Dubbelleven

Harry Polak

vrijdag 5 augustus 2016

Mijn vrouw en ik hebben meer dan zestig jaar in Nederland gewoond. Zij is in Nederland geboren, wat ik haar niet kan nazeggen. Al lag mijn geboorteplaats wel binnen wat toen het Koninkrijk der Nederlanden was. Dat omvatte in de koloniale tijd heel wat meer vierkante kilometers dan nu. Als je na ruim een halve eeuw emigreert om de rest van je leven in een ander land door te brengen (ook al is dat Israël), dan trek je niet zomaar de deur achter je dicht. Tenminste wij niet, en ik heb begrepen dat zoiets voor de meeste Nederlandse Joden geldt die op alija zijn gegaan. De meesten houden hun Nederlandse nationaliteit aan. Als een vangnet voor het geval het hier misloopt.

Nederland staat in beginsel geen dubbele nationaliteit toe. In ieder geval niet als het vrijwillig is verworven, zoals in ons geval wanneer we het Israëlische paspoort zouden hebben geaccepteerd na onze aankomst op Ben Gurion. Als je als Nederlander (m/v) trouwt met een Israëli (m/v) dan kan je het Israëlische paspoort krijgen zonder dat je je Nederlandse nationaliteit kwijtraakt. Dat wordt niet gezien als het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit naast de Nederlandse, maar als een onvermijdelijkheid vanwege het huwelijk. Een ander soort onvermijdelijkheid overkomt Marokkaanse Nederlanders die nooit van hun Marokkaans staatsburgerschap schijnen af te komen. De Marokkaanse koning wil zijn onderdanen nimmer loslaten.

Als Nederland niet zo moeilijk zou doen over een dubbele nationaliteit, dan hadden we het Israëlische paspoort wel geaccepteerd. Israël heeft begrip voor de situatie van Nederlanders die hun Nederlandse pas niet kwijt willen. Met dat paspoort ben je immers welkom in alle landen van de wereld, wat bepaald niet geldt voor houders van uitsluitend een Israëlische pas. Hun actieradius is een stuk beperkter. Overigens, onze Nederlandse pas bevat zoveel Israëlische visa (voor alija én vestiging als permanente ingezetene) dat het als internationaal reisdocument net zo waardeloos is geworden als een Israëlische pas, vrezen we.

Je krijgt als je op alija gaat pas na een jaar een Israëlisch paspoort, niet eerder. De eerste drie maanden mag je nog in- en uitreizen met je oude buitenlandse pas en daarna heb je een tijdelijk reisbewijs nodig (teoedat maävar = doorlaatbewijs). Wij hebben voordat die eerste drie maanden verstreken waren, laten weten dat we geen Israëlische pas zouden aanvaarden omdat we dan het Nederlanderschap zouden verliezen. Op dat moment werden we omgedoopt tot ‘permanente ingezetenen’ en kregen we een speciale verklaring in ons paspoort, zoals hiervoor al aangegeven. Plus dat er iets werd gewijzigd in ons Israëlische identiteitsbewijs (teoedat zehoet). Geen staatsburger, maar permanent ingezetene. We werden ook nog voorzien van een document waarin uitdrukkelijk staat aangegeven dat we geen Israëlische staatsburgers zijn, want dat hebben we geweigerd. Dat bewijs is van belang als Nederland mocht denken dat we toch stiekem Israëli’s zouden zijn geworden en dus ons Nederlandse paspoort zouden moeten inleveren.

Al die formaliteiten en papieren zeggen natuurlijk niets of slechts ten dele iets over hoe je je voelt: Nederlander of Israëli? In de vorige column heb ik het omschreven als ‘we zijn een soort gemankeerde Israëli’s, met name vanwege onze gebrekkige kennis van het Hebreeuws’. Dat blijkt ook uit ons gedrag. ’s Ochtends, bij het ontbijt, beginnen we met de digitale versies van twee Nederlandse kranten. Meestal kan ik het niet laten om opvallende artikelen en dergelijke op Facebook te plaatsen, vaak voorzien van een kort commentaar in het Nederlands. Als we daarna na het douchen de hond gaan uitlaten, begint als het ware een beetje ons Israëlische leven. Niet dat we nou zo uitgelaten met buurtbewoners aan de praat raken, maar er wordt wel eens een kort woordje gewisseld. Of het blijft beperkt tot boker tov dan wel sjalom. Als we mensen wat beter leren kennen, zouden we kunnen overschakelen op: hoe staan de zaken (ma ha-ienjaniem?) et cetera.

De rest van de ochtend en de middag wordt steeds Israëlischer. We doen onze boodschappen, gaan soms op excursie, moeten naar de apotheek of iets in die geest. Dat betekent veelal wat Hebreeuws praten en het proberen te begrijpen als we een riedel terugkrijgen. In noodgevallen schakelen we gauw over op Engels. Als we in het vroege najaar eenmaal op de oelpan zitten, hopen we dat onze taalvaardigheid én ons zelfvertrouwen op linguaal gebied gaat toenemen. Dat is hard nodig.

’s Avonds is het meestal een soort gemengd bestaan van kijken naar Israëlische tv en het lezen van de digitale weergave van een Nederlandse avondkrant. Van de tv begrijpen we weinig, maar soms kunnen we zowaar enkele zinnen volgen. Een tijd geleden wisten we zelfs de antwoorden op een quizvraag, terwijl de Israëlische deelnemer aan de tv-quiz het antwoord schuldig moest blijven. Dat gaf een kick!

