sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Van 2009 tot en met 2016 schreef Leo Frijda literaire columns voor Crescas. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een deel van zijn columns onder de titel ''Het jodendom laat je niet los''. Eveneens bij Amphora Books verscheen begin 2015 ''Op het balkon van de elektrische tram'', een verzameling door hem geschreven opstellen over en rondom Franz Kafka.

vrijdag 6 januari 2017

Acht jaar lang schreef ik columns voor Crescas, vooral over Joodse schrijvers. Crescas ben ik dankbaar dat mij die mogelijkheid werd geboden, want ik deed het met veel plezier. In het begin waren de columns enigszins educatief gekleurd, maar het was ook toen al tevens een zoektocht naar mijn eigen geschiedenis.

Ik ontdekte, zo beëindigde ik mijn eerste boek met een aantal oudere columns, dat veel schrijvers hebben geworsteld met hun jodendom, ze waren terechtgekomen in het onzekere gebied tussen assimilatie en traditie. Ze waren vaak Joden op bevel. Meestal niet erg orthodoxe Joden maar wel Joden die, ieder op hun eigen manier, hun jodendom niet konden en ook niet wilden loslaten. Ik ben Jood, ik ben Jodin, zei uiteindelijk ieder van hen. De titel van dat eerste boek was dan ook Het jodendom laat je niet los. Passend, voor mijzelf en, dunkt me, voor wat Crescas beoogt.

Daarna zijn mijn columns nog meer bepaald door eigen voorkeur. Dat vond zijn neerslag in de tweede bundel met columns, onder de titel Op het balkon van de elektrische tram. Daarin staat ‘mijn’ Kafka centraal. Mijn Kafka, schreef ik, is een Jood in Praag en staat op het balkon van de elektrische tram en is onzeker over zijn positie in deze wereld, in deze stad, in zijn familie. De voor Crescas geschreven columns over Kafka heb ik aangevuld met enkele nieuwe stukken en met bijdragen over schrijvers die in verband staan met Kafka en zijn tijd, of zich over Kafka hebben geuit. Het gaat daarbij, schreef ik in de inleiding op mijn tweede boek, vooral om mijn persoonlijke associaties en nasporingen bij het lezen van en over Kafka.

De titel, Op het balkon van de elektrische tram, is afgeleid van een verhaal van Kafka, De passagier, en ik kon het niet laten mij bij hem te voegen en ook plaats te nemen in die tram. Slechts af en toe liet ik daarover iets los. Bijvoorbeeld in het hoofdstuk waarin ik aanhaal dat Kafka in zijn jonge jaren bier placht te drinken samen met zijn vader. En in de hoofdstukken over Kafka en Joseph Roth in Parijs. Vooral echter in het laatste hoofdstuk: ‘Meer dan troost is: ook jij hebt wapens.’ Daarin gaf ik het woord aan Paul Celan, die zich in zijn gedichten vaak spiegelt aan Kafka. De Hebreeuwse naam van Kafka was ‘Anschel’ en Celan verbindt dit met de eigen achternaam, oorspronkelijk Antschel. Op internet vond ik een Paula Frijda-Anschel, waardoor ik, zo schreef ik ‘voorzichtig’, ‘op een eerbiedige afstand meedoe met Kafka en Celan’. ‘Kafka en Celan, twee van de grootste Joodse schrijvers die de vorige eeuw hebben doorleefd en ons in en met hun werk de hand reiken.’

De laatste maanden heb ik geen columns meer geschreven. Ik moest even bijkomen van een ongemak dat mij trof. Het bleek ook verstandig eens na te denken over wat ik de komende tijd graag zou willen doen. Geen nieuwe, mijn aandacht versnipperende columns maar, bedacht ik, de hiervoor bedoelde handreiking in een meer persoonlijk gekleurd perspectief uitwerken. Dat zou ik wel eens willen proberen. U moet mij dat maar gunnen, ook al kan ik er natuurlijk niet voor instaan dat het daadwerkelijk lukt.

De lezers van mijn columns wens ik een voorspoedig 2017. Van sommigen van hen kreeg ik af en toe een aardige reactie of interessante aanvullingen. Dan schrijft men niet in het luchtledige!

Delen |

zaterdag 15 oktober 2016

Op 7 oktober 2015 heb ik in een lezing voor de Nederlandse Kafka-kring mogen spreken over de Joodse kant van Kafka. Mij was gevraagd iets te zeggen over wat Kafka in zijn jeugd van het jodendom had meegekregen en welke betekenis dit kan hebben gehad voor zijn latere leven.

Als rode draad nam ik Jom Kipoer en ik begon met een citaat uit Kafka’s dagboeken van een eeuw eerder. Op 16 september 1915 noteerde Kafka:

De Poolse Joden gezien die naar het kol nidre gaan. De kleine jongen die met gebedsmantels onder zijn beide armen naast zijn vader loopt. Bijna zelfmoord niet naar de synagoge te gaan.

Onder de titel Met mijn vinger op de landkaart is deze lezing verschenen in deel 4 van de Kafka-Cahiers, een uitgave van de Nederlandse Kafka-Kring. Samen met de lezing van Reiner Stach, de biograaf van Kafka, over Frühe Keime zu Kafkas Autorschaft. Het kleine boekje is via internet te bestellen en kost € 6,50 inclusief verzendkosten. Wie donateur van de kring is of voor het eind van dit jaar wordt, krijgt het ten geschenke.

Franz Blei (1871-1942) publiceerde (voor de eerste keer in 1920) Das grosse Bestiarium der deutschen Literatur waarin hij de schrijvers van zijn tijd vergelijkt met een dier. Blei vond zichzelf een Süsswasserfisch, en Brod, auch Maxbrod genannt, ein neuerdings viel in jüdischen Tempeln gehaltenes Haustier. Heinrich en Thomas Mann gehören, volgens Blei, zu einer Familie mittelgrosser Holzböcke. En Kafka? Kafka ist eine sehr selten gesehene prachtvolle mondblaue Maus, die kein Fleisch frisst, sondern sich von bittern Kräutern nährt. Ihr Anblick fasciniert, denn sie hat Menschenaugen.

