sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Van 2009 tot en met 2016 schreef Leo Frijda literaire columns voor Crescas. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een deel van zijn columns onder de titel ''Het jodendom laat je niet los''. Eveneens bij Amphora Books verscheen begin 2015 ''Op het balkon van de elektrische tram'', een verzameling door hem geschreven opstellen over en rondom Franz Kafka.

vrijdag 16 mei 2014

Joseph Roth stierf op 27 mei 1939, over ruim een week vijfenzeventig jaar geleden. Voldoende aanleiding om hem te herdenken. In Amsterdam wordt daarom maandag 19 mei in de Stadsschouwburg een hommage aan Roth gebracht onder de titel Vlucht zonder einde. In de voor te dragen teksten staan de laatste levensjaren van Roth centraal. Wie nog geen kaarten heeft, kan op 1 juni naar Oostende gaan om daar deze literaire manifestatie te zien.

Dit herdenkingsjaar is bovendien een aantal boeken verschenen waar ik in deze column de aandacht op wil vestigen. De titel van de ode aan Roth van maandag aanstaande is ontleend aan zijn roman Die Flucht ohne Ende uit 1927. Vorige maand is in de reeks L.J. Veen Klassiek Vlucht zonder einde verschenen, in de vertaling van Elly Schippers en met een inleiding van de hand van Arnon Grunberg. Grunberg noemt Roth ‘een van de grootste connaisseurs van de ondergang die de twintigste eeuw heeft voortgebracht.’

Grunberg merkt in zijn inleiding terecht op dat het in deze roman niet gaat om “het trauma van de oorlogsverschrikkingen. Het probleem is eerder dat de militair terugkeert in een wereld die hij niet meer herkent en waarin hij ook niet meer echt welkom is.” De hoofdpersoon is Franz Tunda, eerste luitenant in het Oostenrijkse leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakt hij in Russische krijgsgevangenschap. Weer terug in Wenen en Parijs, weet hij niet meer wat hij moet doen. “Niemand in de wereld,” zo eindigt de roman, “was zo overbodig als hij.”

Afgelopen maart publiceerde Uitgeverij Bas Lubberhuizen Hotelmens, Reportages en brieven, samengesteld en van een nawoord voorzien door Els Snick. Het zijn de stukken die Roth schreef over de hotelwereld, vooral voor de Franfurter Zeitung, aangevuld met enkele brieven. Het boekje is verlucht met schitterende tekeningen van Peter van Hugten die wonderwel passen bij de teksten van Roth.

Roth leefde in hotels: “Sinds mijn achttiende heb ik nooit in een huis gewoond. Ik logeerde hooguit een keer een week bij vrienden. Alles wat ik heb zit in drie koffers.” Hij schreef: “Ik zou het hotel tot een thuis degraderen als ik het niet zonder meer zou verlaten. Ik wil me hier thuis voelen, maar niet thuis zijn.” En iets verderop in hetzelfde stuk:

Gelukkig staat er niets in deze kamer, geen enkel voorwerp, waarvan de aanblik mij treurig zou maken! Geen oude suikerpot, geen bureau dat aan mijn oom heeft toebehoord, geen portret van mijn grootvader van moederszijde, geen wastafel met vermiljoenrode bloemetjes waar een fijn barstje door loopt, geen plank in de vloer die behaaglijk kraakt en waar je ineens van bent gaan houden, alleen omdat je vertrekt, geen geur van gebraden rosbief uit de keuken en geen koperen vijzel als decorstuk op de kleerkast in het kamertje naast de gang! Niets! Als mijn koffers weg zijn, komen hier andere te staan.

Toch kreeg ook Roth een band met de hotels waar hij verbleef. Over het hotel in Paris, waar hij lang heeft gewoond, zei hij: “Ik hou van mijn Hôtel Foyot.” Hij heeft dat hotel in 1938, een jaar voor zijn dood, voor zijn ogen zien afbreken. Daarover schreef hij op 25 juni in Das Neue Tage-Buch:

Nu zit ik tegenover de lege plek en hoor de uren voorbijglijden. Zo raak je het ene vaderland na het andere kwijt, zeg ik tegen mezelf. Hier zit ik met mijn wandelstok. Mijn voeten zijn kapot, mijn hart is moe, mijn ogen zijn droog. De ellende komt naast me zitten, wordt steeds zachter en dieper, de pijn blijft overeind staan, wordt sterk en goedig, de angst beukt erop los en kan geen angst meer inboezemen. En dat is nu juist zo troosteloos.

