Van Kafka naar Perec

Leo Frijda

vrijdag 7 januari 2011

Niet iedereen is het meteen duidelijk dat de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) Joods is. Perec klinkt Frans. Perec is echter de Poolse schrijfwijze van Peretz en zo spreek je het ook uit. Een van de centrale figuren in de familie is de Pools-Jiddische schrijver Jitschok Leib Peretz, met wie iedere zichzelf respecterende Peretz verwant is, al is daar soms een acrobatisch genealogisch onderzoek voor nodig. Ik persoonlijk zou een achterachterneef van Jitschok Leib Peretz zijn. Hij zou een oom van mijn grootvader geweest zijn. Dit schrijft Georges Perec in W. of de jeugdherinnering, in 1991 uitgegeven in de serie privé-domein van De Arbeiderspers. Nog steeds te koop. In die serie was al eerder Ik ben geboren uitgekomen, een verzameling korte teksten, met een nawoord van vertaler Rokus Hofstede. De Arbeiderspers heeft ook Het leven een gebruiksaanwijzing uitgegeven. En enige tijd geleden is dan eindelijk ’t Manco verschenen, de Nederlandse vertaling van La Disparition, het befaamde boek van Perec waarin de letter e niet voorkomt. De vertaler, Guido van der Wiel, heeft twee handzame toelichtingen geschreven die gratis te downloaden zijn (ga daarvoor naar de site van De Arbeiderspers).

Manet van Montfrans schreef al in 2003 Georges Perec, een gebruiksaanwijzing, een nuttige inleiding op het werk van Perec. Daarin lees ik dat vooral Kafka grote invloed op hem heeft gehad. En inderdaad vind je die invloed op verschillende plaatsen in het werk van Perec terug. Bijvoorbeeld in zijn magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing, in 1978 bekroond met de Prix Médicis.

Een passage uit het laatste hoofdstuk van Het proces van Kafka (in de vertaling van Thomas Graftdijk) luidt:

Op de vooravond van zijn eenendertigste verjaardag ... kwamen er twee heren naar K.’s woning. In geklede jas, bleek en vet, met schijnbaar onwrikbaar vastzittende hoge hoeden... Zonder dat het bezoek hem aangekondigd was zat K., eveneens in het zwart gekleed, in een leunstoel bij de deur en trok langzaam nieuwe, strak om de vingers spannende handschoenen aan.

In Het leven een gebruiksaanwijzing heeft in de slaapkamer van Gaspar Winckler een schilderij gehangen waarop drie mannen te zien waren:

Twee van hen stonden rechtop, bleek en vet, in geklede herenjassen, met op hun hoofd een hoge hoed die op hun schedel geschroefd leek te zijn. De derde, die ook in het zwart gekleed was, zat bij de deur in de houding van een meneer die iemand verwacht en was bezig nieuwe handschoenen aan te trekken waarvan de vingers precies om de zijne pasten.

Dit is natuurlijk een opvallende verwijzing. In het werk van Perec komen echter ook veel sterk versluierde verwijzingen voor. Zoals we nog zullen zien, gaat het dan vooral om de versleuteling van persoonlijke omstandigheden. Van Montfrans merkt op dat Perec Kafka heeft ontdekt door het lezen van Seul, comme Franz Kafka, de studie van Marthe Robert, en dat ook voor Perec geldt dat het schrijven hem tegen wil en dank maar onvermijdelijk heeft gevoerd naar het probleem van de eigen geschiedenis en de eigen verhouding tot zijn Joodse afkomst. In hun werk benaderen beide schrijvers de met hun Joodse afkomst samenhangende problemen bovendien met de grootste terughoudendheid. Ieder op zijn eigen, boeiende manier.