Kafka, door Franz Blei dus niet onaardig omgetoverd tot een muis met mensenogen, schreef een groot aantal dierenverhalen, te beginnen met De gedaanteverwisseling. Reiner Stach vatte dit zo samen in het tweede deel van zijn biografie:

Im Werk Kafkas markiert Die Verwandlung den Beginn einer ganzen Serie von denkenden, sprechenden und leidenden Tieren, von gelehrten Hunden und gierigen Schakalen, psychotischen Maulwürfen, abgeklärten Affen und eingebildeten Mäusen – ein Topos, dessen Wurzeln offenbar bis ins tiefste innerpsychische Dunkel reichten und das zugleich so schmiegsam, vielgestaltig und vieldeutig war, dass es fast beliebige erzählerische Nuancierungen erlaubte.

En daarmee zijn we bij de bijeenkomst van de Kafka-Kring van dit jaar met als thema Kafka’s dierentuin. De bijeenkomst vindt plaats op 6 november in het Goethe-Institut aan de Herengracht 470 te Amsterdam en duurt van 14.00 tot 17.00 uur. Voor € 5,- kan men de bijeenkomst bijwonen. Donateurs hebben vrij toegang.

Het veelbelovende programma met interessante sprekers luidt als volgt:

Het is een bekend feit dat in opvallend veel verhalen van Kafka velerlei dieren een (hoofd)rol spelen. Denk aan bekende verhalen als Die Verwandlung, Ein Bericht für eine Akademie, Forschungen eines Hundes en Der Bau, maar ook aan de minder bekende Eine Kreuzung, Der Geier, Kleine Fabel, en bijna onbekende als Das weisse Pferd en Die denkenden Pferde von Eiberfeld.

Tijdens Kafka’s dierentuin staan in drie lezingen twee verhalen centraal: Ein Bericht für eine Akademie en Der Bau.

Kafka’s denkende aap en zijn Zürauer beschouwingen door Niels Bokhove, voorzitter van de Kafka-Kring.
Onder andere over het vrijheidsbegrip van chimpansee Rotpeter en zijn schepper (‘zijn’ in de titel dus dubbel verwijzend!), zoals dat kort na het ontstaan van dit verhaal aan de orde kwam in de aforismen en overpeinzingen die Kafka in Zürau 1917-18 schreef.

Kafka’s zoölogische droomwereld door Maarten Frankenhuis, oud-directeur van Artis.
In 1917 laat Kafka de voormalige aap Rotpeter een van zijn meest intrigerende vertellingen beginnen met: “Hohe Herren von der Akademie! Sie erweisen mir die Ehre, mich aufzufordern, der Akademie einen Bericht über mein äffisches Vorleben einzureichen …”. Bijna vijf jaren blijken hem te scheiden van zijn leven als aap. Een opmerkelijk verschil met de miljoenen jaren die Franz Kafka scheiden van zijn eigen aapachtige voorouders. Een fascinerend reisverslag en een al even boeiende evolutionaire ontwikkeling van onze soort maken duidelijk hoe de familie Kafka uiteindelijk terechtkwam in het getto van Praag.

Franz Kafka, der Bau un der Erste Weltkrieg door Julia Encke, redacteur literatuur Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung.
“Wer nicht sehen kann, muss hören”, lautet mit Eintritt des Stellungskriegs im Herbst 1914 die Devise für die Soldaten, die im Erdreich verschwinden und deren Blick im Krieg unter der Erde nicht weiter reicht als bis zur nächsten Grabenwand. Es herrscht andauernder Alarmzustand, überall auf dem Schlachtfeld: in den Unterständen, den Gräben und Trichtern und auf den Schanzen im Krieg im Gebirge. Mit dem Dröhnen der Schlacht, dem Donnern der Kanoner, dem Sausen und zwischen der Granaten und dem Rattern des Maschinengewehrs beginnt eine nie gekannte Belagerung des Ohrs. Das gilt auch für den unterirdischen Minenkrieg, wo mit Hilfe neu erfundener Horchapparate in der Stille gehört wird, um den Feind zu orten, wo die Soldaten in jeder Sekunde auf die Sprengung des Gegners gefasst sein müssen. Es hat wohl kein literarischer Tekst dieses Phänomen des ‘Hörens in der Stille’ so eindringlich beschrieben wie Franz Kafkas im Winter 1923/4 entstandene grosse Erzählung Der Bau. Ihr ist der Vortrag gewidmet.

Als intermezzo draagt acteur Boris van den Wijngaard voor en na de pauze enkele korte, relatief onbekende dierenverhalen van Kafka voor.

Niels Bokhove, voorzitter van de Kafka-Kring en sinds lang de kenner van Kafka in Nederland, is als eerste aan het woord over Ein Bericht für eine Akademie (Een verslag voor een academie). In dat verhaal doet een chimpansee, Rotpeter, verslag over zijn vroegere leven als aap. Rotpeter vertelt de geëerde heren van de academie dat hij er na zijn gevangenneming voor heeft gekozen de mensen na te doen omdat hij een uitweg zocht. Het was niet de vrijheid die hij verlangde, alleen een uitweg, zegt Rotpeter met nadruk. Die in het verhaal voorkomende centrale passage maakt mij zeer nieuwsgierig naar het aangekondigde verband tussen Een verslag voor een academie en de belangrijke maar ook moeilijk te duiden overpeinzingen die Kafka daarna in Zürau aan het papier heeft toevertrouwd.

In een heel andere context komt de chimpansee Rotpeter terug in de lezing van Maarten Frankenhuis, de oud-directeur van Artis. Frankenhuis is voor de deelnemers aan Crescas geen onbekende en hij kan, ik weet het uit eigen ervaring, bijzonder goed vertellen en schrijven. Van zijn pen zijn onder meer Droomonderduik en Overleven in de dierentuin. De oorlogsjaren van Artis en andere parken. Beide boeken zijn gepubliceerd bij 2010 Uitgevers. Voor de Kafka-Kring zal Frankenhuis, zo begrijp ik, Kafka’s verhaal Een verslag voor een academie plaatsen in of naast de evolutionaire ontwikkeling van aap tot mens, een lange reis die de familie Kafka uiteindelijk tot in het getto van Praag bracht.


