Stadt der Dichter

Leo Frijda

vrijdag 15 april 2016

In mijn vorige column schreef ik dat ik het gevoel zou hebben de kinderen van de Joodse school van Tsjernivtsi in de steek te laten indien ik 6 april tegen het verdrag met Oekraïne ging stemmen. Dat behoeft een aanvulling. Eerst nadien zag ik de oproep van de leiders van de Oekraïense Joodse gemeenschap aan de Nederlandse bevolking. Daarin las ik dat onder de dodelijke slachtoffers van ‘Euromaidan’ ook Joden waren, onder wie Iosif Sjilling uit Drohobycz, de stad van Bruno Schulz, en Oleksandr Sjtsjerbanjoek uit Tsjernivtsi, de stad van Paul Celan, de Stadt der Dichter.

Mede in dit licht is de afloop van het referendum hoogst ongelukkig. Altijd heb ik gedacht dat politieke keuzes ook worden gemaakt met de verwachting van en de hoop op een betere toekomst. Geldt dat niet temeer indien het verleden, zeker het Joodse verleden in het oosten van Europa, zo zwart kleurt?

Op 25 maart wees ik op de verzamelbundel Literaturstadt Czernowitz waarin de vele schrijvers uit die stad worden besproken en met bijdragen zijn vertegenwoordigd. Deze week een boek met een soortgelijke titel: Czernowitz – Stadt der Dichter. De ondertitel luidt: Geschichte einer jüdischen Familie aus der Bukowina (1900-1948). Dit boek verscheen december vorig jaar bij Wilhelm Fink en bevat de herinneringen van Edith Silbermann, in 1921 in Czernowitz geboren. Amy-Diana Colin heeft die herinneringen uitgegeven en meldt dat Edith Silbermann, gestorven in 2008, in een door haar nog bij leven geconcipieerd voorwoord het volgende opnam:

In Czernowitz lebten neben Rumänen, Ukrainern, Österreichern, Deutschen, Polen und Armeniern so viele Juden, dass man den Eindruck hatte, dies sei eine jüdische Stadt. Jahrzehntelang hatten deutsche Sprache und österreichische Kultur das Leben in meiner Geburtsstadt geprägt. In Czernowitz erschienen deutsche Tageszeitungen; es gab eine angesehene deutschsprachige Universität, deutschsprachige Gymnasien, ein Theater, ganz nach dem Vorbild des Wiener Volkstheaters, und vieles mehr. Das Czerwnowitzer Bürgertum sprach und las ausschliesslich deutsch, und selbst Handwerker und kleine Kaufleute verwendeten im Alltag die deutsche Sprache, wenn sie diese auch ab und zu mit jiddischen Kraftausdrücken oder ukrainischen Flüchen spickten.

Ook zou Edith Silbermann tegen Colin hebben gezegd:

Zu meinen engen Jugendfreunden zählte Paul Celan, damals Antschel, der fast täglich in mein Elternhaus kam, da mein Vater, Karl Horowitz, die zweitgrösste Büchersammlung der Stadt besass, eine wahre Fundgrube für den wissensdurstigen Lyriker. Auch andere Lyriker gehörten zu unserem Freundeskreis: Immanuel (Oniu) Weissglas, Alfred Kittner, Rose Ausländer, Alfred Margul-Sperber, Itzik Manger und viele mehr …

Het boek bevat overigens meer dan alleen die herinneringen met veel beeldmateriaal. Twee CD’s zijn bijgevoegd. Edith Silbermann trad regelmatig op als zangeres en in het theater. De foto op de omslag is in 1964 in Wenen genomen, waar Silbermann optrad in het Theater am Börseplatz met Zichroines: Jiddische Erinnerungen, Ein-Frauen-Aufführung. Op de eerste CD die is bijgevoegd staan door haar gezongen Jiddisje liederen en op de tweede CD leest zij uit het werk van dichters uit Czernowitz.

Van Paul Celan leest Edith Silbermann onder meer Todesfuge en Nähe der Gräber, Nabijheid van de graven, waaruit ik in mijn column van 25 maart de eerste twee regels heb aangehaald. Ik noemde toen ook de eveneens uit Czernowitz afkomstige dichters Immanuel Weissglas en Alfred Kittner. Van Weissglas leest zij Babylonische Klage met de eerste regel: Wir sassen an den Wassern Babels, en van Kittner het gedicht Heimkehr. Beide gedichten weerspiegelen als het ware, want er is geen rechtstreeks verband, twee gedichten van Celan met gelijke titels: An den Wassern Babels en Heimkehr. Ook die gedichten staan op de CD. Verder gedichten en fabels van Itzik Manger en Elieser Steinbarg. Onder meer van Manger Die Ballade vom Juden, der auf den Jahrmarkt fuhr, en van Elieser Steinbarg Der Spiess und die Nadel.

Voor wie Stadt der Dichter koopt valt er dus veel te genieten. Ik heb echter ook enige kritiek. In 1995 was bij Rimbaud Verlagsgesellschaft al eerder een boekje van Edith Silbermann verschenen, Begegnung mit Paul Celan, waarin drie opstellen, Paul Celan im Kontext der Bukowiner Dichtung, Erinerungen an Paul Celan en Versuch einer Deutung. Bij Wilhelm Fink verscheen in 2010 bovendien het boek Paul Celan – Edith Silbermann, Zeugnisse einer Freundschaft. Daarin is Begegnung mit Paul Celan opnieuw opgenomen. Die tekst is een uittreksel uit de uitgebreider herinneringen van Edith Silbermann die nu in Stadt der Dichter zijn gepubliceerd. Met vaak dezelfde zinnen. Het eerdere boek uit 2010 bevat bovendien eveneens een CD met door Edith Silbermann voorgedragen gedichten van Celan. Het gaat voor een belangrijk gedeelte om dezelfde gedichten.

Het boek uit 2010 is vooral belangrijk omdat daarin vroege gedichten van Celan staan afgedrukt. Die gedichten zijn in het handschrift van Celan en door hem in Czernowitz aan Edith Silbermann gegeven. Het boek uit 2015 is vooral belangrijk omdat haar eerder gepubliceerde herinneringen aan Paul Celan nu in een bredere context staan. De twee citaten die in het begin van deze column staan, vatten dit samen.

Deze citaten maken zichtbaar dat Czernowitz, nu een weinig bekende stad in het zuidwesten van Oekraïne, indertijd een levendige plaats was, verbonden met andere belangrijke Europese centra. Karl Horowitz, de vader van Edith Silbermann, had in Wenen gestudeerd en reisde er ook na zijn huwelijk nog vaak naar toe. Altijd weer bracht hij boeken mee. ‘Mein Vater, Altphilologe und Germanist’, schrijft Silbermann, ‘hatte kistenweise Bücher aus Wien mitgebracht und steckte jeden Groschen, den er erübrigen konnte, in Bücher, so dass er in kürzester Zeit die zweitgrösste Bibliothek der Stadt besass, für den bildungshungrigen Schüler Paul eine wahre Fundgrube’. Al was dat wel tot verdriet van de vrouw van Karl Horowitz, Lisa Horowitz-Stadler, die al die boeken Staubfängern noemde. Zoals het een liefhebber betaamt, wilde Karl Horowitz niet dat boeken zijn huis verlieten. De vrienden Paul Celan en Immanuel Weissglas, in die tijd rond de twintig jaar oud, kwamen dus vaak langs. Waren schon wieder die Kadetten da? placht Karl Horowitz te zeggen. Door de bijzondere bibliotheek van haar vader leerde Edith Silbermann ook haar latere man, Jacob Silbermann, kennen, eveneens een groot boekenliefhebber. Door hem konden de ‘Kadetten’ tevens de meer moderne schrijvers lezen.

Ik gaf al aan dat in de uitgave van 2010 vroege gedichten van Celan in diens handschrift staan afgedrukt. Laat ik er één aanhalen, een gedicht uit begin jaren veertig. Het eerste couplet in het handschrift van Celan als voorbeeld:

De tekst zoals die uiteindelijk is gepubliceerd en de vertaling van Ton Naaijkens luiden als volgt:

Drüben

Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.

Von dort kommt nachts ein Wind im Wolkenwagen,
und irgendwer steht auf dahier …
Den will ich über die Kastanien tragen:
‘Bei mir ist Engelsüss und roter Fingerhut bei mir!
Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.'

Aan de overzijde

Voorbij de kastanjes begint de wereld pas.

Vandaar komt ’s nachts de wind in de wolkenwagen,
en iemand staat op alhier …
Hem wil ik over de kastanjes heen dragen:
‘Bij mij staan rood janskruid en wilde vlier!
Voorbij de kastanjes begint de wereld pas.’

Vlakbij de straat waar Celan heeft gewoond, ligt de Volksgarten. ‘Die Volksgarten’, schrijft Edith Silbermann, ‘hatte einen alten Bestand von Buchen, Kastanien und Ahornbäumen, dazwischen gab es Rasenflächen, von duftenden Jasmin-, Hagedorn- und anderen Sträuchern umsäumt.’

Langzamerhand weten we steeds meer over het leven van Paul Celan, vooral door de correspondentie met zijn echtgenote Gisèle Lestrange en met Ingeborg Bachmann en Ilana Shmueli, zijn bekendste en indringendste brievenboeken uit de tijd na de Sjoa. Maar ook van Brigitta Eisenreich en Gisela Dischner hebben wij sinds enkele jaren herinneringsboeken met brieven uit die latere tijd.

Celan hield er zijn leven lang vele relaties op na, soms ook gelijktijdig. Edith Silbermann irriteerde dat: ‘Er flatterte wie ein Schmetterling von einem Mädchen zum anderen.’ Interessanter is dat Celan ook voor Brigitta Eisenreich en Gisela Dischner gedichten schreef waardoor het beeld wordt aangevuld. Zo komen de kastanjebomen en andere bloeiende struiken uit de Volksgarten weer terug als Celan april 1968 in Londen, waar zijn tante Berta Antschel woont, in familiekring de seider viert. Net als volgende week op de avond van sjabbat.

3 + 3 = ?

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.