Els Snick is als docente Duits verbonden aan de universiteit Gent. In 2011 is zij in Utrecht gepromoveerd op het proefschrift Joseph Roth in den Niederlanden und Flandern: Vermittlung, Vernetzung und Orchestrierung eines vielseitigen Autors im niederländischsprachigen Kontext 1924-1940. Ik noemde dat proefschrift in mijn column van 13 januari 2012.

In 2013 publiceerde Snick, eveneens bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Waar het me slecht gaat is mijn vaderland, Joseph Roth in Nederland en België. Een informatief boek dat dit jaar terecht al een derde druk beleefde. Centraal staat het jaar 1936, toen Roth langere tijd in Amsterdam en in Oostende was. Over de aanwezigheid van Roth in Amsterdam gaat mijn column van 1 juli 2011. In mijn columns van 23 oktober 2011 en 28 oktober 2011, geschreven naar aanleiding van de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig, komt Oostende ruimschoots aan bod omdat beide schrijvers, en zij niet alleen, de zomer van 1936 in die Belgische badplaats doorbrachten.

Over deze zomer van 1936 hebben we intussen verschillende uitgaven. In 2001 verscheen bij Uitgeverij Atlas het boek van Mark Schaevers Oostende, de zomer van 1936. Nu dus ook het boek van Els Snick. Bovendien verscheen dit voorjaar bij Kiepenheuer & Witsch Ostende 1936, Sommer der Freundschaft van de hand van Volker Weidermann (de schrijver van Das Buch der verbrannten Bücher).


Roth en Zweig

In Oostende is een foto genomen waarop Roth en Zweig samen te zien zijn. Je hebt de neiging, schreef ik in 2011, om die foto wat langer te bestuderen en daaruit af te leiden hoe Zweig en Roth met elkaar omgingen. Mark Schaevers houdt in zijn boek een slag om de arm maar merkt toch op: “In de blik van Zweig (…) valt gemakkelijk een mengeling van bezorgdheid en bewondering ten overstaan van Roth te lezen. In de blik van Roth gelatenheid, gereserveerdheid, onbereikbaarheid.” Niet onjuist, lijkt me, want ook in de briefwisseling met Roth vind je bij Zweig die mengeling van bezorgdheid en bewondering. De manier waarop Schaevers naar de blik van Roth kijkt, spreekt me eveneens aan. Roth staat de laatste jaren van zijn leven altijd zo op foto’s.

Wat nu zeggen Snick en Weidermann over deze in Oostende genomen foto? Snick meent dat Zweig Roth ‘broederlijk’ aankijkt. Ook niet zo gek want Zweig heeft gezegd dat hij van Roth als van een broer hield. Roth kijkt volgens Snick ‘mismoedig in de lens'. Roth had het echter zo slecht nog niet in Oostende. Zweig was gul, hij betaalde voor Roth de hotelrekening en een nieuw pak. Roth had in Oostende bovendien de schrijfster Irmgard Keun ontmoet met wie hij een relatie begon.

Ook Weidermann kan het niet laten zijn mening over de foto te geven. Hij maakt er nog veel meer van dan Schaevers en Snick. Dat zal er wel mee te maken hebben dat hij zijn zomer van vriendschap in de vorm van een vertelling giet. Weidermann laat Lotte Altmann, toen nog de secretaresse en geliefde van Zweig, de foto nemen. Zweig had Roth, die liever binnen zat, weten over te halen om samen met hem op een terras te komen zitten. Weidermann:

