inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Harry Polak

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering in 2012 kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

vrijdag 15 maart 2019

Ons vroegere huis in Amsterdam bevond zich in het zuidelijk deel van de hoofdstad. Dat kon je zien aan de straatnaamborden. Daarop was onder de straatnaam de toevoeging ‘Zuid’ vermeld. Na de instelling van de stadsdelen in Amsterdam werd er met een plakkertje ‘Oud’ aan toegevoegd, want we waren onderdeel geworden van het nieuwe stadsdeel “Oud-Zuid”. Een tijd later moesten de stadsdelen fuseren vanwege bezuinigingen. We werden weer ‘Zuid’; het stickertje ‘Oud’ moest worden afgeplakt.

Iets wat daar een beetje op lijkt, zie ik nu gebeuren met de straatnaamborden in onze woonplaats Herzliya. In Israël hebben straatnaamborden van een stad een eigen kleur. De borden in Tel Aviv-Jaffo zijn wit. Ze zijn drietalig: Hebreeuws, Arabisch en Engels. Dat komt omdat Jaffo in hoge mate Arabisch is. En Tel Aviv is een progressieve stad, dus houden ze het Arabisch naast de voertaal Hebreeuws in ere.

Als je vanaf Tel Aviv via Ramat Hasjaron naar Herzliya rijdt, kom je groene straatnaamborden tegen. Dat is de kleur van de bordjes in Ramat Hasjaron. Bij de grens van Ramat Hasjaron naar Herzliya gaat groen over in blauw. Je kan dus precies zien in welke stad je je bevindt.

In Herzliya heb je blauwe borden die niet verlicht zijn én er zijn borden mét binnenverlichting die wit zijn. Iemand op het stadhuis moet bedacht hebben dat dat echt niet kon. Die verlichte borden moesten óók blauw zijn, dus zijn ze nu bezig al die witte borden met verlichting te vervangen door blauwe. Een hele operatie. Groter dan wat ik eerder meemaakte in Amsterdam Zuid, want een nieuw stickertje heeft wat minder om het lijf dan een compleet nieuw bord met binnenverlichting. Het gaat dan ook niet zo vlot. De straatnaamborden bij ons op de hoek zijn al een tijdje verdwenen. Op een dag waren ze eraf geschroefd en nu is het wachten op de nieuwe blauwe borden. Op het gebouw waar wij wonen, is ook nog een straatnaambord bevestigd. Dat is echter onzichtbaar geworden door hoge struiken die de zijgevel overwoekeren. Eens in de zoveel jaar gaat het mes erin. Het zou nu een goed moment zijn om dat weer eens te doen, zodat iedereen kan zien dat we in Ha’etrog wonen.

We wonen op de grens van Gan Rashal (zo heet onze buurt) en een andere buurt aan de overkant. In Gan Rashal hebben alle straten namen van bomen en vruchten. De etrog kent iedereen die Soekot (Loofhuttenfeest) viert. De vrucht is één van de vier onderdelen van de loelav, de bundel bestaande uit een palmtak, wilgentakjes, mirtetakjes en de gele etrog (een soort citroen), waarmee druk wordt gezwaaid in sjoel tijdens Soekot. Je zou verwachten dat de naburige straten genoemd zijn naar de andere drie elementen van de loelav (palmtak). Niks daarvan, de straat naast ons is genoemd naar de palmboom zonder dadels (de dekel). Achter ons ligt een langere straat die dwars door de wijk loopt, geheten Ha’ilanot (de bomen). Gelukkig ligt ietsje verderop nog wel de Hadassiem (mirtetakken) en een stuk verder weg kom je de Arava (wilgentak) tegen. De loelav is zoek in onze wijk, of hoort die bij de dekel?

De vrij drukke straat die onze buurt scheidt van de overkant, heet HaBrigada HaJehoediet (in het Hebreeuws wordt als het zelfstandige naamwoord bepaald is het bijbehorende bijvoeglijke naamwoord ook steeds voorzien van het bepaalde lidwoord ‘de’, of in het Hebreeuws ‘ha’ (ה). HaBrigada HaJehoediet betekent De Joodse Brigade. Overigens, in het Hebreeuws is het officieel: חֲטִיבָה יְהוּדִית לוֹחֶמֶת (Joodse Strijdbrigade), afgekort חי״ל.

Lang niet iedereen zal daarvan gehoord hebben. Niettemin is die brigade een niet onbelangrijk deel van de wordingsgeschiedenis van dit land.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa werd de jisjoev (de gemeenschap van zionistische Joden die zich hadden gevestigd in het Britse mandaatgebied Palestina) niet direct bedreigd door de nazi’s. Dat veranderde medio 1940, nadat ook Italië aan de strijd ging meedoen. Bovendien kwamen de Franse troepen in Syrië en Libanon, nadat Frankrijk was verslagen door nazi-Duitsland, onder gezag te staan van de Vichy-regering, die heulde met de Duitsers. Tot overmaat van ramp kwam Irak onder Duitse invloed te staan. Maar het kon nog erger: Duitse troepen trokken in 1942 op in Egypte. Ze werden gelukkig uiteindelijk verslagen, voordat ze Palestina konden bereiken.

De zionistische leiders die uiteraard hun aandeel in de oorlog tegen de nazi’s wilden leveren, drongen aan op een eigen eenheid binnen het Britse leger, wat lang werd afgehouden door de Engelsen. Wel werden infanterie-eenheden (vijftien bataljons) bestaande uit Joden uit het mandaatgebied toegevoegd een Engels regiment. De Engelsen waren beducht om Joodse soldaten uit het mandaatgebied goed uit te rusten en in te zetten voor gevechten. Zij werden aan het begin vooral ingezet om wacht te lopen. Pas in 1944 werd een zelfstandige eenheid van 5.000 Palestijnse Joden geformeerd onder de naam Joodse Brigade. Het ging vooral om leden van de Haganah, het in de jaren twintig opgerichte verdedigingsleger van de jisjoev.

De Joodse Brigade nam deel aan de oorlog in Noord-Italië en in het noordwestelijk deel van Europa (ook in Nederland). Zij was tevens gelegerd in Egypte en heeft meegevochten in Noord-Afrika. Aan het slot van de oorlog zetten militairen van de Joodse Brigade zich in voor de redding van Sjoa-overlevenden en clandestiene overbrenging van Joden naar het mandaatgebied. Omdat de Engelse machthebbers de Joden tegenwerkten bij het toelaten van nieuwe Joodse immigranten tot het mandaatgebied Palestina, werd de Joodse Brigade in 1946 opgeheven. Daarna vlamde de strijd tussen de jisjoev en de koloniale mogendheid weer op. In de strijd tegen de Duitsers en hun bondgenoten was dat verzet tegen de Engelsen, uitgezonderd enkele extremisten, tijdelijk gestaakt.

In totaal hebben circa 30.000 Joden uit het mandaatgebied gediend in de Britse krijgsmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn er 700 omgekomen bij krijgshandelingen.

Het is niet zo dat ik elke keer denk aan de zojuist geschetste geschiedenis van de Joodse Brigade als ik de naar hen genoemde straat oversteek. Maar als straks het nieuwe blauwe bord met de straatnaam Habrigada Hajehoediet ook bij onze straat is aangebracht, zullen er zeker momenten zijn dat ik besef welk offer de Joodse soldaten uit het mandaatgebied hebben gebracht in de strijd tegen de nazi’s en hun trawanten. Naast de offers van talloze anderen, wel of niet Joods.

Papieren bron: Historische Atlas van het Joodse volk (redactie Eli Barnavi). 1993: Bosch & Keuning, Baarn.

Delen |

vrijdag 1 maart 2019

In het Brabants Dagblad van 14 februari 2019 stonden twee ingezonden stukken die gericht waren tegen Israël. Op zichzelf niet zo bijzonder, dat komt meer voor en mogelijk ook steeds vaker als het om Israël gaat. Wat mij echter in hoge mate stoorde, is dat beide stukken een loopje namen met de werkelijkheid. Nu heeft iedereen tot op zekere hoogte een eigen versie van de realiteit. Het wordt echter kwalijk als antizionisten via aantoonbare halve waarheden en hele leugens hun gelijk proberen te halen. De goegemeente (in dit geval in Brabant) wordt op die manier om de tuin geleid om maar vooral heel erg tégen Israël te zijn, “de Joodse schurkenstaat.”

Laten we één van die stukken eens bij de kop pakken en analyseren wat er allemaal voor klinkklare onzin of halve waarheden in staan. Redacties maken een kop op basis van de inhoud van een stuk. De kop luidt: “Geen burgers en ook geen burgerrechten.” Daarmee is de toon gezet. De onderkop: “Israël kent geen burgers maar ingezetenen. En die hebben niet allemaal dezelfde rechten. Een analyse over feiten en propaganda (sic, HP).“

De schrijver van het opiniestuk stelt zonder blikken of blozen in zijn opiniebijdrage (en de koppenmaker neemt dat dus braaf over): “Er zijn namelijk helemaal geen burgers in Israël en dus ook geen burgerrechten. Er zijn alleen ingezetenen. En die hebben niet allemaal dezelfde rechten.”

Iedere Israëli, Joods, Arabisch of anders, is gewoon stáátsbúrger van het land met een Israëlisch paspoort en in beginsel gelijke rechten en plichten. Ingezetenen zijn er ook, bijvoorbeeld Arabisch inwoners van het oostelijk deel van Jeruzalem die hebben geweigerd het Israëlisch staatsburgerschap aan te nemen. Je zal mij niet horen beweren dat er geen complicaties zijn rond gelijke rechten en plichten. Bijvoorbeeld: Arabische Israëli’s gaan in de regel niet in het leger, dus gelijke plichten gaan niet helemaal op. De bewering dat dit land louter ingezetenen kent en geen burgers is echter volslagen lariekoek. Erger nog, het is leugenachtige laster, omdat daarmee tegelijkertijd wordt beweerd dat er dus geen sprake is gelijke rechten. (Over plichten gaat het natuurlijk niet bij dit soort opiniemakers.)

Over die discriminerende wetten heb ik regelmatig een en ander gelezen. Meestal wordt het getal vijftig genoemd, soms ook honderd. Op de site van Adalah, de organisatie voor de rechten van de Arabische minderheid, is een database te vinden, waarin deze wetten worden opgesomd. Het zijn er momenteel 65, aldus Adalah, dat is gevestigd in Haifa. Het is nogal een klus om de hele database door te ploegen. Mij viel direct op dat het als discriminerend wordt opgevat als wetten wijzen op het Joodse karakter van Israël. Blijkbaar is Adalah van mening dat Israël een binationale staat of zelfs een Arabische of Palestijnse staat zou moeten zijn.

In een democratie hebben minderheden rechten en plichten, en ook de meerderheid heeft rechten en plichten, zoals het bepalen van het nationale karakter van een staat, de landstaal en dergelijke. Er zijn zeker ingewikkeldheden, omdat Israël zijn Joodse karakter wenst te bewaken. Zo kunnen Arabieren in Israël niet zomaar trouwen met een Palestijn(se) van de Westbank (Judea en Samaria) om zich vervolgens in Israël te vestigen. Er werd namelijk ontdekt dat dit vanaf een gegeven moment wel erg vaak gebeurde en op die manier zou Israël via de achterdeur langzaamaan een Arabische meerderheid kunnen krijgen. Dus werd daar wettelijk een stokje voor gestoken, waar zeker enige kritiek op mogelijk is vanuit Nederlandse verhoudingen. De situatie is hier echter anders.

In het opiniestuk wordt er op gewezen dat de Arabische minderheid van 21 procent zo’n 3 procent van de grond in particulier bezit heeft. Dat klinkt niet goed. Als je je verdiept in hoe dat zit, kom je erachter dat in Israël de meeste grond staatsgrond is of eigendom is van het Joods Nationaal Fonds, dat indertijd grondaankopen voor Joodse immigranten deed. Grond wordt hier doorgaans geleased, dus er is hoe dan ook weinig particulier grondbezit. Het doet me denken aan de gemeente Amsterdam, die bijna alle grond in bezit heeft en via erfpacht aan particulieren ter beschikking stelt. Het grondbezit van Marokkaanse Amsterdammers zal dus wel circa 0 procent zijn. Dat zal echter ook gelden voor Amsterdammers met een ándere etnische achtergrond, dus het is totaal geen bewijs voor discriminatie. Terug naar Israël: ik heb het vermoeden dat het Joodse particuliere grondbezit niet veel hoger is dan 12 procent. En in dat geval kloppen de verhoudingen en is er geen sprake van discriminatie. Al weet ik dat Arabische steden en dorpen nogal eens moeite hebben met de mogelijkheid tot uitbreiding. Zij doen echter weinig aan hoogbouw, zoals in de Joodse sector, en daarom hebben ze relatief veel grond nodig. Uitbreiding gebeurt wel op allerlei plekken, zoals bij Fureidis tegenover Zichron Yaakov.

Het gedeelte in het opiniestuk over regeringsdeelname is onvolledig en wat erop volgt over de natiestaatwet is ronduit demagogisch. Druzen (zij zien zichzelf als Arabieren, maar zijn loyaal aan Israël) nemen wel degelijk deel aan de regering. Het is zeer de vraag of de Arabische partijen dat überhaupt zouden willen, want dan worden ze medeverantwoordelijk voor Israël als Joodse staat. Arabische Israëli’s, niet alleen Druzen, zijn op allerlei plekken te vinden in de samenleving: bij de rechterlijke macht, in de Knesset, in de medische sector, bij de politie en noem maar op. De natiestaatwet geeft aan dat Israël bedoeld is als Joods land. Het vormt met enkele andere basiswetten de grondwet. Ook Groot-Brittannië heeft geen grondwet. En bijvoorbeeld de Griekse grondwet omschrijft Griekenland als Grieks land. Niet-Joden zijn allerminst tot tweederangsburgers verklaard. Gelijkwaardigheid voor Joden en niet-Joden was in de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 al geregeld en in een andere, latere basiswet verankerd. De status quo inzake het Arabisch blijft onveranderd, aldus een letterlijke (!) passage in de natiestaatwet. De schrijver is niet op de hoogte of zit bewust te liegen. Niks “van tafel geveegd.”

Ook de passage over BDS is misleidend. BDS doet het voorkomen alsof het alleen om de bezetting na 1967 gaat. BDS gaat echter ook uit van het vermeende ‘recht op terugkeer’. Dat staat nogal losjes in het opiniestuk. Echter, als daaraan tegemoet zou worden gekomen, verandert Israël in één klap van nationaal karakter. Palestijnen zullen de meerderheid vormen en Israël als Joodse staat verdwijnt langs demografische weg. Het ‘recht op terugkeer’ bestaat niet eens, en voor zover er sprake van is, gold het hooguit en ten dele (!) voor de vluchtelingen van 1948 (enkele honderdduizenden) en niet voor de miljoenen zogeheten Palestijnse vluchtelingen van nu, volgens de UNRWA. Overigens wordt in dit verband nooit gerefereerd aan de grotere groep Joden uit Arabische landen en Iran die naar Israël en elders zijn vertrokken én gevlucht met achterlating van alles.

Het wordt wat eentonig. Ook op de rest van de nogal activistische tekst die uit de pen van een ex-journalist komt, is het nodige af te dingen. De organisatie Jewish Voice for Peace” steunt BDS en is nauwelijks te beschouwen als een organisatie die het goede met Israël voor heeft. Palestijnse leiders hebben voorts regelmatig verklaard dat er geen plaats is voor Joden in het toekomstige Palestina. Net zo min als Joden zich mogen vestigen in Jordanië. Als het over de ‘bezette gebieden’ gaat, is er zeker allerlei scherpe kritiek mogelijk, doch de opsteller van het opiniestuk vergeet gemakshalve dat veel van wat daar gebeurt, is gebaseerd op de Oslo-afspraken met de indeling in A-, B- en C-gebieden. Dat ‘de Muur’ (grotendeels een elektronisch hekwerk) “middenin” bezet gebied staat, wordt direct gelogenstraft met één blik op de kaart. De ‘groene lijn’ is verder geen officiële grens, slechts een wapenstilstandslijn.

Het wordt wat vermoeiend. Inzake de grensrellen bij Gaza wordt alléén met de beschuldigende vinger naar Israël gewezen. Alsof Israël het oké moet vinden dat Gazanen door het grenshek heen breken om met kwade bedoelingen op de woonplaatsen van Israëli’s af te kunnen stormen.

Ten slotte eindigt het opiniestuk geheel in stijl met de rest van het verhaal. Het Arabische vredesplan wordt erg rooskleurig weergegeven. Het is evenwel een soort dictaat, dus take it or leave it, en niet onderhandelbaar. Niet wordt genoemd dat het plan ook verwijst naar VN-resolutie 194, die door de Palestijnen (al dan niet terecht) wordt gezien als onderbouwing van het ‘recht op terugkeer’. Verder wijkt het Saoedische plan af van VN-resolutie 242, dat geen totale terugtrekking uit bezet gebied voorschrijft, doch spreekt van terugtrekking uit ‘bezette gebieden’. Dus zonder lidwoord ‘de’ en dat is veelbetekenend. Velen denken dat deze belangrijke resolutie slechts eist dat Israël zich terugtrekt uit in 1967 veroverde gebieden; er wordt tegelijkertijd geëist dat daar vrede en veiligheid tegenover moeten staan. Van Hamas valt dat al helemaal niet te verwachten en Abbas financiert plegers van aanslagen op Joodse Israëli’s.

Het andere anti-Israëlstuk, op dezelfde pagina, was minstens zo erg. Als Brabant zo wordt ‘voorgelicht’ dan maken ze het daar wel bont. Brabants bont.

PS Een week later plaatste het Brabants Dagblad een weerwoord van mij. Dat kon maar circa 150 woorden bevatten. Bovenstaand opiniestuk was ruim 900 woorden. Bovendien had het een vette kop en was er een grote foto bij geplaatst van een verwoest gebouw in Gaza. Bij een korte ingezonden reactie heb je bijna altijd het nakijken.

Delen |

vrijdag 15 februari 2019

Eerder schreef ik al eens een Crescas-column over Einat Wilf. Ze was jaren geleden lid van de Knesset voor de partij Arbeid en daarna voor de Onafhankelijkheidspartij van Ehoed Barak. Ze is tegen de nederzettingenpolitiek, maar niet tegen de bezetting. Althans, zolang er geen gedegen vredesregeling is met de Palestijnen en hun Arabische plus islamitische medestanders.

Ook heb ik eerder een column in de Crescas-nieuwsbrief gewijd aan de onlangs in Israël geaccepteerde Nation State Law. Die column was eigenlijk een reactie op wat ik eerder aan tamelijk vaak kwaadaardige onzin las over die wet. Op de wet valt zeker een en ander af te dingen, maar wanneer tegenstanders het zien als een soort “nazistaatwet” dan zijn ze het spoor goed bijster of volkomen verblind door anti-Israëlisch of zelfs anti-Joods sentiment. Zij zouden er voor de lol eens de Griekse grondwet of de Palestijnse conceptgrondwet bij moeten pakken.


Een still uit het debat op 92Y

Onlangs volgde ik op internet een Amerikaans debat waaraan Wilf deel nam. Thema was de zojuist genoemde natiestaatwet. Wat zij en een medestander (Eugene Kontorovich) naar voren brachten, was mij uit het hart gegrepen. Een belangrijke opponent, Peter Beinart (dat is niet de minste), droeg allerlei tegenargumenten aan, waarvan sommigen naar mijn idee raak waren en anderen zwaar overtrokken. De Arabische Israëli in het forum, de bekende Sayed Kashua, die nu in de VS woont nadat hij Israël de rug toekeerde, kwam naar mijn idee niet veel verder dan dat Israël een fout land is, omdat het een Joods en geen Arabisch land is. Triest als je daarin blijft steken, zoals zoveel Arabische inwoners van Israël, om over hun Palestijnse broeders aan de andere kant van ‘de Groene Lijn’ maar te zwijgen. Dan heb je geen flauw benul wat begrippen als meerderheid en minderheid inhouden in een democratie. De minderheid moet worden gerespecteerd, de meerderheid hoeft niet te buigen voor de minderheid.

Einat Wilf heeft een informatieve website. Daarop zijn onder andere colleges te vinden over diverse onderwerpen die allemaal te maken hebben met zaken als: zionisme, Joodse staat en het Palestijns-Israëlisch conflict.

Crescas-lezers die geïnteresseerd zijn en tijd hebben, zouden eens een kijkje kunnen nemen op haar website. Of zelfs het Amerikaanse debat (duurt wel ongeveer drie kwartier) kunnen uitzitten. Als dat naar meer smaakt dan valt er nog een interessant boek van Yossi Klein Halevi aan te raden: Letters to my Palestinian Neighbour. Daarin doet Klein Halevi een uiterste poging om aan Palestijnse en andere lezers uit te leggen wat Israël voor Joden betekent. Klein Halevi is hartstochtelijk voorstander van de twee-statenoplossing, al begrijpt hij heel goed waarom Joden zich na 1967 in Judea en Samaria hebben gevestigd. Dat deden ze namelijk ook al vóór 1948, totdat ze op de vlucht sloegen of eruit werden gegooid of erger door de Jordaniërs die in dat jaar de westelijke Jordaanoever innamen. Uiteraard staan de nederzettingen op het eerste gezicht op gespannen voet met de twee-statenoplossing. Er zijn daarvoor echter al lang oplossingen bedacht, namelijk landruil. En bedenk eens hoeveel Arabieren c.q. Palestijnen in Israël wonen zonder dat dit de twee-statenoplossing in gevaar brengt.

Einat Wilf grossiert in kernachtige uitspraken die aan het denken zetten. Eén van de mooiste vind ik dat Israël de enige Joodse staat is in de wereld, waar voortdurend onderling wordt gediscussieerd over de vraag wat het nou precies inhoudt om een Joodse staat te zijn. Vergeet daarbij niet dat Wilf zichzelf als volstrekt seculier beschouwt. Joods in allerlei opzichten, doch niet religieus Joods. Overigens, was ze dat wel geweest dan hadden de discussies ook niet van de lucht hoeven te zijn. Tenminste, als met open vizier zou worden gedebatteerd over wat religieus Jodendom inhoudt. Helaas komen dit soort discussies onder datiem meestal niet verder dan gekissebis over praktische halacha op het vlak van kasjroet, sjabbatrust en vergelijkbare zaken. Vanuit hun achtergrond ongetwijfeld heel belangrijk, maar het grotere geheel (de door de Allerhoogste geschapen wereld omvat méér dan alleen het Jodendom) lijkt volkomen uit het oog te worden verloren. Een orthodoxe denker als Yehuda Leibovitch was daar wel toe in staat, al hanteerde hij de meest sombere profetieën over de richting van de Israëlische samenleving na de verovering van de Palestijnse gebieden.

Ondertussen is het nog even wachten op de Engelse vertaling van het laatste boek van Wilf, over het door Palestijnen geclaimde ‘recht op terugkeer’. Helemaal stilzitten tot de publicatiedatum hoeft niet, want er is nog het dikke boekwerk van Ben-Dror Yemini over het Palestijns-Israëlisch conflict. Boordevol feiten over misleidende informatie aangaande het Palestijns-Israëlisch conflict onder de titel Industry of Lies: Media, Academia, and the Israeli-Arab Conflict

Een andere aanrader schijnt te zijn: In Search of Israel: The History of an Idea, van Michael Brenner. Ik moet er nog aan beginnen. Els van Diggele schreef er een lovende recensie over voor NRC.

Meer dan genoeg te lezen en te bekijken om je te wapenen met het oog op de ruim honderdjarige propagandastrijd over welk volk het recht heeft – of welke volkeren het recht hebben – om zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen in het gebied dat Israël en de Palestijnse gebieden omvat. En daarbij laten we Jordanië – dat in 1923 opeens werd afgesplitst van het Engelse mandaatgebied – dan maar even buiten beschouwing.

Toch gaat het niet primair om kennis over het eindeloze conflict tussen Palestijnen en Joden. Het begint allereerst met emotie. Kan je enige verbondenheid opbrengen voor de ander, voor je medemens? Die eveneens naar Gods evenbeeld is geschapen, volgens de Joodse traditie. Ben je in staat je open te stellen voor het levensverhaal van de ander? Uiteraard is dat een wederzijdse verplichting! Als dat lukt dan is er al een wereld gewonnen. Dan zijn we er echter nog lang niet, want het vredespad wordt nagenoeg onbegaanbaar gemaakt door talloze beren op de weg.

Delen |

vrijdag 1 februari 2019

Het kan zijn dat mijn geheugen me in de steek laat, maar bij mijn weten heb ik nooit eerder longontsteking gehad. Nu, in Israël, is het raak. Dit land krijgt de akelige primeur. Ondanks griepprik en zelfs de vaccinatie tegen longontsteking vorig jaar, dus toch pneumonie. Of zoals ze hier zeggen: daleket reeot of reea.

Hoe heb ik het opgelopen? Geen idee. Was het omdat ik een keer bij het uitlaten van ons hondje werd overvallen door een gigantische hoosbui en kletsnat thuiskwam? Of is het gebeurd via besmetting door de kinderen van onze oudste dochter? Die zijn allebei behoorlijk ziek geweest en we hebben op hen opgepast tijdens hun ziekteperiode, dus er was veel contact. Onze oudste kleinzoon was een zielig hoopje toen hij was geveld door de griep met pittige koorts. Nadat hij was opgeknapt, was het de beurt aan zijn zusje. En konden we als opa en oma weer komen opdraven, want de gan (crèche) wil geen zieke kinderen binnen de muren. Ze mogen pas weer terugkomen als ze minstens één dag koortsvrij zijn geweest. Ons jongste kleinkind, van onze jongste dochter, heeft ook longontsteking gehad, zo klein als ze is. We hadden met haar te doen.

Misschien had onze schoonzoon uit Spanje nog wat bacteriën ‘over’ tijdens de lange logeerperiode bij ons vanaf eind december. Hij had begin december thuis opeens longontsteking gekregen. Aanvankelijk was het onduidelijk waardoor hij was geveld; ‘de griep’ ging maar niet echt over. Nadat de diagnose “longontsteking” werd gesteld, kwam de oplossing in zicht. Een antibioticakuur van tien dagen en hij was er vanaf, waarna hij aan zijn herstel kon gaan werken. Longontsteking hakt er doorgaans stevig in.

Wellicht liep ik tegen de bacterie op tijdens ons bezoek aan het iets hoger gelegen Druzenstadje Daliat-al-Karmel, vlakbij Haifa, waar het nogal koud was. In het restaurant waar we ons tegoed deden aan de lunch, hebben we uiteindelijk onze jas maar weer aangedaan. In het deel van het restaurant waar we zaten, was het ronduit vrieskoud. Pas later, ongeveer bij het afrekenen, ontdekte onze schoonzoon dat het in een ander deel comfortabel warm was.

Op die dag moet ik ziek zijn geworden. De terugrit naar huis heb ik nog gehaald, maar eenmaal thuis wilde ik maar één ding: plat en onder de wol. Het was veel prettiger geweest als onze schoonzoon achter het stuur had kunnen plaatsnemen voor de terugweg. Echter, in onze auto ben alleen ik verzekerd als bestuurder. Dat heeft weer te maken met de aankoop van deze nieuwe auto, waarop een beetje korting zit voor oliem (immigranten, volgens de Wet op de Terugkeer). Zo’n auto mag je niet gelijk verkopen, plus dat je er zelf in moet rijden. Mijn vrouw mag er uiteraard als nieuwe immigrante ook in rijden. Daar heeft ze vanwege het Israëlische verkeer echter helemaal geen trek in. Haar verzekeren als tweede bestuurder hebben we maar laten zitten.

In Nederland ben ik bij griep zelden naar de huisarts gegaan. Hier was ik dat ook allerminst van plan. Dus deed ik het de eerste week met tabletten tegen keelpijn, die vrij verkrijgbaar zijn bij de apotheek of drogist. Onze dochters begonnen wel direct te piepen dat ik snel naar de huisarts moest, want ze vonden me erg ziek. Bovendien had ik ook wat koorts, naast constant gehoest vanwege met slijm dichtzittende bronchiën. Onze oudste dochter heeft na haar aankomst in Israël volkomen onverwacht longontsteking gekregen en zij meende de symptomen bij mij te herkennen. Bij haar is het aanvankelijk niet onderkend door de huisarts. Pas toen ze een verwijzing kreeg naar de longarts, na enig aandringen van haar kant, werd de juiste diagnose gesteld en begon haar tiendaagse antibioticakuur, met goede afloop.

Haar waarschuwing dat ik misschien echt longontsteking had, klonk in mijn oren nogal overdreven. Dit moest griep zijn en niet eens hele zware, want dan heb je veertig graden koorts en dat had ik bij lange na niet. Al voelde ik me zo slap als een vaatdoek.

Toch ben ik maar naar de huisarts gegaan, vanwege de benauwdheid en het constante gehoest. Ook ’s nachts, dus van slapen kwam niet veel. Naar de huisarts gaan, was niet eens zo heel eenvoudig. Onze huisarts heeft geen inloopspreekuur, alles gaat op afspraak. Die kun je makkelijk maken via de website van onze verzekeraar Maccabi. De eerstvolgende mogelijkheid was helaas pas na ongeveer anderhalve week. Veel te ver weg. Onze middelste dochter, die bij ons op vakantie was met man en (klein)zoon heeft nog gebeld, doch zij kreeg de assistente steeds maar niet aan de lijn. Een verkeerd nummer bleek achteraf, toen we op de stoep stonden bij de dokter. De assistentie vond het maar niks dat we niet eerst telefonisch contact hadden gehad en zomaar voor haar neus stonden. Gelukkig had de dokter tegen het eind van zijn rooster die dag wat tijd. We waren al lang blij en dat anderhalve uur rondhangen in de wachtkamer namen we op de koop toe.

Hij luisterde met de stethoscoop naar mijn longen en gaf pillen tegen de slijmvorming. Ik moest maar weer bellen als het niet wegging. Die pillen hielpen wel iets, maar absoluut niet voldoende. Al onze dochters vonden het inmiddels te gek worden, want ze zagen hoe ik erbij liep en hoorden dat voortdurende gehoest. Plus het feit dat ik nog steeds verhoging had. Na een week zorgde onze jongste dochter ervoor dat ik werd gebeld voor een afspraak. Ik had nog moeite om de assistente te begrijpen. Ze belde rond kwart voor negen ’s ochtends, ik was al helemaal klaar voor vertrek naar de huisarts, en ze riep iets over asara le-eser. Ze merkte dat ik daar niks van bakte en herhaalde teesja va-chamisjiem. Dat drong tot mijn botte hersens door: negen uur vijftig (oftewel tien voor tien, wat ze daarvoor zei). Het is mij een raadsel waarom ze de mannelijke vorm voor ‘tien minuten’ gebruikte, want minuten zijn vrouwelijk. Misschien is het mooier Hebreeuws om niet eser le-eser (de vrouwelijke vorm) te zeggen, maar asara le-eser. Ik had het natuurlijk allebei moeten verstaan. Dat mag wel na bijna drie jaar hier. Wie weet was het mijn duffe kop waardoor ik geblokkeerd raakte en dacht Chinees te horen?

Dit keer was de huisarts uiterst serieus. Alles ging in het Engels, want hij wilde per se dat ik het volkomen begreep. Vaak gaat het de laatste tijd half in het Hebreeuws, half in het Engels, want hij waardeert mijn pogingen om het in het Hebreeuws te doen en wil me daar best bij helpen. Hij stuurde me naar het röntgen-instituut, want hij wilde weten of er sprake was van longontsteking (rule out) en hij vond dat ik direct met een antibioticakuur moest beginnen. Een korte kuur van vijf dagen. Dat wordt tegenwoordig vaak genoeg gevonden.