Ansichtkaart van de Schützengraben in Praag
uit Hartmut Binder, Kafkas Welt, Rowohlt 2008)

In Der Bau (Het hol) leeft een dasachtig dier onder de grond dat zich door allerlei constructies tegen het binnendringen van een vijand probeert te beschermen. Het dier ziet de vijand niet maar hoort deze wel. Het verhaal biedt stof voor verschillende interpretaties. Maar dat is bij Kafka vrijwel altijd het geval.

Julia Encke, de chef literatuur van de Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung, legt blijkens de aankondiging van haar bijdrage een verband met de loopgraven die in de Eerste Wereldoorlog gebruikelijk waren. Kafka was niet dienstplichtig, maar de gevolgen van de oorlog ontgingen hem niet. Al begin november 1914 had hij van zijn zwager Josef Pollak (Pepa) over de loopgraven aan het front gehoord. In zijn dagboeken komt de volgende passage voor:

Pepa terug. Schreeuwend, opgewonden, buiten zichzelf. Verhaal van de mol die in de loopgraaf onder hem groef en die hij voor een goddelijk teken hield, van die plek weg te gaan. Nauwelijks was hij weg of een soldaat die hem achterna was gekropen en zich nu boven de mol bevond, werd door een schot getroffen.

Bijna een jaar later, op 24 september 1915, werd in Praag de Schützengraben geopend, bedoeld om de burgers aan het thuisfront te laten zien hoe het aan het front toeging. De Schützengraben lag, schrijft Hartmut Binder, op het vroegere Kaiserinsel en er was een uitkijkpost van waaruit men van boven zicht had op de loopgraven. Ook Kafka heeft die bezocht. Op 6 november 1915 noteert hij in zijn dagboeken: “Kijken naar de mierenbeweging van het publiek bij en in de loopgraaf”. Hij stond toen dus waarschijnlijk op de uitkijkpost.

In Kafka, Prag und der Erste Weltkrieg, in 2012 uitgegeven door Manfred Engel en Ritchie Robertson, lees ik dat Julia Encke vooral in haar proefschrift uit 2006 het verband tussen de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog en Het hol heeft uitgewerkt. “Eine ihrer Hauptgeschichtspunkte ist dabei, wie die Technik der Grabenkämpfe im Ersten Weltkrieg vor allem den Gehörsinn herausfordert, mit dem der Feind geortet werden muss.”

Ook van Julia Encke kunnen we op 6 november ongetwijfeld een boeiende lezing tegemoet zien.

Delen |

zondag 9 oktober 2016

Philippe Claudel, ik lees hem altijd graag, schreef De boom in het land van de Toraja. Deze roman, vertaald door Manik Sakar, is juni van dit jaar verschenen bij De Bezige Bij. Op de flap staat dat de hoofdpersoon, een filmmaker van middelbare leeftijd, door het overlijden van zijn beste vriend nadenkt over de plek die de dood in het leven heeft. Dat nadenken levert de volgende overpeinzing op:

In de twintigste eeuw, de eeuw waaruit ik stam, hebben beschavingen hun kennis aangewend voor twee belangrijke, tegenstrijdige wegen: de zoektocht naar steeds efficiëntere vernietigingsinstrumenten en de verbetering van de bestaansomstandigheden en het behoud van de menselijke soort. Bij beide heeft de mens de wetenschap gebruikt: natuurkunde en scheikunde om de dood te brengen, geneeskunde en farmacie om de mens zo lang mogelijk in leven te houden.

Op 28 augustus jongstleden was Andrea Maier te gast bij de VPRO. Zij is hoogleraar ouderengeneeskunde en gerontologie. Minst genomen verrassend was dat zij veroudering omschreef als een ziekte en niet zozeer als een natuurlijk proces tussen geboorte en dood. Tegen die ziekte, tegen de dood zou je ook kunnen zeggen, zal op termijn, meent Andrea Maier, een medicijn worden gevonden. Vragen wat dat betekent, werden of niet gesteld of niet beantwoord, omdat Andrea Maier uitdrukkelijk binnen haar vakgebied wilde blijven en haar vakgebied is, in de woorden van Claudel, de “geneeskunde en farmacie om de mens zo lang mogelijk in leven te houden”.

Ook Elias Canetti (1905-1994) schreef over “de verbanning van de dood” en van hem verscheen kortgeleden de Nederlandse vertaling van Het boek tegen de dood, een boek dat Canetti overigens nooit heeft geschreven.


Elias Canetti, Het boek tegen de dood, vertaling Ria van Hengel,
nawoord Peter von Matt, privé-domein, De Arbeiderspers 2016

Canetti moet zich al eind jaren dertig hebben voorgenomen een boek tegen de dood te schrijven. Op 15 februari 1942 noteert hij echter:

Vandaag heb ik besloten mijn gedachten tegen de dood te noteren zoals het toeval ze mij aangeeft, zonder enige samenhang en zonder ze aan een tiranniek plan te onderwerpen. Ik kan deze oorlog niet laten voorbijgaan zonder in mijn hart steeds maar weer te slaan met de hamer die de dood bedwingt.

Het boek tegen de dood heeft Canetti uiteindelijk nooit geschreven, maar hij heeft wel steeds zijn “gedachten tegen de dood” genoteerd. Zonder ze aan een tiranniek plan te onderwerpen. In 1965 kon hij daarom schrijven: “de hoofdzaak van wat er tegen de dood te zeggen is, bestaat, in de Aufzeignungen, en misschien valt die wel bijzonder op tussen alles wat zo heel anders is”. En zo is het gegaan. De thans in Het boek tegen de dood bijeengebrachte notities zijn vooral terug te vinden in de Aufzeignungen, de selecties van de aantekeningen die Canetti vanaf 1942 heeft gemaakt en in de loop van de tijd in verschillende boeken heeft gepubliceerd.