Eigentlich reicht es Roth ja schon, dass er sich hier die Sonne auf den Kopf scheinen lassen muss, aber er hat keine rechte Lust, sich zu wehren, an diesem schönen Tag. Er schaut also etwas skeptisch, beinahe kampfeslustig in Lottes Linse, spöttisch zieht er die rechte Augenbraue ein wenig nach oben (…)
Unsicher hält er sich ein wenig am Tisch fest, legt die Hand mit den nikotingelben Fingern, zwischen denen eine fast aufgerauchte Zigarette klemmt, neben das halb volle Glas Weisswein, während Zweig näher rückt, an den Freund heran (…)
Lotte sieht Zweigs Blick durch die Linse, wie er auf seinen Freund, ja, herabschaut, aber es ist ein väterliches Herabschauen oder das eines grossen Bruders, weich, liebevoll, etwas besorgt. Er sitzt da, mit einem gütigen Lächeln, und durch Lottes Kamera sieht es so aus, als hätte er gern den Arm um die Schultern des Freundes gelegt. Und Roth sieht so aus, als fürchte er genau eine solche beschützende Geste.

Niet onaardig natuurlijk, al heb ik enige voorkeur voor de voorzichtige omschrijving van Schaevers. Dit brengt mij op het volgende. Achterin zijn boek bedankt Weidermann een aantal personen die hem hebben geholpen bij het verzamelen van materiaal over Oostende 1936 en de daar toen aanwezige schrijvers. Hier ontbreken Schaevers en Snick. Mogelijk is dit een taalkwestie. Maar vooral het boek van Schaevers heeft min of meer dezelfde opzet als dat van Weidermann. Schaevers verdient als zijn voorganger een vermelding.

Ook Egon Erwin Kisch verbleef zomer 1936 aan de Belgische kust. Hij zag dat Roth en Keun een relatie aangingen en samen in Hôtel de la Couronne verbleven.

Over de relatie tussen Roth en Keun zei Kisch: “Sie versucht ihm das Trinken abzugewöhnen und er, es ihr anzugewöhnen. Ich glaube er gewinnt.” Maar ondanks hun overmatig alcoholgebruik blijven ze allebei schrijven. Het is Roth die Keun dwingt daarmee dagelijks onvermoeid door te gaan, al is het wel in het café. “Schreiben das ist eine heilige Pflicht.” Roth zei eens tegen zijn vriend Soma Morgenstern: “Wenn du willst, zeige ich dir in jedem meiner Bücher die guten Stellen, die ich einem guten Calvados verdanke.” Keun schreef in Oostende aan haar roman Nach Mitternacht. Roth herschreef het tweede gedeelte van Beichte eines Mörders en schreef tegelijkertijd aan Das falsche Gewicht. “Es ist Stefan Zweig,” schrijft Weidermann, “mit dem er die zweite Hälfte der Beichte noch einmal überarbeitet. Er liest ihm vor und übergiebt dem Freund die Seiten im ersten Entwurf.”

Zweig van zijn kant wilde in Oostende zijn legende Der begrabene Leuchter afmaken. Aan Roth, toen nog in Amsterdam, had hij al op 1 mei geschreven: “Jetzt schreibe ich an einer jüdischen Legende. Ich glaube sie wird gut.” Op 20 mei herhaalt Zweig dat: “Ich glaube sie wird gut, so schwer ich solches auch ausspreche.” Daaraan voegt hij toe: “Im Stilistischen bin ich nicht ganz sicher. Da brauche ich Ihre Nachschau. Aber im ganzen könnte es wohl bestehen. Ich kann nur Dinge jetzt schreiben, die Bezug haben auf die Zeit und von denen etwas Bestärkendes ausgeht trotz der tragischen Anschauung.” Eind juni, vlak voor het gezamenlijk verblijf in Oostende, schrijft Zweig nog aan Roth: “Es wäre ein Glück für mich Sie als literarisches Gewissen für jene Legende dort zu haben. Wir könnten abends gemeinsam uns prüfen und belehren wie in alten guten Zeiten.”

Op grond van deze briefwisseling wijzen Schaevers en Snick terecht op de behoefte van Zweig om met Roth over zijn ‘Joodse’ legende te praten. De in Galicië geboren en getogen Roth had in zijn jeugd meer van het jodendom meegekregen dan Zweig, afkomstig uit een verregaand geassimileerd Weens gezin.