In mijn vorige column schreef ik dat in de romans en verhalen van Kafka het woord Jood niet voorkomt. Het leidt tot de vraag hoe Kafka verstaan wordt door iemand die niets afweet van de persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden van Kafka. Ook voor die lezer moet het wel duidelijk zijn dat Kafka, ik citeer Van Montfrans, het schuldgevoel dat verbonden is met ontworteling en vervolging aan de orde stelt. Het is dus niet nodig maar misschien toch wel verhelderend indien naast de teksten uit de romans en verhalen, gedeelten uit de dagboeken en brieven van Kafka zouden worden afgedrukt. Het is enigszins de methodiek die Canetti in zijn Het andere Proces heeft toegepast. Maar degene die dat voor zijn eigen werk daadwerkelijk zo heeft gedaan is Georges Perec in zijn boek W. of de jeugdherinnering uit 1975. Het boek kent een interessante ontstaansgeschiedenis.

Perec had van oktober 1969 tot augustus 1970 in 19 afleveringen een verhaal, W, gepubliceerd in het tijdschrift La quinzaine littéraire. Het feuilleton, dat soms doet denken aan Kafka’s De strafkolonie, sloeg niet aan, de lezers begrepen het niet en waren niet geïnteresseerd. Perec heeft daarna zijn in 1973 en 1974 begonnen jeugdherinneringen samengevoegd met het feuilleton. Het resultaat is verbluffend. De herinneringen en het feuilleton blijken steeds een zelfde thema aan te roeren waardoor er al lezende steeds duidelijker dwarsverbanden zichtbaar worden. Een fijnmazig net van onderlinge verwijzingen waardoor beide verhalen met elkaar verbonden worden, schrijft Van Montfrans.


Georges Perec

Maar nu eerst een samenvatting van wat Georges Perec in zijn jeugd is overkomen. Perec is 7 maart 1936 in Parijs geboren. Zijn ouders, Icek Perec en Cyrla Szulewicz, waren kinderen van Poolse immigranten uit de eerste helft van de vorige eeuw. De families woonden voor de oorlog in de Rue Vilin, in het 20e arrondissement van Parijs. De familie Perec op nummer 24 en de familie Szulewicz op nummer 1. In 1939 is Icek Perec als vrijwilliger het leger ingegaan en 16 juni 1940 is hij aan een niet tijdig behandelde schotwond overleden. In 1942 heeft Cyrla Perec haar zoon Georges naar de vrije zone in het zuiden van Frankrijk gestuurd waar Esther, de zuster van Icek Perec, samen met haar man David Bienenfeld al woonde. De verdere oorlogsjaren is hij de meeste tijd in een klooster ondergebracht. Het was een voordeel dat zijn achternaam Frans klonk. Cyrla Perec is in januari 1943 gepakt en 11 februari 1943 naar Auschwitz op transport gesteld. Omdat van Cyrla Perec nadien nooit meer iets is vernomen, geldt die datum als datum van overlijden. Esther en David Bienenfeld hebben de oorlog overleefd en zijn naar Parijs teruggekeerd. Hun neef Georges hebben zij bij zich in huis genomen.

Dit is natuurlijk een te korte en droge opsomming. Daarom raad ik met klem aan W. of de jeugdherinnering te lezen want, schrijft Van Montfrans terecht, ‘sinds de tweede helft van de jaren tachtig is steeds duidelijker geworden dat Perecs W. of de jeugdherinnering binnen de omvangrijke literatuur over de Tweede Wereldoorlog een bijzondere plaats inneemt’. Het is bovendien verstandig met dit boek te beginnen omdat het in het werk van Perec een sleutelpositie inneemt en ook goed laat zien hoe zijn hele oeuvre als één grote autobiografische puzzel kan worden beschouwd.

Een enkel voorbeeld. Voor E, Pour E, is de opdracht voorin W. of de jeugdherinnering. Dat betekent, de uitleg is van Perec zelf, Pour eux, voor hen, te lezen als voor mijn ouders. Het slaat terug op de passage j’ai été un parmi eux, ik schrijf omdat ik een van hen geweest ben ... ik schrijf omdat zij een onuitwisbaar stempel op mij hebben gedrukt en het spoor ervan de schriftuur is: hun herinnering is ongeschreven gebleven; het schrijven is de herinnering aan hun dood en de bevestiging van mijn leven. Zo komt de overlijdensdatum van zijn moeder, 11 februari 1943, in het werk van Perec steeds opnieuw in versleutelde vorm terug, bijvoorbeeld in de combinatie van de cijfers 11, 2, 4 en 3. Ook in W. of de jeugdherinnering.