Het boek tegen de dood bevat dus geen afgerond betoog, maar een groot aantal over een lange periode bijeengebrachte aantekeningen en in zijn nawoord heeft Von Matt de vele thema’s opgesomd die Canetti in die aantekeningen tegen het licht houdt. In verscheidenheid zijn Canetti’s aantekeningen tegen de dood – zoals het hele aantekeningenproject – nauwelijks te overtreffen, schrijft zijn biograaf Sven Hanuschek. Dit betekent dat Het boek tegen de dood moeilijk te recenseren valt. De vele thema’s vragen bovendien, om Von Matt nogmaals aan te halen, “van de lezer een mee- en verderdenken dat uitgaat boven een instemmend knikken of een afwijzend hoofdschudden”. Daarbij komt dat in het bestek van een column mijn opmerkingen ook nog eens te beperkt zijn om een goed beeld te geven van alles wat Canetti in zijn aantekeningen over de dood aansnijdt. Er zit dus niets anders op dan het boek zelf te gaan lezen. Het loont de moeite.

Canetti is tegen de dood. Het gaat hem echter niet “om zijn afschaffing, die niet mogelijk schijnt te zijn”. Het gaat Canetti “om de verbanning van de dood”. Laten we het zo zeggen, Canetti is tegen de dood, hij “vervloekt” de dood en hij kan de dood, zo noteert hij in 1943, “niet laten zegevieren terwijl de mensen bij miljoenen blijven sterven”. Canetti’s strijd tegen de dood maakt hem geen bondgenoot van Andrea Maier, maar is vooral getoonzet door wat Claudel de daarmee tegenstrijdige weg noemt, het brengen van de dood. “Het zou toch kunnen”, noteert Canetti, “dat een machtige haat jegens de dood ten minste één effect heeft: dat de mensen eindelijk worden beroofd van het plezier in het doden.”

Toch vond ik een aantekening, uit 1944, waarin Canetti het toekomstbeeld van Andrea Maier omarmt, zij het als argument tegen het moorden:

Het is helemaal geen schande, het is niet zelfzuchtig, het is juist goed en gewetensvol dat je juist nu van niets zozeer vervuld bent als van de gedachte aan onsterfelijkheid. Zie je ze niet, mensen die wagonsgewijs de dood in worden gestuurd?
(…)
Onsterfelijkheid! Wie zou er dan nog willen moorden, wie zou het dan nog in zijn hoofd halen om te moorden als er niets om te brengen viel?

Canetti heeft de oorlogsjaren in Londen doorgebracht, nadat hij als Jood samen met zijn Joodse vrouw Wenen had moeten verlaten. Hem knaagde het gevoel van schuld tegenover hen die niet konden wegkomen. Ook in Het boek tegen de dood kom je dat tegen. In 1943 vinden we de volgende aantekening: “Om de emigranten te doden heeft deze oorlog zijn eigen methode bedacht: hij brengt al hun familieleden op het continent om het leven.” En na de oorlog roept hij uit: “O schande, schande dat ik alle slachtoffers heb overleefd …”.

In de oorlogsjaren is Canetti begonnen aan zijn boek Massa en Macht, dat weliswaar niet rechtstreeks over de Sjoa gaat, maar waarover Canetti, toen hij het af had, kon schrijven: ”Jetzt sage ich mir, dass es mir gelungen ist, dieses Jahrhundert an den Gurgel zu packen.” Over zijn aantekeningen over de dood kan hetzelfde gezegd worden. “Ik moet hem grijpen, de dood”, had hij zich in 1942 al voorgenomen. “Jij hebt beide gevoelige plekken geraakt, massa en dood”, noteert hij later.

Er is ook een inhoudelijke samenhang tussen Massa en Macht en Het boek tegen de dood. Als voorbeeld de volgende aantekening:

Het is het wezen van de machthebber dat hij zijn dood haat, maar alleen zijn eigen dood, en dat de dood van anderen hem niet alleen koud laat maar iets is wat hij nodig heeft. Die spanning tussen zijn eigen dood en de dood van anderen bepaalt hem.

En in 1982 laat hij zijn bezetenheid van de dood volgen op die van de massa:

Van de massa ben je niet meer bezeten. Je bent er niet meer op uit recepten voor haar goede gedrag en haar welzijn te bedenken.
Van de dood ben je meer dan ooit bezeten. De massa is voor jou opgezogen door de massale dood. Je eigen dood kan alleen nog maar onbelangrijk zijn. Hier staat als een paal boven water dat het uitsluitend om de dood in het algemeen gaat.

In zijn nawoord op Het boek tegen de dood merkt Von Matt op dat het schrijven van de aantekeningen het karakter van een ritueel heeft gekregen.

Canetti ontmoet daarin het mateloze doden dat hij moet meemaken, het doden in de reguliere oorlog, het doden en het zinloze bombarderen van hele steden, het over het hele continent georganiseerde doden van alle mensen van het Joodse geloof of van Joodse afkomst.

Von Matt voegt daaraan toe: “Het is niet slechts zijn particuliere wond, het is de wond van zijn eeuw.” Dat is treffend, maar ik maak daarbij wel een kanttekening. Canetti beperkt zich in Het boek tegen de dood net als in Massa en Macht uitdrukkelijk niet alleen tot wat de Joden in de vorige eeuw is overkomen. Na het lezen van een boek van Simon Wiesenthal schrijft hij:

Op een of andere manier ben ik ook een soort politieman geworden, maar ik heb me er niet bij kunnen neerleggen dat alleen voor de Joden te zijn, ik wilde het zijn voor de hele mensheid en haar totale geschiedenis.

Dit lijkt nogal hoog gegrepen. Wat Canetti in dit verband echter vooral bedoelt en steeds opnieuw benadrukt, is zijn ontdekking “dat alles wat ooit is gebeurd als aanleg en mogelijkheid in ieder van ons aanwezig is”.