De volgende dag zaten we in Ra’anana, want Herzliya, waar we wonen, heeft geen röntgenapparatuur voor Maccabi-klanten. Nadat de foto’s waren gemaakt, moest ik nog even op de uitslag wachten. Eindelijk werd ik opgeroepen en kreeg te horen: u heeft longontsteking; ga direct naar de huisarts.

Halverwege de middag stonden we weer bij de huisartsenpost, aan het begin van zijn spreekuur. Er was die middag en later op de avond geen enkele afzegging, hij zat totaal vol, zei de assistente. Gehaast kwam de huisarts net binnenzetten. Hij stond ons kort en wat korzelig te woord: hij had de uitslag ook gezien, Oké, longontsteking, maar hij had al antibiotica voorgeschreven, dus we konden weer gaan. Na een week of zes weer een foto ter controle. Ik vroeg of ik dezelfde antibiotica kon gebruiken nu bleek dat het om longontsteking ging. Voor het eerst merkte ik ongeduld en irritatie bij onze in de regel vriendelijke en kordate huisarts. Het viel me tegen van hem, want longontsteking is – als je wat ouder bent – niet helemaal niks. Hij had het met mij niet echt over longontsteking gehad, in ons laatste contact ging ik nog steeds uit van bronchitis.

De kuur is inmiddels afgelopen. Ik hoest nog steeds veel. Het slijm zit wel flink los, alleen het zit er nog steeds en ik merk niet direct dat de aanmaak is gestopt. De bacteriën zijn kennelijk nog niet verdwenen. Of het gaat om een virus en dan helpt antibiotica niet. Dat wordt nog spannend. De huisarts lijkt te denken dat de kuur afdoende moet zijn. Als dat toch niet zo is, wil ik zo langzamerhand een verwijzing naar een longarts.

PS: Onze jongste dochter heeft een goede vriendin die medicijnen heeft gestudeerd in Nederland en in Israël haar huisartsenopleiding heeft afgerond. Ze was zo lief om me te helpen bij het vertalen én interpreteren van het bericht van de radioloog aan de huisarts. Longontsteking in de linkerlong, onderin zoals vaker, geen vocht in de longen en ook geen vergroot hart, wat gunstig is. Ze legde uit dat het geen teken is van niet geslaagde therapie als de slijmvorming en het hoesten niet gelijk ophouden. Het antibioticum dat ik kreeg, hoort tot het vaste repertoire. Een hele geruststelling! Zo zie je maar weer hoe belangrijk goede communicatie met een arts is.

Delen |

vrijdag 18 januari 2019

Ons oudste kleinzoontje vierde onlangs zijn vierde verjaardag met een leuk feestje ín huis vanwege het weer. Er waren veel kinderen van de gan (crèche) gekomen en zijn Israëlische vader was de opperstalmeester die leiding gaf aan de spelletjes die werden gespeeld. In Israël is het gebruikelijk dat de ouders blijven tijdens het kinderfeestje. Ze houden zich wat afzijdig en kletsen met elkaar, tenzij er iets vervelends gebeurt. Bijvoorbeeld, toen twee jongetjes niet aan elkaar wilden toegegeven in de eindfase van de stoelendans, één van de vele spelletjes. Uiteindelijk moest er toch een winnaar worden aangewezen, waarna de verliezer direct heftig in tranen was. Zijn ouders ontfermden zich toen over hem.

Deze kleinzoon woont hier nu bijna tweeënhalf jaar. Hij is in Amsterdam geboren, in tegenstelling tot zijn jongere zusje, dat Tel Aviv als geboorteplaats heeft staan in haar beide paspoorten. Toen hij op een crèche zat in het statige Amsterdam Zuid, in de Willemsparkbuurt, vlakbij het Vondelpark, haalden we hem regelmatig op. Dat was heel bijzonder. De crèche was supergeorganiseerd, alles om door een ringetje te halen. Binnenkomen met schoenen was volstrekt taboe. Uitdoen of hoesjes, die ruim voorhanden waren, om de schoenen heen doen. Elke dag werd keurig verslag gedaan van zijn crèchedag: of hij goed had gegeten, of hij goed had geslapen en of er nog bijzonderheden waren. Het was een dure crèche en daarom pasten we één dag in de week op hem.

Aan de crèche zal hij vast goede herinneringen hebben overgehouden, al zal het meeste nu wel weggezakt zijn naar de bodem van de oceaan van het geheugen. Het was er rustig, vriendelijk en zeer schoon. Je kon er van de vloer eten.

Dat kon je ook op de eerste crèche waar hij terecht kwam na zijn aankomst in het geboorteland van zijn vader. Wat een chaos, wat een balagan. Tijdens het eten kwam er van alles op de grond terecht. Dat werd uiteraard wel opgeruimd, maar pas aan het eind van de crèchedag, niet eerder. De manieren daar waren vaak grof. Tegen de ouders, tegen de kinderen waren ze gelukkig liever. Het was een WIZO-gan en de enige crèche waar ze nog een plek hadden, omdat onze oudste dochter en haar man toch vrij plotseling hadden besloten ons achterna te komen.

WIZO is één van de leidende organisaties op het gebied van dagcentra voor kleine kinderen. Op hun website lees ik dat er ruim 180 gewone crèches zijn. En ze hebben meer, zoals speciale dagcentra voor kinderen die in een risicovolle gezinssituatie opgroeien. Er gaan zo’n 15.000 baby’s naar de WIZO-opvang.

Als ik het goed heb begrepen, oefent de overheid toezicht uit op de kinderopvang. Deze eerste fase van kinderopvang (genaamd maon) loopt vanaf drie maanden tot drie jaar, onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep is voor kinderen van 3-15 maanden met een maximum groepsgrootte van vijftien en één volwassene voor zes kinderen. De tweede groep loopt van 15 maanden tot twee jaar, maximale groepsgrootte 23, ratio 1 op 9. En de derde groep gaat dus van twee tot drie jaar. De groepsgrootte is zelfs 27, ratio 1 op 11. Met zo’n groepsgrootte wordt het gauw balagan.

Je hebt ook de misjpachton, gesitueerd in particuliere woonhuizen, waarvoor eveneens overheidstoezicht kan worden aangevraagd. Plus dat er subsidie schijnt te worden verstrekt.

Ongeveer een kwart van de Israëlische kinderen gaat naar een maon of misjpachton. Van de rest van de in totaal 600.000 kindertjes is onbekend welke oplossing is gevonden voor opvang.

Naast de zojuist genoemde mogelijkheden zijn er particuliere opvangmogelijkheden zonder toezicht. Iedereen die dat wil kan zo’n centrum openen. Daar is men niet gelukkig mee en er is gewerkt aan wetgeving om dat tegen te gaan. Dat wetgevingsproces is nog niet voltooid.

Ondanks het toezicht gaan er dingen mis. Zo vertelde een ganenet (kinderleidster) uit Tel Aviv, die in vijf centra in de regio had gewerkt, dat ze overal misstanden meemaakte. Zo was er een kind dat nog trek had; zij vroeg daarom om wat extra eten bij de leidinggevende, die daarop zei: ze hebben al te eten gehad, we doen niet aan méér maaltijden. Waarna het jongetje uit zijn stoel werd geplukt en hardhandig tegen de grond gewerkt. Protesten bij de hoogste leidinggevende haalden niets uit. In Petach Tikva overleed in mei 2018 een kindje van veertien maanden. De leidster die dit op haar geweten heeft, was al eerder aangeklaagd vanwege het toepassen van geweld tegen peuters. Die zaak werd toen gesloten vanwege gebrek aan bewijs.

Gelukkig horen we niks van dat soort ellende over de gan van ons oudste kleinzoontje. Na zijn derde is hij naar een andere gan gegaan, wat al neerkomt op voorschools onderwijs. Ganot vanaf die leeftijd vallen onder het ministerie van Onderwijs. Dat is te merken, want hij kan inmiddels het hele alef bet opdreunen. En de letters kan hij ook aardig lezen. Tellen hoort eveneens bij programma, dat kan hij al een tijdje enigszins. Hij sloeg in het begin wel steeds zestien (sjeesj-esree) over bij het tellen van één tot twintig en verder. Dat is voorbij.

Straks gaat hij naar school. Dat begint met vijf of zes jaar en duurt tot zijn vijftiende: het eerste deel is basisschool, het vervolgdeel is een middenschool. Uiteraard kan je er nog wat jaren aanplakken, drie om precies te zijn. Onderwijs staat in hoog aanzien in Israël. Het heeft ongetwijfeld mede te maken met de Joodse cultuur, waarin lernen centraal staat.

Delen |
mrt 2019Habrigada hajehoediet (הבריגדה היהודית)
mrt 2019Brabants bont
feb 2019Einat Wilf
feb 2019Longontsteking
jan 2019De gan
jan 2019Nazareth
dec 2018Conserverende aanslag
nov 2018De 30ste november
nov 2018Stadsparken
nov 2018Bitoeach sioedi (ביתוח סיעודי)
okt 2018Lokale verkiezingen
okt 2018Herzliya - Amsterdam v.v.
sep 2018Laat de UNRWA opgaan in de UNHCR
sep 2018Bezeq is niet HOT
aug 2018Israël als natiestaat
aug 2018Aardbevingen
jul 2018Familiebezoek
jul 2018Nederlanders over de grens
jun 2018Op stap naar Spanje
jun 2018Films en nieuws kijken
jun 2018Nederlandse taalles in Israël
mei 2018De Giro d’Italia en nog wat
mei 2018Jom Ha Sjoa
apr 2018Dialoog
mrt 2018Het huurcontract
feb 2018Oelpan (Hebreeuws les) – de volgende klas en nog wat
jan 2018Winkelsluitingswet
dec 2017Witgoed
nov 2017Geoefende analfabeten
okt 2017Thuis
okt 2017Israël. Hoe kun je dáár nou gaan wonen?
sep 2017Op en neer naar Nederland
aug 2017Hollanders ‘in den vreemde’
jun 2017Israël op zijn smalst
mei 2017Staaroperatie in het Assutaziekenhuis
apr 2017Stemmen vanuit Israël
mrt 2017Een jaartje verder
jan 2017Oelpan
okt 2016Tweedehands of nieuw?
sep 2016Op zoek naar een auto
sep 2016Zachte landing
aug 2016Het verkorte rijexamen (mivchan hamara = conversietest)
aug 2016Dubbelleven
jul 2016Mea (100)
jul 2016Nola
jun 2016Cultuur
jun 2016Misrad Harishui (ministerie van Vergunningen)
mei 2016Antizionisme
mei 2016Geduld
mei 2016Zeg eens A(lef)
apr 2016Liften of niet?
apr 2016Een hele belasting
mrt 2016Alija