De memoires van Claude Lanzmann

Leo Frijda

vrijdag 10 juni 2011

Assimileren is ook kapotmaken, triomf van het vergeten. Er staan veel mooie zinnen in de memoires van Claude Lanzmann, De Patagonische haas, nu ook in het Nederlands verschenen. Lanzmann is vooral bekend door zijn film Shoah. Het ontstaan van die film komt uitgebreid aan de orde, maar in de memoires valt meer, veel meer te lezen. Lanzmann, geboren in 1924, heeft in zijn leven veel gedaan en veel mensen ontmoet. Zijn memoires weerspiegelen daarom een heel tijdperk. Bovendien heeft Lanzmann een verbazingwekkend goed geheugen. Tot in detail kan hij zich alles herinneren. Voor wie bewust de tweede helft van de vorige eeuw heeft meegemaakt, zijn deze memoires vaak een bron van herkenning. Ze zijn natuurlijk ook interessant voor jongeren die de tijd willen nemen om even achterom te kijken.

Lanzmann was nog maar negen jaar toen zijn ouders, Armand Lanzmann en Paulette Grobermann, uit elkaar gingen. Lanzmann bleef bij zijn vader. De families Lanzmann en Grobermann waren beide afkomstig uit Oost-Europa. Paulette was als baby met haar ouders naar Frankrijk gekomen. Haar vader, Yankel Grobermann, moet nog een gezagsgetrouwe Jood zijn geweest maar dochter Paulette, hoewel ze de neus had van ‘een dochter van Israël uit vroeger tijden’, zag religie uitsluitend als ‘poppenkast’.
Grootvader Itzhak Lanzmann kwam uit een sjtetl in de omgeving van Minsk en had, eenmaal in Frankrijk, zijn voornaam veranderd in Léon. Dat is veelbetekenend. Hij had alle banden met de Joodse wereld en zijn vroegere kennissen verbroken. Het gevolg van dit alles was dat Lanzmann van huis uit niet veel van het jodendom heeft meegekregen. Toen hij in 1952 per boot naar Israël ging, deelde hij een hut met een rabbijn. Hij was de eerste rabbijn die ik tegenkwam, moet Lanzmann tot zijn schande bekennen.

In zijn memoires komt een prachtige passage voor waarin Lanzmann beschrijft hoe hij op één van zijn eerste reizen naar Israël in Afoela was gestrand omdat het sjabbat was.

Als een schuchtere dief dwaalde ik rond de gebedsplaatsen, waar ik niet naar binnen durfde, ik begreep immers niets van wat er werd gezegd en gelezen, van wat er gebeurde, ik voelde me afgewezen, verstoten, buitengesloten door hen die ik tegen beter weten in bleef beschouwen als de mijnen omdat, door de willekeur van de omzwervingen en de geografie, ik in hun plaats had kunnen zijn en zij in de mijne. Maar zij waren echte Joden, zij hadden de kennis, kenden de gebeden, de liturgie, sommigen van hen kenden, ongetwijfeld, de Talmoed. Hoe dan ook, in die nacht overzag ik de macht van de godsdienst, de kracht van de strikte naleving daarvan.

Religieus is Lanzmann nooit geworden, al voelt hij zich aangetrokken tot de traditie, het gloeiende hart van het Joodse geloof. Voor de Joodse religie heeft hij altijd een verwondering van filosofische aard en een bewondering die ik nooit heb verloochend. Lanzmann wordt een keer meegenomen naar een jesjieve en hij komt daar onder de indruk van wat hij ziet. Een oude rabbijn en zijn leerlingen eten haringen en het gaat er daarbij wonderlijk aan toe. Mij is het te doen om de zinnen waarmee Lanzmann zijn verhaal afsluit:

Deze haringeters, deze onverstoorbaren, deze onverzettelijken, waren mijn volk, het Joodse volk dat sterker was dan duizend doden, en ik zou het niet verloochenen. Ik had gewild dat Sartre, de auteur van de Réflexions en mijn vriend, die avond bij me was geweest. Ik zou hem vertellen wat ik zojuist had gezien.

