Jong geleerd

Harry Polak

vrijdag 13 september 2019

Deze week hebben we onze oudste kleinzoon voor de tweede keer afgeleverd bij de Nederlandse school in Ra’anana. Ze hebben ook een dependance in Tel Aviv-Jaffo. Eerder hadden ze nog een derde lesmogelijkheid in het noorden. School is een weidse benaming voor eens per week tweeënhalf uur Nederlandse les, wat ze op heel speelse wijze doen. Met deze kleinzoon spreken we Nederlands, net zoals zijn moeder, onze oudste dochter, dat doet. Met zijn vader spreekt hij Hebreeuws. Dat deed hij al vanaf zijn geboorte in Amsterdam. Althans toen sprak zijn vader tót hem, als baby kon hij uiteraard nog niet veel terugzeggen.

Dat is nu wel anders. Hij babbelt honderd uit. Ook tegen ons, maar bijna nooit in het Nederlands. Hij begrijpt zijn moeders moedertaal overigens meer dan prima. Regelmatig zegt hij “ja” of “nee”, ten teken dat hij snapt wat we bedoelen als we ons tot hem richten. Verder dan dat komt hij nauwelijks. Ik heb het idee dat hij het maar gek vindt om Nederlands te praten. Het is niet iets wat bij hem hoort. Dat is iets van zijn moeder en zijn opa en oma van moeders kant. Toen hij nog kleiner was en we een keer Hebreeuwse liedjes meezongen, mocht dat niet van hem. Alleen Nederlandse liedjes waren toegestaan in ons geval.

Af en toe ga ik in de fout en spreek ik wat Hebreeuws met hem. Dat is eigenlijk verboden, want we hebben strikte instructies gekregen van onze oudste dochter om met hem Nederlands te praten. De laatste tijd komt het steeds vaker voor dat we woordjes uitwisselen. Hij legt dan uit hoe iets in het Hebreeuws wordt gezegd en wij maken hem duidelijk op welke wijze dat in het Nederlands gaat. Zo stonden we een keer voor een stoplicht te wachten en zei hij – natuurlijk in het Hebreeuws – dat groen rijden betekent, oranje en rood stoppen. Als het oranje licht gaat branden in combinatie met het rode licht (Israël houdt het Engelse stoplichtsysteem aan) dan moet je je voorbereiden (lehitkoneen = zich voorbereiden, wat verwant is aan voorbereiden = lehachien en ook aan het woord klaar = moechan).

Zijn jongere zusje sprak heel in het begin soms nog wel wat Nederlands. Dat is voorbij. Ze begrijpt het gelukkig allemaal net als haar oudere broertje heel goed.

We hebben ook een kleinzoon in Spanje. Die is net begonnen op de Joodse school in Barcelona. Een heel open school. Daar kunnen Rosj Pina en Maimonides echt nog wat van opsteken. De kinderen van de lokale rabbijn zitten ook op die school en voor de rest bijna allemaal kinderen van Israëli’s, als ik het goed heb begrepen. Met zijn ouders uit Nederland is onze kleinzoon een uitzondering. Op die school is de voertaal vooral Engels. Verder hebben ze ook Spaanse en Catalaanse les plus Hebreeuws. Engels was onze ‘Spaanse’ kleinzoon al gewend van de Engelstalige crèche. In dat opzicht heeft hij een voorsprong op de Israëlische kinderen. Die zullen echter op hun beurt geen moeite hebben met Hebreeuws. Zijn moeder, onze middelste dochter, had haar zoontje al wat vertrouwd gemaakt met Hebreeuws via kinderliedjes, filmpjes op YouTube en kinderboekjes.

Wie weet kan onze kleinzoon in Spanje zich straks in het Nederlands, Engels, Spaans en Catalaans plús Hebreeuws uitdrukken. Met zijn Israëlische neef en nichtjes (onze jongste dochter in Tel Aviv heeft een meisje van ruim anderhalf) kan hij dan hopelijk Hebreeuws praten.

Ons Hebreeuws schiet helaas niet erg op. Mijn vrouw is deze week weer begonnen met les, de oelpan. Klas of kita bet plus (B+). Ik zit ongeveer op niveau gimel (C) en heb een hele lange, misschien wel permanente pauze ingelast. Ik oefen thuis wel elke dag met woordjes en vooral werkwoorden. We kijken voorts regelmatig naar het Israëlische tv-nieuws en snappen meestal in grote lijnen waar het over gaat (dankzij de tekstbalkjes bij het nieuwsitem), maar we kunnen het nauwelijks volgen.