Afwezigheid en gemis, volgende week zal ik dat verder uitdiepen, zijn kernbegrippen in het werk van Georges Perec. Sinds 1969 ging Perec één keer per jaar naar de Rue Vilin waar hij als kind heeft gewoond. Het is een straat in een buurt in verval. De beschrijving daarvan is terecht gekomen in De Rue Vilin uit de bundel Ik ben geboren. Het is één van de ontroerendste teksten die Perec ooit heeft geschreven, oordeelt Rokus Hofstede in zijn nawoord op Ik ben geboren. Daar ben ik het helemaal mee eens.

Tot slot nog een stukje uit Ik ben geboren waarin Perec opmerkt dat hij niet precies weet wat Jood-zijn inhoudt, wat Jood-zijn voor hem betekent. Het is een vanzelfsprekendheid en ook een merkteken, schrijft hij, maar niet een merkteken omdat hij ergens bij hoort. Het is eerder een afwezigheid, een vraag, een problematisering, een onduidelijkheid, een onbehagen: een onbehagelijke zekerheid, waarachter zich een andere zekerheid aftekent die abstract, zwaar en onverdraaglijk is: de zekerheid dat ik ben aangewezen als Jood, als Jood ergo als slachtoffer, en dat ik het leven uitsluitend dank aan toeval en ballingschap.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.
In het boek QUOI DE NEUF SUR LA GUERRE (Robert Bober, Gallimard/folio) ben ik een passage tegengekomen die iets vertelt over Georges Perec die als kind in een kast verschuild zit terwijl zijn ouders uit huis gehaald worden. De eigenaardigheid die hij hieraan over houdt staat in dit boek beschreven. Schrijft hij hierover ook in zijn jeugdherinneringen? Ook de wederwaardigheden van andere bekende personen komen onder andere naam in dit boek voor. Jacqueline van Maarsen
Georges Perec en Robert Bober waren goede vrienden. Robert Bober (1931) was eveneens een zoon van oorspronkelijk Poolse Joden. Samen met Perec maakte hij in 1979 de filmdocumentaire Récits d'Ellis Island. In 1993 publiceerde hij de door u genoemde roman Quoi de neuf sur la querre?, in 1997 in Nederland uitgekomen onder de tiel Nog nieuws over de oorlog? In die roman komt inderdaad ook een jongen genaamd Georges P voor die bij de moeder van zijn vriend Raphael gaat logeren en geen boterhammen met jam wil hebben. Georges vertelt in het donker van de nacht, als de beide jongens in één kamer slapen, aan Raphael dat zijn vader op een dag thuis kwam met een pot jam. Als enige tijd later de politie langskomt, het is 1942, verstopt de dan 9 jaar oude Georges zich op bevel van zijn vader in de kast met de deur op een kier zodat hij heeft kunnen zien dat zijn ouders werden weggevoerd. In de kast stond de pot jam die zijn vader op een dag had meegebracht. Dit verhaal uit de roman van Robert Bober, dat ik voor de andere lezers van de columns aanhaal, staat niet in W of de jeugdherinnering van Perec. Dat kan ook moeilijk, zoals eigenlijk al uit mijn column blijkt. In 1942 was Georges Perec geen 9 maar 6 jaar oud. Zijn vader was al in 1940 overleden. Zijn mnoeder is in januari 1943 in Parijs opgepakt en toen bevond Georges Perec zich in het zuiden van Frankrijk.
In W of de jeugdherinnering komt een passage voor dat iemand een klein meisje vindt dat urenlang in een bezemkast opgesloten heeft gezeten. De hoofdpersoon in het boek wordt ervan beschuldigd dat hij dit, bewust of onbewust, gedaan heeft. Hij is hoegenaamd de enige die dit gedaan kan hebben, omdat hij langdurig in het vertrek aanwezig is geweest. Er wordt veel druk op hem uitgeoefend om te bekennen, maar dat doet hij niet omdat hij zeker weet dat hij dit niet heeft gedaan. Daarna wordt hij enige dagen volledig genegeerd, alsof hij niet meer bestaat.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009