De memoires beslaan vele honderden bladzijden. Veel daarvan kan ik in deze column niet behandelen. Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir kunnen echter niet onvermeld blijven. Met De Beauvoir had Lanzmann een relatie die van 1952 tot 1959 duurde. Lanzmann tekent van haar een liefdevol portret. En dan Sartre, zijn vriend. In Réflexions sur la question juive uit 1947, het boek waarop Lanzmann doelt in zijn geschiedenis van de haringeters, had Sartre geschreven dat de Joden het product van de antisemieten zijn. Lanzmann vertelt in zijn memoires dat hij Sartre duidelijk heeft gemaakt dat diens boek herzien moest worden, herschreven, aangevuld, dat de Joden niet op de antisemieten hadden gewacht om te bestaan, dat ik daarginds (Lanzmann bedoelt Israël) een wereld, een religie en eeuwenoude tradities was tegengekomen, een volk op zijn manier subject van de geschiedenis, ondanks pogroms, vervolgingen en Holocaust.

Zoals steeds, constateert Lanzmann, kon ik de kolossale intellectuele goede trouw van Sartre vaststellen, zijn vermogen zijn eigen ongelijk te bekennen. Sartre moet tegen Lanzmann hebben gezegd: U hebt de Joodse eigenheid ontdekt. Schrijf een boek. Het zette Lanzmann op het goede spoor. Inderdaad, ik zou het over de situatie van de Joden kunnen hebben, over mezelf, over Israël, over Israël en mezelf.

In een interview met Ariejan Korteweg, geplaatst in de Volkskrant van 21 mei jl., geeft Lanzmann het volgende antwoord:

Het antisemitisme zoals ik dat al voor de oorlog op school in Parijs meemaakte, en de vervolging tijdens de oorlog, hebben me dieper getekend dan ik dacht. Ook de ontdekking van de jonge staat Israël, waar ik in 1952 rondreisde, was heel belangrijk. Tot dan wist ik niet dat er een Joodse wereld was. Ik was een slechte Jood, geloofde niet, deed niets aan de tradities, aan de taal, aan de feesten. Een slechte Jood ben ik nog steeds. Maar wel een slechte Jood die een groot deel van zijn leven aan het bestaan van Israël en de vervolging van het Joodse volk wijdt. Als getuige die er met het ene been in en met het andere erbuiten staat.

Lanzmann is een getuige geworden. Dat is zijn grote verdienste. Misschien kan je beter zeggen, hij heeft zich tot een getuige gemaakt. Met films als Pourquoi Israël en vooral Shoah, waaraan hij twaalf jaar heeft gewerkt, van 1973 tot 1985. Lanzmann wilde geen film maken over de sjoa maar een film die de sjoa is. Hij wilde met zijn film, schrijft hij in zijn memoires, iets in de plaats stellen van de niet-bestaande beelden van de dood in de gaskamers.

Van Treblinka, maar ook van andere Poolse concentratiekampen, ontbreken de beelden. Lanzmann vertelt in zijn memoires wat hij heeft ervaren toen hij voor het eerst het Poolse dorp binnenreed dat de naam Treblinka draagt. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Treblinka werd echt, de overgang van mythe naar werkelijkheid voltrok zich in een bliksemflits (...) ik moest filmen, filmen, en wel zo snel mogelijk. Op die dag werd me dat opgedragen. In Treblinka heeft Lanzmann met verschillende mensen kunnen spreken en hen kunnen filmen. Dat was nooit eerder gebeurd. Ja, ik was de eerste mens die terugging naar de plaatsen van de misdaad en zij, die nooit hadden gepraat, wilden losbarsten in een wilde woordenstroom.

Het is al geruime tijd geleden dat ik de film Shoah op de televisie heb gezien. Vooral de gesprekken van Lanzmann in Polen zijn me bijgebleven. Met Henryk Gawkowski bijvoorbeeld, de machinist van de treinen des doods die naar Treblinka gingen. Lanzmann begint Gawkowski een vraag te stellen: ‘Wanneer u de wagens voorttrok naar het einde van het perron ...’ en dan onderbreekt Gawkowski hem en corrigeert: ‘Nee, nee, zo ging het niet, ik trok ze niet, ik duwde’. Door dit detail, merkt Lanzmann op, werd ik overweldigd door waarheid, ik bedoel dat deze triviale mededeling me meer zei, van groter nut was voor mijn voorstellingsvermogen en begrip dan elke hoogdravende bespiegeling over het Kwaad, die onherroepelijk alleen zichzelf weerspiegelt. Hiermee formuleert Lanzmann precies de reden waarom Shoah zo’n belangrijke film is.

In mijn film legt een koor van zeer vele stemmen – Joodse, Poolse, Duitse – in een waarachtige constructie van het geheugen getuigenis af van wat is aangericht, schrijft Lanzmann. In zijn memoires legt hij zelf getuigenis af, in een waarachtige constructie van wat hij heeft gedaan en wat hem heeft bezield.

3 + 3 = ?

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.