Weidermann gaat er dieper op in. In zijn vertelling bespreken Zweig en Roth in de zomer van 1936 de legende Der begrabene Leuchter “so intensiv und genau, wie sie es lange Zeit nicht mehr getan haben und wie sie es mit keinem anderen können.” Aan het eind van hun gezamenlijk verblijf in Oostende, aldus Weidermann, ontvangt Zweig een door Roth beschreven blad met een voorstel voor een in de legende op te nemen tekst. Zweig neemt die tekst, aangepast aan de eigen stijl, over. Weidermann: “Ein bisschen wird es ihr gemeinsames Buch.” “Es ist eine Beschwörung, die Zweig hier mit Roths Hilfe schreibt. Eine Beschwörung des Glaubens und der Hoffnung auf eine Ende der Flucht.”

Toen Roth op 27 mei 1939 was overleden, schreef Zweig dat hij juist hem zo graag mocht “diesen jüdischsten aller Menschen.”

Delen |

Uw reactie:

vul de beveiligings-code in
jan 2017Een laatste column
okt 2016Kafka’s dierentuin
okt 2016De verbanning van de dood
sep 2016De kleine marktplaats Sadagora
sep 2016Irmgard Keun
aug 2016Brody
jul 2016Clarice Lispector
jun 2016Vuurontstekers
mei 2016Itzik Manger uit Czernowitz
apr 2016Tel me bij de amandelen
apr 2016Stadt der Dichter
apr 2016Tsjernivtsi
mrt 2016Langs de zuidelijke Boeg
mrt 2016In de schaduw van een boom
feb 2016Lin Jaldati
feb 2016Winternabijheid
jan 2016Bleib gesund!
dec 20152015
dec 2015Ruiter in de wolken
nov 2015Hommage aan Andreas Burnier
sep 2015'Jij schrijdt in trotse vrijheid'
sep 2015Een handvol sneeuw
aug 2015Schaduwen van het verleden
aug 2015Onze geschiedenis
jul 2015Damals im Romanischen Café
jul 2015Café Grössenwahn, Königin aller Cafés
jun 2015Kurt Löb
mei 2015Van hagedissen en ratten
mei 2015De benoemer en de verzwijger
apr 2015Aghed
feb 2015Asperges en gevulde eieren
jan 2015Op het spoor van Patrick Modiano
jan 2015Terugblik
nov 2014Mooie series
nov 2014Met een boek naar het museum
aug 2014Appie Drielsma (1937-2014)
jul 2014Opzij geschoven en gezwegen
jul 2014Exilliteratuur
jun 2014Kurt Lehmann of ook Konrad Merz
mei 2014Hommage
mei 2014Joseph Roth (1894-1939)
mei 2014Kafka en de Joden uit Galicië
mei 2014Schrijf dat op, Kisch!
apr 2014Kafka augustus 1914
feb 2014Heine, een voorproefje
jan 2014Kafka's raam
jan 2014Arnold Zweig en Hermann Struck
jan 2014Arnold Zweig
dec 2013Mijn lijstje 2013
dec 2013Nogmaals Jacob Israel de Haan
nov 2013Austerlitz
nov 2013W.G. Sebald
okt 2013Freud, Kafka en Wenen
sep 2013Marcel Reich-Ranicki (1920-2013)
sep 2013De beslissing
aug 2013Dan Pagis
aug 2013jewsandwords
aug 2013Voor de wet
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (2)
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (1)
mei 2013Klassenfoto met Walter Benjamin
mei 2013Amsterdam
apr 2013Treinreis naar Czernowitz
apr 2013Het Odessa van Jabotinsky
mrt 20131913
feb 2013Selma Meerbaum-Eisinger
feb 2013Van majestueuze katten en onmuzikale schrijvers
jan 2013Ravensbrück
jan 2013Milena Jesenská
dec 2012Mijn lijstje 2012
dec 2012Varia
nov 2012Schiller in Barnow
nov 2012De gedaanteverwisseling
nov 2012Joseph Schmidt
okt 2012Rondom Kafka (2)
okt 2012Appelfeld en Kafka
okt 2012Appelfeld en de taal
sep 2012Met Kafka naar de synagoge
sep 2012Rondom Kafka
aug 2012Vriendschap
jul 2012Kalman Polgar
jul 2012Een knipoog naar Max Brod
jun 2012Steinbarg en Manger
jun 2012Josef Burg
jun 2012Klara Blum
mei 2012Mythos Czernowitz
mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon