Een handvol sneeuw

Leo Frijda

vrijdag 11 september 2015

Toen ik jong was, deed ik de dingen gewoon, pas later krijg je mee uit wat voor familie je eigenlijk stamt, van wat voor materiaal je eigenlijk bent gemaakt.

Dit zegt Jenny Erpenbeck in het vraaggesprek met Margot Dijkgraaf nadat haar de Europese Literatuurprijs was toegekend voor haar roman Een handvol sneeuw (Aller Tage Abend). Die prijs is haar en vertaalster Elly Schippers vorige week uitgereikt en is bijzonder passend voor een roman met als decor de Europese geschiedenis van de vorige eeuw.


Jenny Erpenbeck (Wikipedia Commons)

In de vorige twee columns besprak ik de boeken van Judit Neurink en Paul Hellmann. Net als in die boeken staat een grootmoeder, Hedda Zinner, model voor de hoofdpersoon van Een handvol sneeuw. Jenny Erpenbeck is haar kleindochter. Zinner, zo lees ik in een ander interview (met Antoine Verbij in De Groene Amsterdammer), werd door haar Joodse ouders op hun vlucht voor pogroms uit Galicië naar Wenen meegenomen. In Wikipedia staat echter dat Zinner in Lemberg of in Wenen is geboren. Hoe dan ook, Hedda Zinner ontwikkelt zich in het interbellum tot antifasciste en communiste. Zij woonde achtereenvolgens in Berlijn, Wenen en Praag tot zij in 1935 naar Moskou ging, waar ze Stalins zuiveringen meemaakte. In 1945 keerde zij terug naar de DDR en ‘werd zij een populair schrijfster, die na de val van de Muur meteen in de vergetelheid raakte’. Zinner overleed in 1994. Achter haar staat dus inderdaad de Europese geschiedenis van de vorige eeuw.

De grootmoeder in Een handvol sneeuw, natuurlijk niet één op één Hedda Zinner, wordt in 1902 in Brody geboren, de plaats in Galicië waar ook Joseph Roth vandaan komt. In het eerste hoofdstuk lezen we over haar geboorte. Ook zij, de hoofdpersoon van de roman, heeft in die tijd nog een grootmoeder en een moeder. Twee Joodse vrouwen, elk met een eigen verhaal. De man van deze grootmoeder is tijdens een pogrom in Galicië in haar armen doodgeslagen. Haar bezittingen, een zevenarmige kandelaar en het verzameld werk van Goethe, symbolen van jodendom en Bildung, zullen in het verloop van de roman een rol blijven spelen, al zullen de sporen daarvan uiteindelijk verwaaien. Deze grootmoeder laat haar dochter, de moeder dus van de hoofdpersoon, trouwen met een goj, een keizerlijk-koninklijk ambtenaar, zij het wel van de laagste rang. Het is een bewuste keuze om haar dochter tegen het geweld van de Polen te beschermen.

Ik begrijp dat deze samenvatting van het eerste hoofdstuk misschien niet in helderheid uitblinkt. Dat ligt in dit geval niet alleen aan mij maar ook aan Erpenbeck, die geen namen noemt en van de lezer vraagt goed bij de les te blijven. Het loont echter de moeite en dat geldt ook voor het volgende dat de lezer eerst stap voor stap duidelijk wordt. In het eerste hoofdstuk van de roman sterft de baby van de Joodse dochter en de keizerlijk-koninklijk ambtenaar. In het tweede hoofdstuk echter blijkt de baby niet overleden, maar gaat zij met haar ouders naar Wenen. Ook in Wenen zal zij als jong meisje omkomen, maar in het derde hoofdstuk zien we haar weer terug in Moskou. Dat herhaalt zich nog twee keer voordat zij in het Berlijn van na de val van de Muur daadwerkelijk sterft.

