De zwarte zwaan van Israël

Leo Frijda

vrijdag 6 november 2009

Else Lasker-Schüler is er altijd voor uitgekomen dat zij een Jodin was. Hebräische Balladen noemde zij de dichtbundel die in 1912 verscheen. Zij nam daarin ook gedichten op die al in eerdere bundels stonden, zoals Versöhnung (over Jom Kipoer) en Mein Volk. Met deze beide gedichten opent Hebräische Balladen. Ook Sulamith was al eerder gepubliceerd. Dit gedicht uit Hebräische Balladen eindigt met de regel: Und meine Seele verglüht in den Abendfarben Jerusalems. Het zal de laatste jaren van haar leven letterlijk het geval zijn.

Op 19 april 1933 ontvlucht Else Lasker-Schüler Duitsland. Zij gaat naar Zürich. Daar schrijft zij enkele gedichten die tot de mooiste van de exilliteratuur behoren. Toen Else Lasker-Schüler hals over kop en voor altijd Berlijn moest verlaten, liet zij twee koffers inpakken die verloren zijn gegaan. Maar misschien heeft ze haar blauwe Puppenklavier toch nog kunnen meenemen. In een ontroerend gedicht maakt ze die kleine piano tot symbool van wat verloren ging:

Ich habe zu Hause ein blaues Klavier
Und kenne doch keine Note.

Es steht im Dunkel der Kellertür,
Seitdem die Welt verrohte.

(...)

Een ander gedicht, Die Verscheuchte, heeft Klaus Mann opgenomen in zijn tijdschrift Die Sammlung, dat bij Querido in Amsterdam uitkwam. Een eerdere versie had Else Lasker-Schüler Das Lied der Emigrantin genoemd. In het gedicht staan de volgende twee regels:

Die Welt erkaltete, der Mensch verblich.
- Komm bete mit mir - denn Gott tröstet mich.

Na 1933 gaat Else Lasker-Schüler met een zekere regelmaat naar de synagoge en onderhoudt ze meer dan voorheen contacten met rabbijnen en anderen uit de Joodse gemeenschap. In Zürich bezoekt zij de synagoge van rabbijn Martin Littmann. De Joodse gemeente van Zürich betaalde voor de berooide dichter van Hebräische Balladen de huur van haar woning. Tweemaal is zij voor enige tijd naar het toenmalige mandaatgebied Palestina gereisd, in 1934 en in 1937. Van haar eerste reis heeft zij in haar boek Das Hebräerland verslag gedaan.

Op 27 maart 1939 reist Else Lasker-Schüler, ze is dan al 70, voor de derde keer naar Palestina waar ze op 4 april 1939 aankomt. Definitief, want Zwitserland zal haar geen inreisvergunning meer geven. Ze is ziek en moe. Er is een enkele foto van haar laatste levensjaren in Palestina en Miron Sima heeft een tekening van haar gemaakt. Een oude vrouw. Maar, zei Miron Sima, haar ogen kijken je doordringend aan en je hebt de indruk dat ze wil aftasten wat er in je omgaat. Else Lasker-Schüler is doodop, maar vindt toch de energie om nog zoveel mogelijk te doen. Ze schrijft brieven om achtergebleven vrienden en bekenden die gevaar lopen te helpen. Ze richt zich tot paus Pius XII met het verzoek zich om de Joden te bekommeren. Ze zet zich in voor betere relaties tussen Joden en Arabieren, doch unsere Brüder im Herzen. En ze dicht nog steeds. De in 1943 in Jeruzalem uitgekomen bundel, Mein blaues Klavier, Neue Gedichte, bevat naast de al in Zürich geschreven gedichten ook een aantal nieuwe gedichten. An Ihn, gedichten voor Ernst Simon die zij in Palestina heeft ontmoet. Op hem richt ze haar laatste liefdesgedichten, Komm zu mir in der Nacht - wir schlafen engverschlungen. Een dichterlijk verlangen, want van een liefdesrelatie is geen sprake geweest. Bovendien schrijft ze een eerste versie van een theaterstuk, IchundIch.

De gedichtenbundel Mein blaues Klavier werd goed ontvangen, door Werner Kraft bijvoorbeeld, door Schalom Ben-Chorin en de nog jonge Lea Goldberg. Maar ook in Palestina stuit Else Lasker-Schüler soms op weerstand. Op één van haar eerdere reizen wilde zij Hugo Bergmann opzoeken maar trof diens buurman Gershom Scholem. Aan hem vertelde ze over haar ontmoetingen en gesprekken met koning David en dat schoot Gershom Scholem in het verkeerde keelgat. Gershom Scholem schreef aan Walter Benjamin: Sie hat eine halbstündige Unterredung mit dem König David gehabt, über die sie nun von mir kabbalistischen Aufschluss verlangt. Und ich bin leider nicht einmal überzeugt, dass sie ihn wirklich gesehen hat. Op een andere plaats laat hij zich nog scherper over haar uit: Eine Ruine, in der der Wahnsinn weniger haust als gespenstert. Ook Martin Buber had zij over haar openbaringen verteld. Martin Buber ziet er evenmin iets in en probeerde haar het verschil tussen een openbaring en dichterlijke inspiratie uit te leggen. Daaraan had zij echter geen boodschap. Martin Buber heeft ook altijd getwijfeld over de betekenis van haar gedichten. Was het nou wat of was het niks? Toch ging Martin Buber op 20 juli 1941 naar de Berger Club in Jeruzalem waar Else Lasker-Schüler uit IchundIch las. Hij moest op de grond zitten want het was stampvol. Toch was niet iedereen gekomen. Gershom Scholem liet verstek gaan.

De lezers van deze tijd kunnen de gedichten van Else Lasker-Schüler op hun eigen merites beoordelen. Gedichten kunnen immers niet liegen. Else Lasker-Schüler staat de beoordeling niet meer in de weg. Haar gedichten worden nog steeds gelezen. En dat komt omdat zij haar gedichten heeft geleefd.

In Jeruzalem ging Else Lasker-Schüler graag naar de synagoge Emet weEmoena van rabbijn Kurt Wilhelm. Op 22 januari 1945 sterft ze. Kurt Wilhelm leidde de dienst en citeerde haar gedicht Ich weiss, dass ich bald sterben muss met als laatste regels: Ich setze leise meinen Fuss / Auf den Pfad zum ewigen Heime. A.J. Agnon zei Kaddiesj.

Naast de nieuwe biografie van Kerstin Decker heb ik gebruik gemaakt van een eerdere biografie uit 2004 van de hand van Sigrid Bauschinger, die veel feiten geeft. De biografie van Sigrid Bauschinger en ook Die Gedichte zijn te koop als Suhrkamp Tachenbuch. Verder verwijs ik naar de mooie uitgaven van het werk van Else Lasker-Schüler in de Jüdischer Verlag van Suhrkamp.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009