Conserverende aanslag

Harry Polak

vrijdag 21 december 2018

Ons leven in Israël is na ruim tweeënhalf jaar min of meer routine geworden. In het begin waren we eigenlijk al heel snel en geruisloos gewend geraakt aan van alles. Omdat we hier heel wat keren op vakantie zijn geweest, wisten we veel over de gang van zaken in Israël. Vanuit onze Joodse achtergrond hadden we uiteraard ook veel meegekregen over het jonge land en zijn lange voorgeschiedenis. Toch duurde het nog wel even voordat we onze weg leerden vinden op de automatische piloot, dus niet bij van alles hard moesten nadenken om geen stommiteiten uit te halen.

De weg van Tel Aviv, waar onze jongste dochter met haar man en dochtertje woont, naar ons huis in Herzliya was de eerste tijd steeds weer een soort mysterietour. Nu weten we dat je via het verlengde van de Ayalon-snelweg naar Herzliya kunt rijden (snelweg 20). En dat er ook andere wegen zijn (bijvoorbeeld via het verlengde van de Namir boulevard in Tel Aviv, die overgaat in snelweg 2). Aanvankelijk gooiden we de diverse mogelijkheden steeds door elkaar.

Zo ging het met van alles. Boodschappen doen en je spulletjes (voor zover hier te krijgen) weten te vinden in de schappen; plus de gang van zaken bij de kassa doorkrijgen. Naar de dokter gaan na het maken van een afspraak via de website of telefonisch en weten wat er te gebeuren staat als je in de spreekkamer zit. Het laboratorium van onze ziektekostenverzekeraar Maccabi bezoeken voor de jaarlijkse griepprik, bloed- en urinetesten laten doen en dergelijke. Plaatsen bespreken bij restaurants of het theater. Dat alles gaat volgens een soort ritueel van vraag en antwoord in het Engels of Hebreeuws. En dat hebben we aardig onder de knie gekregen.

Het Hebreeuws blijft bij alles wel een bron van fikse frustratie. Soms gaat het vrij redelijk, andere keren staan we gigantisch te stuntelen. Zelfs als het om de meest simpele zaken gaat. Laat staan als het ingewikkelder wordt. Het repertoire aan gewone vaste uitdrukkingen was in de beginperiode bijna abracadabra. Dus vragen als: moet het worden ingepakt? Ruilbon (als het om een cadeau gaat) erbij? Bent u clublid? Hoe gaat u betalen: contant of met creditcard? In hoeveel termijnen wilt u betalen? Enzovoort. Dat soort alledaagse frasen, we kennen ze nu wel.

Niettemin doen er zich van tijd tot tijd verrassinkjes voor, omdat iemand aan de kassa dingen net wat anders vraagt. Of omdat er iets is veranderd, waardoor het vaste stramien wat wordt omgegooid en je iets nieuws moet weten of doen. Op een gegeven moment werd bijvoorbeeld vanwege het milieu ingevoerd dat plastic zakjes bij de supermarkt niet meer gratis waren, dus wordt sinds dat moment bij het afrekenen steevast gevraagd: “Sakkiet?” of “Sakkiot?” De eerste keer dacht ik, wat willen ze nu weer? Daarna was het snel duidelijk en nu kijk ik er pas van op als het niet wordt gevraagd.

Benzine tanken was eerder een hele opgaaf. Daar begon ik maar niet aan, dus liet ik de pompbediende, die je hier bijna overal nog ziet, alles doen. Op een gegeven moment dacht ik, dit is te dol. In Nederland deed ik het uiteraard zelf, omdat het doodsimpel is en de pompbediende bijna overal geheel is verdwenen. Nu lukt het hier ook zelf, al ging het in het begin niet zonder haperingen, waardoor er assistentie naar buiten moest komen om mijn fout te herstellen. Bij het tanken hier moet je namelijk na je creditcard ergens doorheen te hebben gehaald, nog een paar zaken invoeren voordat je je auto kunt volgooien. Telefoonnummer, nummer identiteitsbewijs en kenteken intoetsen, het moet allemaal. Ik heb ook nog afgekeken hoe je volautomatisch een kassabonnetje kunt krijgen na de tankbeurt, wat eerst een onoplosbaar raadsel leek.

Nederland raakt iets verder weg na die meer dan tweeënhalf jaar. Wel volgen we nog steeds van alles door het dagelijks lezen van kranten en soms door het terugkijken of direct bekijken van een tv-programma. Zoals de fietstocht die Natascha van Weezel heeft ondernomen om te trachten het complexe conflict tussen Israël en de Palestijnen aan het volk in de lage landen te tonen. Breek me de bek niet open over wat ik er na twee van de drie afleveringen van vind, ondanks dat ik haar een goed hart toedraag …

Alles ging zijn gangetje. Totdat… er op een dag pardoes twee blauwe enveloppen van de Nederlandse Belastingdienst uit de brievenbus staken. Hé, dat is vreemd. Alles is toch afgerond met de belastingen? Niet dus. Ze willen weten hoe het met ons “conserverend inkomen” zit. Eh? Wat is dat nou weer?

