Kafka en de Joden uit Galicië

Leo Frijda

vrijdag 9 mei 2014

Ook de in Praag achtergebleven Joden, onder wie Kafka, zagen de gevolgen van de oorlog. Al in september 1914 kwamen op het station van Praag Joodse vluchtelingen uit Galicië aan, op de vlucht voor geweld en plundering. Arme Joden die Jiddisj of Pools spraken. En de stroom vluchtelingen zwol aan. Waren het in september nog zo’n 2.000, eind 1914 lag het aantal vluchtelingen al ruim boven de 10.000.

Voor de vluchtelingen moest worden gezorgd en dat deden de Joden van Praag. In Das jüdische Prag, een uitgave van het zionistische Selbstwehr uit 1917 met een verhaal van Kafka, staat ook een bijdrage van één van de vluchtelingenkinderen, Sarah Maiblum. Ik neem het maar helemaal over:

Over de liefdadigheid van de Praagse Joden is Sarah Maiblum zeer te spreken. Ze beschrijft het echter iets te mooi. Tussen de orthodoxe Joden uit Galicië en de al verregaand geassimileerde Joden van Praag bestonden grote verschillen. Sprake was, schrijft Kafka’s biograaf Stach, van een ‘kulturellen Schock’. Kafka registreerde dit feilloos toen hij op 24 november 1914 in de Tuchmachergasse was. Daar deelde het ‘Versorgungskomitee für jüdische Flüchtlinge’ die dag ‘oud ondergoed en kleding’ uit. In de vertaling van Nini Brunt:

De intelligente, levendige, trotse en bescheiden mevrouw Kannegiesser uit Tarnow, die maar twee dekens wilde, maar schone, en die toch, in weerwil van Max’ protectie, slechts oude en vuile kreeg, terwijl de goede, nieuwe dekens in een afzonderlijke kamer lagen waarin überhaupt alle goede stukken voor de betere mensen werden bewaard. Men wilde haar de goede ook daarom niet geven, omdat zij ze maar twee dagen nodig had, tot haar linnengoed uit Wenen kwam en omdat men gebruikte stukken wegens het gevaar voor cholera niet mag terugnemen.

Mevrouw Lustig met veel kinderen van allerlei grootte en een kleine zelfverzekerde, brutale, drukke zuster. Zij is zo lang bezig een kinderjurkje uit te zoeken tot mevrouw Brod tegen haar schreeuwt: ‘Neemt u nu toch eindelijk dit of u krijgt er helemaal geen.’ Maar nu antwoordt mevrouw Lustig met nog veel harder geschreeuw en eindigt met een groot wild gebaar. ‘De mitswe is toch meer waard dan al deze schmatten’.

‘Liefdadigheid is toch meer waard dan al deze lompen.’ De Praagse Joden keken veelal neer op de naar hun mening achtergebleven Joden uit het oosten. Maar andersom was dat eveneens het geval. En dat is alleszins terecht, meent Kafka. Nadat hij de ‘Vortragszyklus Ost und West’ had bijgewoond met voordrachten van zijn vriend Max Brod en een zekere W(iesenfeld), noteert hij op 11 maart 1915 in zijn dagboeken:

Oost- en westjoden, een bijeenkomst. De minachting van de oostjoden voor de joden hier. De rechtvaardiging van deze minachting. Hoe de oostjoden de oorzaak van die minachting kennen, doch de westjoden niet (…)

Zelfs Max, het ontoereikende, zwakke van zijn toespraak, jas openknopen, jas dichtknopen. En hier is toch goede, beste wil. Daartegenover een zekere W., in een ellendig jasje geknoopt, een boord dat niet vuiler meer kan worden, als feestboord omgedaan, schettert ja en nee, ja en nee. Een duivels onaangenaam lachje om zijn mond, rimpels in zijn jonge gezicht, bewegingen met zijn armen, wild en verlegen (…)

Ik als van hout, een in het midden van de zaal geschoven kapstok. En toch hoop.

Op 16 september 1915 vinden we deze dagboekaantekening:

De Poolse Joden gezien die naar het kol nidre gaan. De kleine jongen die met gebedsmantels onder zijn beide armen naast zijn vader loopt. Bijna zelfmoord niet naar de synagoge te gaan.

Vijf jaar later, september 1920, vinden we daarvan de echo terug als Kafka aan Milena Jesenská schrijft dat, had hij zelf kunnen kiezen, hij een kleine Joodse jongen uit het oosten had willen zijn, zonder een spoor van zorgen.

In 1920 bevonden zich in Praag opnieuw Joodse vluchtelingen uit het oosten. Wie Dagboek 1920 van Isaac Babel heeft gelezen, weet voor welke gruweldaden deze Joden toen op de vlucht waren. Kafka zag op 6 september van dat jaar ‘russisch-jüdische Auswanderer’ die in de feestzaal van het Joodse raadhuis waren ondergebracht, in afwachting van een uitreisvisum naar Amerika. Vaders, moeders, meisjes en jongens, in een paar weken zal men in Amerika zijn, schrijft Kafka in zijn brief aan Milena van een dag later. ‘So einfach ist es allerdings nicht,’ voegt hij daar echter wel aan toe, ‘Ruhrfälle sind dort schon vorgekommen, auf der Gasse stehn Leute und schimpfen durch die Fenster herein (…)’ ‘Aber wenn man klein ist, schnell alles überblickt und beurteilt, was kann einem dan geschehn?’

In die context staat de passage over een kleine Joodse jongen uit het oosten. Kafka formuleerde het zo:

Wenn man mir freigestellt hätte, ich könnte sein was ich will, dann hätte ich ein kleiner ostjüdischer Junge sein wollen, im Winkel des Saales, ohne ein Spur von Sorgen (…).

Die keus had Kafka echter niet. In een brief van november 1920 legt hij dat, zou je kunnen zeggen, aan Milena uit.

Wir kennen doch beide ausgiebig charakteristische Exemplare von Westjuden, ich bin, soviel ich weiss, der westjüdischeste von ihnen, das bedeutet, übertrieben ausgedrückt, dass mir keine ruhige Sekunde geschenkt ist, nichts ist mir geschenkt, alles muss erworben werden, nicht nur die Gegenwart und Zukunft, auch noch die Vergangenheit, etwas das doch jeder Mensch vielleicht mitbekommen hat, auch das muss erworben werden, das ist vielleicht die schwerste Arbeit, dreht sich die Erde nach rechts – ich weiss nicht, ob sie das tut – müsste ich mich nach links drehn, um die Vergangenheit nachzuhohlen (…)

Ich kann aus Eigenem nicht den Weg gehn, den ich gehen will, ja ich kann nur still sein, ich kann nichts anderes wollen, ich will auch nichts anderes.

3 + 3 = ?
ik lees nu Etzel Andergast, in het duits met gotische letters; ik ben diep onder de induk, vooral van Nina
Over Wassermann schreef ik voor Crescas twee columns, op 17.8 en 3.9 2010.

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010

Columns 2009

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.