1940 ook andere Joden zitting gehad in de Hoge Raad, mr. A.A. de Pinto en mr. C.D. Asser. Visser was in 1940 de president van het college, onmiskenbaar de intellectuele primus inter pares onder de leden van de Hoge Raad. Hij genoot een bijzonder gezag en was niet alleen een scherpzinnig jurist, maar ook een bevlogen en beminnelijk mens. Bij Visser, schreef Kisch na diens overlijden op 17 februari 1942, vloeiden twee karaktereigenschappen samen, beginselvastheid en gemeenschapszin.

Toch ging de Hoge Raad opnieuw door de knieën. De collega-raadsheren van Visser hebben noch tegen de schorsing noch tegen het ontslag openlijk geageerd. Dit was, zoals blijkt uit de notulen van de algemene vergadering van de Hoge Raad een bewuste keuze. De enige zinvolle reactie, stellen Jansen en Venema hiertegenover, was geweest het staken van de uitoefening van de functie door het gehele college, waartoe uiteindelijk niet is besloten in het belang van het Nederlandse volk.

De rol van Visser zelf is niet helemaal duidelijk. Daarover, schrijven Jansen en Venema, bestaat in de literatuur enige ‘ruis’. Op grond van mededelingen van andere raadsheren is tot nu toe aangenomen dat Visser zich van de beslissingen van de Hoge Raad verre heeft gehouden om die niet te belasten met zijn persoonlijk belang. Toch zijn er volgens Jansen en Venema aanwijzingen dat Visser zich wel degelijk sterk heeft gemaakt voor het niet invullen van de ariërverklaring. Visser was, dat staat vast, een principieel tegenstander van samenwerking met de Duitse bezetter. In het hoofdstuk over Visser staan Jansen en Venema uitvoerig stil bij zijn rol in de Joodse Coördinatie Commissie en zijn verzet tegen het optreden van de Joodse Raad. In een brief van 18 november 1941 aan Cohen, één van de voorzitters van de Joodse Raad, maakt Visser bezwaar tegen het standpunt van de Joodse Raad dat wij leven onder een oppermachtige bezetter en men daarom heeft te doen wat deze wil. (...) De instelling van den J.R., meent Visser, is den bezetter ter wille te zijn, zijn bevelen gedwee op te volgen. Ik zou haast zeggen hem dienstbaar te zijn, hopende aldus ’erger te voorkomen’, een hoop, die niet verwezenlijkt is.

In de woorden die Visser aan Cohen heeft geschreven, om erger te voorkomen, klinkt het argument mee dat ook de beslissingen van de Hoge Raad heeft gedragen.

Tot slot nog één keer Jansen en Venema:

Het feit dat de Hoge Raad zowel bij de ontzetting (1940) als het ontslag (1941) van Visser bewust ‘niets heeft gedaan’ (de letterlijke bewoordingen in de notulen van de vergadering van de Hoge Raad van 19 mei 1941) was een voorbode voor de houding van de Hoge Raad gedurende de rest van de bezettingstijd.

De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog geeft veel stof tot nadenken. De leden van de Hoge Raad waren, zo begon ik deze column, gezaghebbende juristen en nette mensen. Veel lezers van het boek van Jansen en Venema zullen zich de vraag stellen hoe zij zich hadden gedragen als zijzelf voor zulke morele dilemma’s hadden gestaan. Die vraag laat zich niet gemakkelijk beantwoorden, vooral niet in een tijd dat het recht een rustig bezit is. Maar is het recht ooit een rustig bezit? Opletten kan in ieder geval nooit kwaad. Meebuigen helaas wel.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009