Na enig speurwerk op de website van de Belastingdienst drong tot mij door dat ik dit totaal had gemist. Het stond keurig ergens aan het eind in een brochure over emigratie en de belastingen. Die brochure vond ik nu pas. Wat blijkt? In Nederland heb je de mogelijkheid om, zoals iedereen weet, tijdens het werkende bestaan, delen van je bruto-inkomen opzij te zetten voor later. Met name voor pensioen of een lijfrente. De zeer populaire spaargeldregeling van 1994 tot 2012, die aan zijn eigen succes ten onder ging, is daar een mooi voorbeeld van. De grap is dat je daarover geen belasting en premies betaalt, dat komt later, als een en ander wordt uitgekeerd in de vorm van pensioen en lijfrente. Dan slaat de Belastingdienst je alsnog aan, terwijl zij zich eerder koest hebben gehouden.

Een of andere slimmerik heeft ontdekt dat de Nederlandse staat en dus Nederlandse gemeenschap achter het net vist als mensen emigreren. Doorgaans betaal je na emigratie geen belasting meer in Nederland, dat doe je in het nieuwe woonland, mits er een verdrag is gesloten tussen Nederland en dat woonland. Dubbele belasting hoeft niet. Maar de Belastingdienst wil op de valreep nog wel weten wat je belastingvrij hebt opgebouwd en behoudt zich het recht voor om je alsnog aan te slaan. Plus “20% revisierente”, lees ik met grote ogen. Twintig procent!

De brief stelt gelukkig dat de belasting veelal niet wordt geïnd, als je je houdt aan de regels. En na tien jaar kun je zelfs kwijtschelding aanvragen, … als je je aan de regels hebt gehouden. Welke dat zijn, staat er niet duidelijk bij. Dat wordt bellen met de Belastingdienst. Tien jaar lang blijft er wel de dreiging dat Nederland aan de deur klopt om alsnog belasting te heffen. Dan gaat het meestal niet zozeer om gewoon pensioen of lijfrentes, doch slimme financiële constructies of forse bedragen, lees ik. Iets voor de happy few, niet voor het gewone volk dat in gele hesjes de straten van Frankrijk bevolkt en inmiddels steeds onveiliger maakt.

Ondertussen heb ik mijn pensioenfonds benaderd met de vraag of ze zo vriendelijk willen zijn diverse gegevens te achterhalen. Daarmee kan de Belastingdienst mijn conserverend inkomen vaststellen op de dag van emigratie. Om de belastingen ter wille te zijn moet mijn pensioenfonds navlooien welke premiebetalingen zijn gedaan in diverse perioden (1994-2001 plus het tijdvak na 16 juli 2009) en wat de waarde is in het economisch verkeer van de pensioenaanspraak (contante waarde, staat er nog bij). Waar die tijdvakken vandaan komen, was mij eerst een raadsel, nu snap ik dat het te maken heeft met een uitspraak van de Hoge Raad.

Lijfrente-instanties moeten op dezelfde wijze worden benaderd. Dat is in mijn geval veel lastiger dan de vraag aan het pensioenfonds. Ik weet nog dat ik, zoals ongeveer iedere Nederlander, gebruik heb gemaakt van de spaarloonregeling, zolang het kon. Echter, door wisseling van werkgever en ook door fusies en dergelijke van de banken die de spaarloonregeling uitvoerden en nog iets rond kapitaaloverdracht op mijn verzoek, zal het een crime worden om de goede instantie te vinden die dat allemaal wil uitzoeken. Als die überhaupt nog bestaat en niet onderuit is gegaan in het economisch verkeer.

Op internet zag ik dat er fiscaal juristen zijn die bezwaar hebben gemaakt tegen de gang van zaken rond dat conserverend inkomen. Het is een heel technisch verhaal, dat voor mij nauwelijks te volgen is. Het volgende snap ik wel. Een van de bezwaren is dat eventuele belastinginvordering als een zwaard van Damocles boven de emigrant blijft hangen. Het geeft voortdurende onzekerheid. Daarbij komt dat de Belastingdienst vaak achterloopt, waardoor de termijn van tien jaar niet ingaat op het moment van emigratie, maar wanneer de belastingen eraan toekomen om de emigrant aan te schrijven. In mijn geval dus ruim twee jaar na emigratiedatum.

Het is niet onredelijk dat de Nederlandse overheid belasting wil terughalen bij emigranten als die ruim hebben geprofiteerd van belastingfaciliteiten bij opbouw van buitenissige lijfrentes en zo. Het opbouwen van een gewoon pensioen plus een bescheiden lijfrente ter aanvulling lijkt me van geheel andere orde. Ook in zulke gevallen alsnog belasting heffen, lijkt meer op een soort straf voor mensen die emigreren. Waar ligt de grens? Nederland heeft geïnvesteerd in mijn opleiding, onder andere via een studiebeurs. Moet ik die terugbetalen bij emigratie? En mag ik dan ook iets terug verlangen als ik een tegenprestatie heb geleverd voor de Nederlandse samenleving? Ik denk aan de zestien weggegooide maanden die ik doorbracht als dienstplichtig militair met een bizar lage soldij. En aan de vele uren die zijn gaan zitten in mijn vrijwilligerswerk voor de multiculturele samenleving.

Is het moment van emigratie niet hét aangewezen moment om alles te vereffenen? Of blijft de Nederlandse samenleving de emigrant nog lang achtervolgen met claims uit diens Nederlandse tijd?

8 + 2 = ?

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.