Inmiddels beginnen we ook de Nederlandse gemeenschap in Israël een klein beetje te kennen. Voor een deel hetzelfde gedoe als in (Joods) Nederland: onderling gekibbel, scherpe politieke meningsverschillen, en wat al niet. We proberen ons er niet in te storten, maar we volgen het wel. Af en toe plaats ik een bijdrage op een internetgroep van Nederlandse Joden hier.

Eigenlijk bestaat onze wereld niet zozeer uit twee werelden: Nederland en Israël (plus de rest van de wereld uiteraard!) We voelen ons in wezen verbonden met vier gemeenschappen: met Nederland als geheel en met de Joodse gemeenschap in ons oude woonland in het bijzonder, én met Israël als totaal, plus de Nederlandse gemeenschap hier. Die laatste groep bestaat niet alleen uit Joden, er horen ook Nederlanders bij die niks Joods hebben en hier zitten voor werk of studie of zoiets. Helemaal toevallig is het vast niet dat de Nederlanders zonder Joodse roots voor Israël hebben gekozen, maar daar zal een ieder verschillende eigen redenen voor hebben.

De wereld is steeds kleiner, maar nier per se overzichtelijker geworden door het gebruik van internet en sociale media. Ook de reisafstanden zijn fors korter geworden, niet in kilometers maar in tijd. Reizen is tevens goedkoper geworden en niet meer voorbehouden aan de happy few. Heden ten dage komen allerlei soorten mensen elkaar tegen die elkaar vroeger nooit zouden hebben ontmoet. Lijfelijk maar vooral via media als televisie, YouTube en ga zo maar door. Het lijkt wel of de menselijke geest al die technologische verruimingen niet heeft kunnen bijbenen. Niet zelden leidt de ontmoeting (of is het meer de confrontatie?) met anderen en hun culturen, religies en gewoonten tot schildpadgedrag: de luiken gaan dicht en men raakt in zichzelf gekeerd. Geestelijk verkeren velen nog als het ware in het stenen tijdperk, terwijl de moderniteit met alle pro’s én contra’s (!) voor het opscheppen ligt. Vernieuwingen leiden niet zelden tot wegduiken, omdat de moderniteit lijkt te vereisen dat mensen zich losmaken van vertrouwde zekerheden. Dat hoeft helemaal niet: je kunt meegaan met je tijd en tevens tradities koesteren. Mensen zijn geen bomen die vastzitten aan hun wortels.

Wetenschappers hebben zich al heel lang beziggehouden met ‘identiteit’. Wie zijn we en bij wie we willen horen, en ook bij wie niet. Over het laatste gaat het steeds meer, zo lijkt het, mensen zetten zich steeds vaker tegen elkaar af dan bijvoorbeeld vóór 9/11. Identiteitsvraagstukken lijken luxeproblemen in een wereld waarin honger, ziekte en natuurrampen nog lang niet uitgebannen zijn. Het zijn echter net zo goed de ‘have-nots’ die zich druk maken om hun identiteit als degenen die zich de luxe kunnen permitteren om de hele dag na te denken over wie ze zijn en wat daarbij past qua bezit om dat in uit te drukken. Je kunt veel van mensen afpakken maar de identiteit is iets waarover mensen of groepen grotendeels zelf gaan. Het is net zoiets als ‘die Gedanken sind frei’.

Israël is in dat opzicht een bijzondere samenleving. Uit allerlei hoeken en gaten zijn Joden hier naartoe gekomen. Verdreven door antisemitisme (denk aan Arabische Joden die na 1948 naar Israël uitweken met achterlating van hun bezit) of gedreven door idealisme. Of door beide. Vaak werden de banden aangehouden met de eerdere woonplaatsen, tenzij dat niet goed mogelijk was door een vijandige houding van de landen waar men gewoond had. Het kwam ook voor dat Joden terugkeerden naar het land van herkomst of doortrokken omdat het invoegen in de Israëlische samenleving niet goed lukte.

Israël heeft niet alleen een Joodse bevolking, er wonen ook veel Arabieren en andere groeperingen, zoals Armeniërs, Circassiërs, Bahaïgelovigen en anderen. Het gaat om een aanzienlijke minderheid, rond de 20%. Druzen hebben zich sterk vereenzelvigd met de staat Israël, daarom dienen ze ook trots in het leger. Andere Arabieren (Moslim of Christen) hebben niet zelden een dubbele houding ten opzichte van de Joodse staat. Voor een deel begrijpelijk maar dat is nu eenmaal het lot van een minderheid en Joden kennen dat als de beste. Veel, maar zeker niet alle Arabische Israëli’s erkennen het land nauwelijks (ze hebben niks met de vlag, het volkslied en het verdere Joodse karakter van de staat). Of ze erkennen Israël zelfs totaal niet (ze zijn ronduit tegen al die Joodse symbolen en nemen een vijandige houding aan). Ze peinzen er echter niet over om te vertrekken naar een Palestijnse staat, mocht die er komen. Het is ook een soort dubbelleven dat zij leiden, maar totaal anders dan ons dubbelleven.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016