Mijn veilige auto, dat zijn mijn potloden

Canetti is een schrijver, een groot schrijver die terecht in 1981 de Nobelprijs voor Literatuur heeft gekregen. Vooral De behouden tong en ook De stemmen van Marrakesch waardeer ik zeer. Het boek tegen de dood is een andersoortig boek, en eenduidig zijn de aantekeningen niet altijd. Canetti geeft daaraan zelf een mooie draai: “Het enige waarmee ik consequent vijftig jaar lang ben doorgegaan zijn de aantekeningen, en dat juist omdat ze inconsequent zijn.” Het boek tegen de dood, dat in die aantekeningen verborgen zat, zal de lezer verrassen. Dat komt door de inhoud maar ook door de vorm. Zo worden de vele, vaak korte overdenkingen afgewisseld met aforismen en zelfs kleine verhaaltjes.

Over het schrijverschap:

De auto waarin je tegen elk gevaar beschermd bent moet nog uitgevonden worden. Pas als je uitstapt ben je weer vatbaar voor de dood. Veilige, absoluut veilige auto’s, waarin mensen instappen om zich een poosje onsterfelijk te voelen.

Mijn veilige auto, dat zijn mijn potloden. Zolang ik schrijf, voel ik me (absoluut) veilig. Misschien schrijf ik wel alleen daarom. Maar het maakt niet uit wat ik schrijf, als ik maar niet ophoud. Het kan van alles zijn, zolang het maar voor mezelf is, geen brief, niets wat van buitenaf is opgelegd of wordt geëist. Als ik echter een paar dagen niets heb geschreven, ben ik radeloos, wanhopig, somber, kwetsbaar, wantrouwig, bedreigd door honderd gevaren.

Tot slot dit kleine verhaaltje, dat ik te ontroerend vind om het weg te laten:

Na de regen ging hij naar buiten om slakken te zoeken. Hij praatte tegen ze, ze kropen niet voor hem weg. Hij nam ze in zijn hand, bekeek ze en zette ze terug op een plek waar geen vogel ze kon zien.
Toen hij stierf, kwamen alle slakken uit zijn buurt bij elkaar om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.

Delen |

vrijdag 16 september 2016

Enkele kilometers buiten het centrum van Czernowitz, aan de andere kant van de rivier de Proet, ligt een kleine marktplaats waar in de 18e eeuw Peter Freiherr von Gartenberg een munterij of munterswerkplaats heeft gesticht. De marktplaats draagt zijn naam. Sadagora betekent Gartenberg, tuin op de berg dus of tuindorp, wat ik aardiger vind. Othmar Andrée raadt in zijn Czernowitzer Spaziergange aan naar Sadagora te wandelen “über Feldwege und verödete landwirtschaftliche Erschliessungsstrasse. Man ist dabei völlig ungestört, atmet die beste Landluft, und zugleich gewinnt man eine Vorstellung von der tatsächlichen, doch eher geringen Entfernung jener Gartenstadt von Czernowitz, eine Distanz, die schliesslich früher, also zur Kaiserzeit, von den armen Leuten immer nur auf diese Weise bewältigt wurde”.


Sadagora: synagoge van de wonderrebbe in vroeger jaren

Sadagora is vooral bekend omdat rabbijn Israel Friedmann zich in 1842 in die plaats heeft gevestigd. Onder Friedman en zijn opvolgers ontwikkelde Sadagora zich tot een belangrijk chassidisch centrum. Toen Michel Waterman en ik maart 2013 Czernowitz bezochten, zijn we dus ook naar Sadagora gegaan, zij het niet wandelend maar in de auto van onze gids, Anna Yamchuk. Haar vriend reed ons en maakte ook foto’s. De eens zo indrukwekkende synagoge van de wonderrebbe van Sadagora troffen wij in vervallen staat aan. Weliswaar was te zien dat men wilde gaan restaureren, maar het werk lag stil. Nadien moet de restauratie echter wel op gang zijn gekomen en dit jaar wordt daaraan kennelijk de laatste hand gelegd. Ik hoop het maar, want ook de kleine marktplaats Sadagora behoort tot onze geschiedenis.


Sadagora: synagoge van de wonderrebbe maart 2013

In de literatuur vinden we Sadagora regelmatig vermeld. Zo beschrijft Leopold von Sacher-Masoch (1836-1895) in zijn Geschichten aus Galizien hoe hij in 1855 samen met zijn oom Sadagora bezoekt en op het plein in het midden van die plaats het woonhuis van de tsadiek ontwaart. “Sadagora war damals eine kleine Stadt, die fast nur von Juden und Armeniern bewohnt war. Enge Strasse voll Schmutz, Strassen mit dunklen Winkeln, in die niemals ein Sonnenstrahl drang. (…) In den Strassen arme Juden in Hemdärmeln an beiden Seiten der Stirn und langen Bärten, Frauen in grünen Kleidern mit gelben Gesichtern, welche ihre Kinder auf den Arme hatten und uns misstrauisch betrachteten. Mitten in der Stadt ein grosser Platz und auf diesem das Haus des Zaddik, ein hölzernes Haus mit einem Stockwerk, einer hölzernen Freitreppe, mit roten Ziegeln gedeckt.”

In de romans en verhalen van Karl Emil Franzos (1848-1904) stond naast zijn geboorteplaats Czortkow ook Sadagora model voor het sjtetl Barnow. Hij schreef onder andere een verhalenbundel onder de titel Die Juden von Barnow. Sadagora noemt hij soms ook rechtstreeks. In zijn belangrijkste roman, Der Pojaz, krijgt de hoofdpersoon, Sender Glatteis, de opdracht samen met de twintigjarige Schmule naar Sadagora te gaan om daar de wonderrebbe te raadplegen. Schmule, al enige tijd getrouwd, wordt maar geen vader en de hoop van zijn familie is op deze tsadiek gevestigd. De rebbe zal Schmule inderdaad zegenen, al heeft Sender Glatteis wel flink weten af te dingen op het bedrag dat daarvoor eerst nog door de rebbe wordt verlangd. Ja, over de tsadiek van Sadagora was Franzos niet erg te spreken, hij noemt hem elders “de grootste vijand van de verlichting, de ijverigste voorvechter van het oude, duistere geloof”. De arme Joden gingen naar Sadagora in de volgens Franzos ijdele hoop dat de wonderrebbe hen zal helpen. Door hen meegebracht geld en kostbaarheden neemt de rebbe aan en daardoor kan hij een weelderig leventje leiden.