Het is erg frustrerend, maar het is niet anders. We troosten ons met de gedachte dat we nu veel meer begrijpen dan in het begin en dat we langzaam vooruit gaan, zij het met een slakkengang (slak schiet me te binnen, dat is sjabloel of chilazon). Omdat we hier ruim drie jaar wonen, kennen we inmiddels allerlei standaarduitdrukkingen en sociale codes in winkels, openbaar vervoer en op straat. Hebreeuws leren blijft wonderlijk genoeg op zichzelf nog steeds bevredigend, ook al levert het in de praktijk bitter weinig op. Het zou zelfs een reden kunnen zijn om terug te gaan naar Nederland, want zoals ik al eerder in een column schreef: je verblijft niet alleen in een land, je woont ook in het bijbehorende taalgebied. Voordat iemand alvast een ontvangstcomité gaat organiseren, er is nog té veel dat ons trekt om in het Joodse land te blijven wonen.

Velen denken dat Hebreeuws ingewikkeld is vanwege het andere alfabet. Dat is niet zozeer het probleem, al is het complex omdat de klinkers doorgaans ontbreken. Het Hebreeuws is vooral moeilijk, omdat je de woorden nauwelijks ergens aan kunt koppelen als je met het Nederlands bent opgegroeid en pas veel later met Hebreeuws bent begonnen. Wat voorbeelden voor niet-Hebreeuwstaligen. Een drinkglas is kos, een rietje kasj. Een bank in het park is een safsal, een bank in huis sapa, een bed is mita, een matras mizron en ga zo maar door. Nergens aan te verbinden, behalve als je met allerlei ezelsbruggetjes werkt. Ik had bijvoorbeeld moeite met het onthouden van kasj (rietje), maar door het qua klank te associëren met kos (drinkglas) werd het wat makkelijker. En zo heb ik er wel honderden geheugensteuntjes bedacht.

De werkwoorden en hun vervoegingen in de diverse tijden (heden, verleden en toekomst) zijn ook een ware crime. De regels zijn duidelijk en best logisch. Het barst alleen van de uitzonderingen in de zin van subgroepen binnen de zeven hoofdgroepen van werkwoorden (binjaniem = bouwwerken). Wat het Hebreeuws tevens erg lastig maakt zijn de talloze klinkerveranderingen. Kind is jeled, kinderen zijn jeladiem. Matok is zoet, meervoud wordt metoekiem. Sameach is blij, en als we met zijn allen blij zijn dan wordt het smeechiem. Gelukkig komen dat soort dingen terug, dus dat geeft houvast: neched is kleinkind, heb je er meer dan wordt het nechadiem, net als bij jeladiem (kinderen).

Omdat we al wat ouder zijn, gaat het inprenten van nieuwe woorden verrekt moeizaam. Als je tien nieuwe woorden hebt geleerd, vergeet je er ondertussen twintig. Dat schiet niet erg op. Het enige wat werkt is (naast de ezelsbruggetjes): herhalen, herhalen en nog eens herhalen. En fouten maken, want als je wordt gecorrigeerd, lijkt het wel of een woord daarna makkelijker beklijft. Dat fenomeen ontdekte ik al vroeg op school. Toen ik bij een proefwerk Duits nét een onvoldoende haalde, omdat ik “plaatselijke verdoving” niet meer wist, wat toen heel slecht uitkwam vanwege het overgangsrapport, ben ik het daarna nooit meer vergeten (örtliche Betäubung).

Mensen verstaan is veelal te hoog gegrepen, zelf iets uitbrengen is ook problematisch, lezen en schrijven gaat beter. Bij lezen en schrijven heb je vaak meer de tijd en kan je dingen opzoeken. Niettemin maken we spelfouten. Met vallen en opstaan leren we de taal. Van mijn vroegere werk als kwaliteitscoördinator heb ik geleerd: vallen is niet erg, als je daarna maar weer opstaat!

Nog iets heel anders tot slot, want de actualiteit dringt zich op. Bij de verkiezingen op 17 september staat Israël weer eens op een tweesprong. Er valt opnieuw echt iets te kiezen dankzij de anti-ultrareligieuze opstelling van Lieberman : kiezen de Israëli’s (of ze nou Joods zijn, Arabisch of iets anders) voor een seculiere (Joodse) staat of een messianistisch land, zoals een affiche van Kachol-Lavan van Benny Gantz c.s. kort, maar krachtig aangeeft.

7 + 4 = ?

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.