Het is het thema dat de roman zijn bijzondere vorm geeft. Laat ik het maar het toeval noemen. De Europese geschiedenis waarin we de grootmoeder tegenkomen is nu eenmaal vol momenten waarin het toeval bepaalt wie verder leven wordt vergund. Door dat toeval elk hoofdstuk van de roman een andere kant op te laten vallen, komt wat er in het Europa van de vorige eeuw is gebeurd steeds opnieuw in een schrijnend en tegelijk persoonlijk licht te staan. Een mens kan duizend doden sterven. Het vakmanschap van Jenny Erpenbeck maakt dat je dit daardoor nogal ingewikkelde en complexe boek toch wil uitlezen. In mijn geval met stijgende bewondering voor thema en schrijfkunst.

Ik schreef dat de sporen van de zevenarmige kandelaar en het verzameld werk van Goethe uiteindelijk verwaaien. De grootmoeder wordt in Wenen niet Joods maar katholiek opgevoed en bij haar begrafenis in het Berlijn van de DDR (in het laatste hoofdstuk zal zij nog verder leven) wordt gezegd dat zij als dochter van een Oostenrijkse ambtenaar in Brody is geboren en in Wenen opgegroeid en uiteindelijk tot een schijfster van belangrijke romans is uitgegroeid. Niet gezegd wordt dat de grootmoeder van deze bekende schrijfster in 1941, zij is dan ongeveer tachtig jaar, op transport is gesteld naar het bij Minsk gelegen vernietigingskamp Maly Trostenets. De zevenarmige kandelaar had zij al eerder moeten afgeven voor de inzameling van metaal. Het verzameld werk van Goethe komt in 1941 via het Gestapobureau voor de Verkoop van Joodse verhuisboedels bij een antiquair terecht. De zoon van de grootmoeder zal, als hij een keer in Wenen is, die antiquair bezoeken maar, onwetend van de herkomst, aan het verzameld werk van Goethe voorbijlopen. Al die delen zijn ook te zwaar om in de trein naar Berlijn mee te nemen. Voor zijn moeder neemt hij uit Wenen wel een oud schilderijtje mee. “Weet je,” zegt ze dan tegen haar zoon, “ik ben bang dat alles verloren gaat – dat het spoor verloren gaat.”

In een interview met Guus Bauer merkt Jenny Erpenbeck op dat “de rekwisieten een belangrijke rol spelen. Zij zijn de bindende factor in de roman.” Wat mij in dat interview ook opviel waren de volgende passages:

Aan de basis van deze roman, ik weet eigenlijk niet of ik dat openbaar wil maken, staat het verhaal van mijn overgrootouders. Zij was naar verluidt Joods en hij niet. Ik wilde helemaal niet over hen schrijven, maar wel over het dilemma. Hij kon geen carrière maken, zij voelde zich daar schuldig over. Evenwicht is zelden interessant voor een boek.

(…)

Na veel research ben ik er overigens achter gekomen dat mijn overgrootvader ook Joods was.

(…)

Om de Joodse personages te kunnen beschrijven heb ik enorm veel moeten lezen. De Talmoed was een openbaring voor me. De hoogst artificiële en verfijnde kunst van het nadenken, ingebed in een lange traditie. Ik streef ernaar dat de taal in mijn boeken niet alleen transportmiddel is, maar zelf ook een betekenis heeft. Denken wordt handeling via de taal.

Jenny Erpenbeck heeft intussen een nieuw boek geschreven dat eind vorige maand in Duitsland is verschenen, Gehen, ging, gegangen. “Ik heb nou wel genoeg over mijn familie geschreven,” zei ze tegen Antoine Verbij in De Groene Amsterdammer. Dat nieuwe boek van Erpenbeck, met als thema de vluchtelingen van onze tijd, heb ik nog niet kunnen lezen. Maar het lijkt toch wel verwant met Een handvol sneeuw, waarin ze één van haar personages laat denken: ‘Binnen Europa hadden de mensen zich van oudsher, al zwervend over het vasteland, vermengd en een nieuw onderkomen gezocht als een land te weinig opleverde of het leven er om een andere reden ondraaglijk werd.’ En tegenover interviewster Marga Dijkgraaf zei Jenny Erpenbeck over Een handvol sneeuw: ‘Europeanen vergeten altijd dat we allemaal emigranten zijn. We komen allemaal ergens anders vandaan. Zo zit onze geschiedenis in elkaar.’


Jenny Erpenbeck, Een handvol sneeuw, vertaling Elly Schippers,
Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2014

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009