Na het aardse bestaan kan de tsadiek van Sadagora zijn weelderig leventje zelfs voortzetten, althans volgens de Jiddisje schrijver Itzik Manger (1901-1969). In diens boek Het lied van het paradijs wonen de notabelen van het Joods paradijs aan de Profeet Eljohoe-boulevard en het mooiste huis aan die boulevard is het huis van de Sadegoerer tsaddek: op aarde heeft hij een weelderig leventje geleid en in het paradijs is dat eveneens het geval.

Ook Martin Buber (1878-1965) bezocht in zijn jeugd Sadagora; hij was gewoon met zijn vader de zomer in de Boekovina door te brengen, zo vertelt hij in Mein Weg zum Chassidismus: Erinnerungen. De pracht van het paleis van de rebbe stoot Buber af. Bij de synagoge echter ondergaat Buber andere gevoelens. Hij ziet dat de chassidische Joden en hun rebbe levensvreugde en verbondenheid met elkaar uitstralen als ze dansen met de Torarollen: “Der Palast des Rebbe in seiner effektvollen Pracht stiess mich ab”, schrijft Buber. “Das Bethaus der Chassidim mit seinen verzückten Betern befremdete mich. Aber als ich den Rebbe durch die Reihen der harrenden schreiten sah, empfand ich ‘Führer’, und als ich die Chassidim mit der Thora tanzen sah, empfand ich: ‘Gemeinde’. Damals ging mir eine Ahnung davon auf, dass gemeinsame Seelenfreude die Grundlagen der echten Menschengemeinschaft sind.”

Enkele Joodse dichters uit Czernowitz noemen Sadagora in hun gedichten eveneens. Onder hen Paul Celan, maar zijn gedicht komt nog. Eerst Rose Ausländer (1901-1988) en Alfred Gong (1920-1981).

Van Rose Ausländer het gedicht Chassied van Sadagora, waarvan de laatste regels luiden:

In der doppelgerollten Thora
liegen Licht und Lied
spricht die Geschichte des Volks
Sieh die Geliebte:
im goldgestickten Samtgewand und
krönenden Kopfschmuck
dürfen deine Lippen sie küssen
darfst du sie halten im Arm
und tanzen mit ihr tanzen
zur Ehre des Herrn

Tanzte der Sadagorer Chassid
mit den andern Chassidim.

In de vertaling van E. Ottevaere en P. Thomas:

In de dubbelgerolde thora
liggen licht en lied
spreekt het verleden van het volk
Kijk de geliefde:
in het goudbestikte kleed van juweel
met als haartooi een kroon
mogen je lippen haar kussen
mag jij haar aan de arm leiden
en dansen met haar dansen
ter ere van God

Danste met de andere chassidiem
de chassied van Sadagora

Alfred Gong noemt de wonderrebbe in zijn gedicht Bukovina. Ik citeer de regels waarin Gong de wonderrebbe in de sneeuw laat dansen, ook omdat wij maart 2013, zoals de foto laat zien, een besneeuwd Sadagora aantroffen. Gong:

… Der Wunderrabbi
mit schneeigem Bart tanzte im Schnee
mit dem Schnee überm Schnee –
unterm Schnee träumte ganz Sadagura.

Paul Celan (1920-1970) schreef een heel ander gedicht. Het staat in de bundel Die Niemandsrose. Het eerste gedeelte heb ik gescand:

Volgens het Celan Handbuch ziet Paul Celan in dit gedicht de “jüdische Geschichte als eine in der Shoah kulminierende Leidensgeschichte”. Door de omdraaiing, Czernowitz bij Sadagora, legt hij tevens een verbinding met de eigen geschiedenis. Fritzi Schrager, de moeder van Celan, was geboren in Sadagora en is in een kamp aan de andere kant van de rivier de Boeg vermoord. In 1942, “in dunkeln Zeiten”, zoals Heine het in zijn gedicht An Edom! verwoordt.

“Manchmal nur, in dunkeln Zeiten”, de woorden die Celan boven zijn gedicht overneemt, vormen de eerste regel van het tweede couplet van het gedicht van Heine. Heine gebruikt Edom als algemene term voor jodenhater. De eerste twee coupletten van An Edom! luiden als volgt (in de vertaling van Peter Verstegen):

Boven het gedicht van Celan staat bovendien: Eine Gauner- und Ganovenweise gesungen zu Paris emprès Pontoise von Paul Celan aus Czernowitz bei Sadagora. Ook dat behoeft toelichting. In Sadagora woonden indertijd (“als es noch Galgen gab”) niet alleen maar vrome Joden. De inwoners van Sadagora stonden ook als “Gauner und Ganoven” te boek. Vooral de paardensmokkelaars onder hen hadden een slechte naam.

Nog maar een keer het begin van het gedicht van Paul Celan (nu in de vertaling van Ton Naaijkens):

Destijds, toen er nog galgen waren,
toen, nietwaar, had je,
een boven.

Waar blijft mijn baard, wind, waar
mijn jodenvlek, waar
mijn baard, waar je aan rukt?

Het gedicht van Celan, dat met deze verzuchting begint, eindigt met de woorden de Pest, in de geschiedenis vaak een voorwendsel voor een pogrom, nog een link derhalve met Heine en diens Rabbi von Bacherach waarin dat voorwendsel ook voorkomt.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is de zetel van de Sadagorer tsadiek naar Wenen verplaatst. Dat had gevolgen. Woonden in 1914 ruim 5.000 Joden in Sadagora, veruit de meerderheid van de bevolking, in 1919 waren het er nog geen duizend. En de Sjoa maakte nagenoeg een einde aan Joods leven in Sadagora. In 1945 woonden daar nog slechts een paar Joodse families. Al kort nadat de Roemenen begin juli 1941 het noorden van de Boekovina op de Russen hadden heroverd, was in Sadagora het moorden begonnen. Daaraan deed de plaatselijke bevolking mee, zoals in veel dorpen in het noorden van de Boekovina het geval was. Ook voor Sadagora was het Blutiger Juli, schrijft Simon Geissbühler in zijn gelijknamige boek.

Van die moordpartij staat in dat boek een verslag:

Am frühen Morgen des 7. Juli 1941 wurden 86 Juden, Männer, Frauen und Kinder, aus ihren Betten gerissen und halbnackt zum Bürgermeisteramt getrieben. Von dort führte man sie in der morgendlichen Dunkelheit zu einem Waldabschnitt auf einem nahen Hügel. Dort mussten sie sich bei zuvor ausgehobenen Gruben aufstellen. Dann wurde geschossen. 73 Personen wurden getötet. Der Rest schaffte es, zu entfliehen. Beim Massaker anwesend waren 50 Rumänen und Ukrainer, die in Sadagora wohnten.

Delen |

vrijdag 2 september 2016

Irmgard Keun en Joseph Roth, ik citeer diens biograaf David Bronsen, brengen anderhalf jaar met elkaar door. Oostende, Parijs, Wilna, Lemberg, Warschau, Wenen, Salzburg, Brussel en Amsterdam zijn de plaatsen die zij samen aandoen, dezelfde plaatsen waar Irmgard Keun haar roman Kind aller Länder laat afspelen. “Nach eigener Aussage”, schrijft Bronsen, “ist dieses Werk die Darstellung ihres Leben mit Roth, wobei dieser für den charmanten und verlotterten Emigrantenschriftsteller Modell steht, der sich und seinen familiären Anhang durch wunderliche pekuniäre Kunstgriffe über Wasser hält.”

Bronsen heeft Irmgard Keun (1905-1982) nog kunnen interviewen. Uit dat interview neem ik een passage over die mooi aansluit bij mijn vorige column over de te verschijnen Nederlandse vertaling van Roths Juden auf Wanderschaft. Keun moet tegen Bronsen het volgende over Roth hebben gezegd:

Zu seinen verwickeltesten Gefühlen gehörte seine Beziehung zum Judentum. Nichts ging ihm über die Juden, er liebte sie, aber zur gleichen Zeit konnte er furchtbar auf sie schimpfen. Er litt unter einem sehr jüdischen Minderwertigkeitskomplex, den er mehrmals in der Behauptung zum Ausdruck brachte, als Galicier sei er der letzte aller Juden. Trotzdem waren die frommen Ostjuden in seinen Augen beinahe Heilige, mit deren menschlicher Substanz die Westeuropäer sich nicht messen konnten. In Ostende kaufte er sich einmal einen grossen Sack und wollte damit auf Wanderschaft gehen, wie seine jüdischen Vorväter es getan hätten. Ständig schwankte er zwischen Verehrung und Ablehnung der Juden und blieb schon deshalb immer stark mit ihnen verbunden.

Irmgard Keun verliet op 4 mei 1936 Duitsland. Zij was niet Joods, maar de twee door haar toen al geschreven boeken werden door de nationaal-socialisten niet geapprecieerd. Haar nieuwste boek, Das Mädchen, mit dem die Kinder nicht verkehren durften, zou daarom juli 1936 bij Allert de Lange in Amsterdam verschijnen. Aan Arnold Strauss, haar vriend die in Amerika woont, schrijft Keun dat Allert de Lange “fabelhafte” schrijvers uitgeeft, onder wie Egon Erwin Kisch en Joseph Roth. “Ausser mir konnt’ich da keinen Arier entdecken.” Enkele dagen na haar aankomst in Oostende laat ze Arnold Strauss weten: “Es mag dir pathetisch klingen, aber ich betrachte es als heilige Aufgabe mitzuhelfen in meiner Art im Kampf gegen Nazitum, menschliche Sturheit, Schlappheit und Barbarei.”

In Oostende zal Irmgard Keun Egon Erwin Kisch, Stefan Zweig en Joseph Roth ontmoeten. Ik schreef daar al eens over in mijn column van 16 mei 2014 naar aanleiding van het verschijnen van Ostende 1936, Sommer der Freundschaft, geschreven door Volker Weidemann. Daarvan is sinds 2015 ook een Nederlandse vertaling voorhanden, uitgegeven door Cossee. In bedoelde column wees ik erop hoe Roth, ondanks zijn overmatig drankgebruik, niet alleen zelf onvermoeibaar bleef doorschrijven maar ook Irmgard Keun aanmoedigde hetzelfde te doen. Bovendien hielp hij Stefan Zweig bij het schrijven van diens Joodse legende Der begrabene Leuchter.

In de column van deze week valt de nadruk op Kind aller Länder, de roman van Irmgard Keun waaraan zij in 1937 is begonnen en die in het najaar van 1938 bij Querido is gepubliceerd. Al in 1939 volgde bij dezelfde uitgever een vertaling, van de hand van Alice van Nahuys. De titel luidde: Kinderen zonder land. Juni van dit jaar is een nieuwe vertaling verschenen, bij Lebowski, nu onder de meer correcte titel Kind van alle landen. Marcel Misset heeft de roman vertaald.

Irmgard Keun en Joseph Roth beëindigden hun relatie januari 1938. Na een reis naar Amerika gaat Keun nog datzelfde jaar in Amsterdam wonen, de stad die zij door Joseph Roth heeft leren kennen en waar haar boeken worden uitgegeven. Als op 10 mei 1940 de Duitsers ook Nederland binnenvallen, duikt ze onder. Enkele maanden later staat in een krant, de Daily Telegraph, het bericht dat Irmgard Keun in Amsterdam zelfmoord heeft gepleegd. In werkelijkheid duikt ze weer onder, nu echter bij haar familie in Duitsland.

