Familiebezoek

Harry Polak

vrijdag 27 juli 2018

Als het gaat om onze Joodse afkomst volgen mijn broer en ik geheel gescheiden wegen. Hij is geassimileerd en ik ben na enig wikken en wegen met het hele gezin lid geworden van een Joodse gemeente in Nederland. En nu wonen mijn vrouw en ik zowaar in Israël, net als twee van onze drie dochters met hun Israëlische partner en kinderen.

Mijn oudere broer en ik zijn een flink deel van onze jeugd in Katwijk aan Zee opgegroeid. Ik heb daar absoluut geen onprettige herinneringen aan, maar ik vond de streng christelijke vissersplaats te benauwd. Ik wilde terug naar het vrijere Amsterdam. Daarom koos ik voor de Universiteit van Amsterdam en niet voor Leiden, toen ik psychologie wilde studeren. Aan Mokum had ik goede herinneringen overgehouden, na daar als jongetje van zes korte tijd te hebben gewoond. Vlakbij Artis en op een steenworp afstand van het oude adres van de Joodse Gemeente aan de Plantage Parklaan, al wist ik dat toen niet.

Het ouderlijk gezin belandde eerst in de hoofdstad na de aftocht uit het voormalige Nederlands-Indië. In de gordel van smaragd zocht mijn in Rotterdam geboren vader zijn geluk en vond hij zijn vrouw én mijn moeder. Dat was ruim voordat de Sjoa in Europa toesloeg. Gelukkig hebben zijn ouders, mijn opa en oma die ik niet heb gekend, die grote ramp niet mee hoeven maken, omdat ze reeds daarvóór overleden. Ze liggen begraven op de Joodse begraafplaats Toepad in Rotterdam. Net als mijn oom Simon die veel te vroeg stierf. De zus van mijn vader, mijn tante dus, heeft ondergedoken gezeten in België en wist op die manier de Sjoa te overleven. Op haar kom ik nog terug.

Mijn broer is in Katwijk blijven wonen. Hij wilde niets liever dan helemaal opgaan in de Nederlandse samenleving. Het is dan ook logisch dat hij met een (lieve) Katwijkse vrouw is getrouwd. Hun twee zoons zijn in mijn ogen echte ‘Katikkers’ geworden. Datzelfde kan worden gezegd van hún kinderen, opnieuw alleen zoons, mijn drie achterneefjes. Het markante is dat ze allemaal de naam Polak dragen, al zijn ze totaal niet meer Joods. Mijn vrouw en ik hebben daarentegen drie dochters gekregen en na hun trouwen verdween de naam Polak min of meer, terwijl zij wel alle drie het Joodse pad op zijn opgegaan. Zo gaat dat als bij naamgeving het mannelijk geslacht de doorslag geeft, terwijl het Jodendom wordt overgedragen via de moeder (ooit, heel lang geleden echter via de vader, doch daar heeft niemand het meer over).

Mijn broer is niet volledig geassimileerd. Dat komt natuurlijk door onze achternaam. Als iemand hem aanspreekt met “meneer Cohen” in plaats van met “Polak” dan komen zijn Joodse voelsprieten, of wat daarvan over is, overeind. Hij heeft weinig tot niets met zijn Joodse achtergrond, maar als hij tegen hem persóónlijk gericht antisemitisme vermoedt, voelt hij zich opeens toch een beetje Joods. Dat pikt hij niet en hij komt dan een beetje op de bres voor de Joodse zaak.

Het is wat met dat Jodendom. Veel Joden zijn opgegaan in de massa. Vaak omdat ze niks hadden met de religieuze kant van het Jodendom of er zelfs een forse afkeer van hadden. Het is dan ook niet gering wat wordt verwacht van religieuze Joden. Ga er maar aanstaan, 613 mitswot (opdrachten). Gelukkig kan je daar een groot deel van aftrekken, omdat die alleen gelden in het oude vaderland, erets Jisraeel. Dat scheelt weer. Niettemin blijven er nog meer dan genoeg over om als blok aan je been te ervaren als je niet zo godsdienstig, of zelfs antireligieus bent.

In het blad Benjamin van Joods Maatschappelijk Werk las ik onlangs een interview met Roel Coutinho, één van de grote namen op het gebied van aidsonderzoek. Zijn beide ouders waren Joods. Hij kreeg van huis weinig tot niets Joods mee. Zelf zegt hij dat hij het Joods-zijn heeft weggedrukt. Immers, Joods zijn betekent niet zelden geconfronteerd worden met ‘antisemitisme’. Als dat gebeurt en je met een mond vol tanden staat, omdat je geen idee hebt wat Joods zijn betekent, dan wordt het een gevoelige plek, iets om te vermijden.

Er zijn legio gevallen zoals Coutinho. De vroegere burgemeester Job Cohen is een ander voorbeeld. Cohen was dé Jóódse burgemeester bij uitstek. Maar dat was dan ook alles. Het had bij hem geen enkele inhoud. Zijn ouders waren het, hij is het ook en … that’s it.

Een heel verschil met oud-burgemeester Ed van Thijn, die in de loop van zijn leven steeds Joodser is geworden en een ware coming out beleefde toen hij getuigde van zijn onderduiktijd.

Wat mij betreft, heeft – laat dat duidelijk zijn – iedere Jood of Jodin de vrijheid om net zo Joods of on-Joods te zijn als hij of zij zelf wil. Het is met het Jodendom als met een erfenis: die kan je aanvaarden of verwerpen. Al ligt het niet zo zwart-wit. Accepteren kan op allerlei manieren, net als verwerpen.

Gewoon verwerpen is tot daaraan toe. Er zijn helaas ook voorbeelden van Joden die een soort mengvorm aanhouden van aanvaarden én verwerpen. Joods ja, zionist nee, bijvoorbeeld. Ik weet niet hoe Joods Ilan Pappé zich voelt, hij is in ieder geval géén zionist, maar een fervente antizionist. Naar mijn idee heb je met dat soort Joden geen antisemieten of antizionisten meer nodig om het Joden en Israël op zijn zachtst gezegd lastig of zelfs onmogelijk te maken. Pappé woont niet meer in Israël, een andere felle criticaster van Israël, Gideon Levy, nog wel. Al wordt hem het leven flink zuur gemaakt, wat niet helemaal oké is, vanwege zijn hatelijke geschrijf in Ha’aretz.

Op één of andere manier zijn er altijd Joden geweest die niks moeten hebben van Jodendom en eruit zijn gestapt. Dat mag dus, zoals ik al aangaf, al zou het naar mijn smaak een ramp zijn als iedere Jood dat zou doen en het Jodendom zou uitsterven. Het wordt iets heel anders als uitgerekend Joden zich als antisemieten gaan gedragen. In de tegenwoordige tijd komt daar Israël bij als mogelijkheid om je via antizionisme tegen het Jodendom en Joden te verzetten. Begrijp me goed, als mensen oprecht zeggen zich zorgen te maken over Israël “vanwege de Palestijnen” of iets dergelijks, dan kan ik daar voor een deel best inkomen. Al kies ik een andere positie, want Palestijnen en andere Arabieren hebben zich niet (of evenmin) gedragen als lieverdjes in de strijd om het land dat nu Israël heet. En ze gaan daar nog steeds fanatiek mee door in plaats van de strijdbijl te begraven. Wanneer Joden zich vierkant tegen Israël keren (bijvoorbeeld door voluit BDS te steunen) en heulen met aartsvijanden van dit land dan kan ik daarvoor geen greintje sympathie opbrengen. Dan voel ik alleen maar intense weerzin.

Toen de oudste zoon van mijn broer een paar jaar geleden aangaf dat hij bij de bruiloft van onze jongste dochter in Tel Aviv wilde zijn, vonden wij dat natuurlijk prachtig. Voor hem was het de eerste kennismaking met Israël. Recent was hij weer hier op bezoek, nu samen met zijn vrouw. Hij leest natuurlijk ook de kranten in Nederland, maar zo zei hij mij: “Ik geloof echt niet alles wat ze over Israël schrijven.” Ook de tweede reis is hem goed bevallen. De volgende keer nemen zijn vrouw en hij misschien één of meer van hun zoons mee. En hij gaat mijn broer, zijn vader, bewerken om toch een keertje te komen in gezelschap van zijn vrouw, mijn schoonzus. Onze herhaalde uitnodigingen hebben tot nog toe niet gewerkt. Hij heeft niks met Israël. Hij vindt het niet de moeite waard ons hier op te zoeken. En hij is volgens mij bovendien gewoon bang om deze kant op te komen.

Van je familie moet je het niet altijd hebben. Ik weet nog goed dat mijn tante, zus van mijn vader, ooit de bescheiden zelfgemaakte Davidster zag boven mijn bureautje, in de tijd dat ik op de socialistisch-zionistische Joodse jeugdvereniging Haboniem zat. Ze vond het afschuwelijk. Ze riep verschrikt uit: “Wat moet dat ding daar?” De blauwe mageen David, opgenomen in de vlag van Israël, deed haar waarschijnlijk te veel denken aan de gele Jodenster van de nazi’s. Ze had de Sjoa overleefd, maar daarna gaf ze de nazi’s alsnog hun zin: voor haar kon het Jodendom compleet worden gestolen. Daar dacht mijn vader gelukkig anders over, voluit gesteund door zijn vrouw, mijn moeder.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016