Nog in Amsterdam hoort Irmgard Keun dat Joseph Roth op 27 mei 1939 in Parijs is overleden. Diens overmatig alcoholgebruik was daaraan mede debet. Dit brengt mij bij het toen al verschenen Kind van alle landen, waarin de hoofdpersoon, de ongeveer tienjarige Kully, opmerkt: “Mijn vader zegt dat hij langzaam zelfmoord pleegt en er alles aan doet om zijn leven te bekorten. Daarom rookt hij zoveel sigaretten van zwarte tabak en drinkt hij duizend drankjes in allerlei kleuren”.

Laat ik echter meteen benadrukken dat men Kind van alle landen niet slechts uit belangstelling voor Joseph Roth moet gaan lezen. Kind van alle landen is terecht aan de vergetelheid ontrukt. Arnon Grunberg onderstreept dit door in zijn voorwoord te wijzen op “de stelselmatige weigering van Kully om een oordeel te vellen waaraan het boek zijn kracht ontleend”. Zelfs over Hitler wordt het oordeel uitgesteld. “Als ik volwassen ben hoor ik wel wat er niet aan hem deugt”, zegt ze.

Hiermee is de toon gezet. De roman is geschreven vanuit het perspectief van een meisje dat na 1933 geen vaste grond onder de voeten meer heeft, maar alles om haar heen steeds goed in zich opneemt en daarop met slimme opmerkingen reageert. Een voorbeeld daarvan uit het begin van het boek:

Vroeger in Duitsland ging ik naar school, sindsdien kan ik lezen en schrijven. Toen wilde mijn vader niet langer in Duitsland blijven, omdat een regering vrienden van hem had opgesloten en omdat hij niet mocht praten en schrijven wat hij wilde. Waarom leren de kinderen in Duitsland dan eigenlijk nog praten en schrijven?

De roman speelt zich onder meer af in Amsterdam. Daar vinden we Kully in een café samen met haar moeder, een café “bij het station dat op het zwarte water drijft. De zon schijnt, schepen varen voorbij, motorboten meren vlak voor onze voeten af”. Ja, “Amsterdam is heel mooi. Het bestaat uit rivieren die grachten heten”.

Toen Irmgard Keun had gehoord dat Joseph Roth was overleden, Kind van alle landen was toen al verschenen, schreef zij een gedicht met de regel: “Wie soll ich aus dem schwarzen Blut der Grachten Kränze winden?” Kully hield van haar vader, niet altijd een gemakkelijke man om mee om te gaan, maar, zegt ze “hij wordt toch altijd weer lief”. In de roman zijn het de woorden van Kully, maar ze kwamen uit de pen van Irmgard Keun.

Delen |
jan 2017Een laatste column
okt 2016Kafka’s dierentuin
okt 2016De verbanning van de dood
sep 2016De kleine marktplaats Sadagora
sep 2016Irmgard Keun
aug 2016Brody
jul 2016Clarice Lispector
jun 2016Vuurontstekers
mei 2016Itzik Manger uit Czernowitz
apr 2016Tel me bij de amandelen
apr 2016Stadt der Dichter
apr 2016Tsjernivtsi
mrt 2016Langs de zuidelijke Boeg
mrt 2016In de schaduw van een boom
feb 2016Lin Jaldati
feb 2016Winternabijheid
jan 2016Bleib gesund!
dec 20152015
dec 2015Ruiter in de wolken
nov 2015Hommage aan Andreas Burnier
sep 2015'Jij schrijdt in trotse vrijheid'
sep 2015Een handvol sneeuw
aug 2015Schaduwen van het verleden
aug 2015Onze geschiedenis
jul 2015Damals im Romanischen Café
jul 2015Café Grössenwahn, Königin aller Cafés
jun 2015Kurt Löb
mei 2015Van hagedissen en ratten
mei 2015De benoemer en de verzwijger
apr 2015Aghed
feb 2015Asperges en gevulde eieren
jan 2015Op het spoor van Patrick Modiano
jan 2015Terugblik
nov 2014Mooie series
nov 2014Met een boek naar het museum
aug 2014Appie Drielsma (1937-2014)
jul 2014Opzij geschoven en gezwegen
jul 2014Exilliteratuur
jun 2014Kurt Lehmann of ook Konrad Merz
mei 2014Hommage
mei 2014Joseph Roth (1894-1939)
mei 2014Kafka en de Joden uit Galicië
mei 2014Schrijf dat op, Kisch!
apr 2014Kafka augustus 1914
feb 2014Heine, een voorproefje
jan 2014Kafka's raam
jan 2014Arnold Zweig en Hermann Struck
jan 2014Arnold Zweig
dec 2013Mijn lijstje 2013
dec 2013Nogmaals Jacob Israel de Haan
nov 2013Austerlitz
nov 2013W.G. Sebald
okt 2013Freud, Kafka en Wenen
sep 2013Marcel Reich-Ranicki (1920-2013)
sep 2013De beslissing
aug 2013Dan Pagis
aug 2013jewsandwords
aug 2013Voor de wet
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (2)
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (1)
mei 2013Klassenfoto met Walter Benjamin
mei 2013Amsterdam
apr 2013Treinreis naar Czernowitz
apr 2013Het Odessa van Jabotinsky
mrt 20131913
feb 2013Selma Meerbaum-Eisinger
feb 2013Van majestueuze katten en onmuzikale schrijvers
jan 2013Ravensbrück
jan 2013Milena Jesenská
dec 2012Mijn lijstje 2012
dec 2012Varia
nov 2012Schiller in Barnow
nov 2012De gedaanteverwisseling
nov 2012Joseph Schmidt
okt 2012Rondom Kafka (2)
okt 2012Appelfeld en Kafka
okt 2012Appelfeld en de taal
sep 2012Met Kafka naar de synagoge
sep 2012Rondom Kafka
aug 2012Vriendschap
jul 2012Kalman Polgar
jul 2012Een knipoog naar Max Brod
jun 2012Steinbarg en Manger
jun 2012Josef Burg
jun 2012Klara Blum
mei 2012Mythos Czernowitz
mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon