inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Harry Polak

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

vrijdag 21 september 2018

Dr. Einat Wilf, van 2010 tot 2013 Knesset-lid, onder andere voor de Arbeidspartij (Avoda), schreef samen met voormalig Haaretz-journalist Adi Schwartz het boek Milchemet zchoet hasjiwah (The War of Return). Het gaat over het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk. Het boek is recent verschenen in het Hebreeuws. Er wordt gewerkt aan een Engelse vertaling, die naar verwachting in 2019 zal uitkomen.

Wilf stelt dat het zogeheten recht op terugkeer hét grootste obstakel is voor vrede als het gaat om het Palestijns-Israëlisch conflict. Groter nog dan de nederzettingen op de Westoever – of in Judea en Samaria, zoals rechts Israël dat gebied aanduidt. Volgens haar zouden de internationale diplomaten net zo hard te hoop moeten lopen tegen het zogenaamde ‘recht op terugkeer’, dat voor de Palestijnen heilig is, als zij doen tegen de nederzettingen ten oosten van de groene lijn, de bestandslijn aan het eind van de oorlog van 1948. Voor Israël was dat de Onafhankelijkheidsoorlog, voor Palestijnen hun Nakba.

Terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar wat nu Israël is, zou volkomen in strijd zijn met de algemeen geaccepteerde twee-statenoplossing: Joden en Palestijnen ieder een eigen staat. Beiden hebben legitieme aanspraken op hetzelfde gebied. Verdelen is dan de minst slechte optie.

Einat Wilf schreef op haar Twitteraccount onder andere het volgende: “Palestinians became refugees NOT because they didn't have a state. REVERSE is true: In REFUSING their own state, AND in opening war to prevent Jewish people from having theirs, and in losing war, they became refugees. 70 years later, they still prefer being refugees over a state.”

Wilf is tegen de nederzettingen, maar niet tegen de bezetting. Die ontstond nadat Israël zich met groot succes verweerde tegen de zeer serieuze oorlogsdreiging van Egypte en Syrië, waar Jordanië zich bijvoegde zodra de strijd was losgebarsten. Zolang het niet tot een sluitende vredesregeling komt tussen Palestijnen (en de Arabische wereld) en Israël, is de bezetting als legitiem te beschouwen. Een noodzakelijk kwaad.

Ik zal moeten wachten op de Engelse vertaling. Ondertussen heb ik al een en ander gelezen over Wilf en haar ideeën. Zij beschouwt zichzelf nog steeds als links, vermoedelijk zullen velen aan die kant van het politieke spectrum haar eerder als tamelijk rechts zien.

Hoe eerder het tot een werkbaar en echt vergelijk komt tussen Israëli’s en Palestijnen, hoe beter, wat mij aangaat. Oslo bood een goede opmaat tot zo’n regeling, doch het Oslo-vredesproces is volkomen doodgebloed. Zowel Abbas als Netanyahoe treft schuld. Trump probeert het vredesproces nieuw leven in te blazen. De vraag is of dat enige kans van slagen heeft nu hij de Palestijnen steeds meer van zich vervreemdt door de aangekondigde verplaatsing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem en andere (straf)maatregelen.

Een van de harde maatregelen is het stoppen van de Amerikaanse financiële steun aan de UNRWA, de organisatie die in 1950 in het leven is geroepen om Palestijnse vluchtelingen bij te staan. In die periode ging het om circa 700.000 Palestijnse vluchtelingen. Omdat de UNRWA ook nazaten van de oorspronkelijke vluchtelingen erkent, hebben we het nu over zo’n vijf miljoen personen. Zij hopen allemaal eens ‘terug te keren’. De meesten van hen wonen echter al in Palestijns gebied, namelijk Gaza en de Westoever.

De andere vluchtelingenorganisatie, de UNHCR, helpt álle andere vluchtelingen in de wereld. In tegenstelling tot de UNRWA richt de UNHCR zich op integratie van vluchtelingen in hun nieuwe woongebied of op terugkeer, mits dat haalbaar is. De UNHCR helpt vluchtelingen van hun vluchtelingenstatus af, kan je zeggen, de UNRWA houdt het vraagstuk echter in stand.

Afgezien van de Palestijnse vluchtelingen heeft de oorlog van 1948 tussen het toen net opgerichte Israël en omringende Arabische staten (Iran kwam nog niet echt in het verhaal voor) ook Joodse vluchtelingen opgeleverd uit Arabische landen. Hun aantal is ongeveer net zo groot of zelfs iets groter. Israël heeft deze vluchtelingen succesvol geïntegreerd, al bleek dat oriëntaalse Joden zich in het begin veelal achtergesteld voelden ten opzichte van de Joden uit het westen. Voor deze vluchtelingen kwam geen hulp van de UNRWA, en ook niet van de UNHCR.

Velen zijn beducht voor het stoppen van de financiële steun door de VS voor de UNRWA. Het leidt tot grotere ellende voor de Palestijnen in vluchtelingenkampen, die gewoon permanente stadjes zijn, zo wordt gesteld. Dat kan weer leiden tot meer geweld. Er wordt al flink mee gedreigd.

Hoewel het politiek vast volstrekt onhaalbaar is, zou het verplaatsen van de financiële input van de UNRWA naar de UNHCR een betere stap zijn, naar mijn idee. Laat de UNHCR de UNRWA overnemen. Het UNHCR-model werkt beter, terwijl de UNRWA al decennia verkeerd bezig is, namelijk met het koesteren van de vluchtelingenstatus in plaats van het oplossen ervan.

Tal van landen hebben bewezen dat integratie van vluchtelingen kan. Waar een wil is, is een weg. India en Pakistan, Griekenland en Turkije, Duitsland met zijn Sudeten-Duitsers. Geen van deze groepen vluchtelingen als gevolg van een etnische of religieuze oorlog is nog bezig met recht op terugkeer. Ze berusten al lang in hun lot, omdat dat tot een betere toekomst heeft geleid dan zinloos blijven dromen over onhaalbare terugkeer.

Delen |

vrijdag 7 september 2018

Afgelopen week was de laatste les van mijn vierde oelpanklas (oelpan is ‘studio’, in dit geval: taalstudio). Of vijfde, als je de paar conversatielessen voor gepensioneerden van het allereerste begin meerekent. Die waren slechts op proef en toen te hoog gegrepen. Dat wist ik van tevoren, maar indertijd wilde ik alvast een begin maken en dat mocht van oelpan Gordon. Het wachten op de eerste echte oelpanklas (niveau bet, dus B) duurde me namelijk veel te lang, omdat we ‘in de wachtkamer’ zaten.

In de afgelopen twee jaar heb ik vier leerkrachten gehad. Ze waren allen prima. Ze legden alles goed uit, waren erg geduldig en altijd vol complimenten om leerlingen aan te moedigen. Ze konden ook best streng zijn als er fouten werden gemaakt. Gelukkig maar, zachte heelmeesters …

Mijn laatste twee klassen waren praatlessen (kita diboer) op niveau gimel (C). Nauwelijks huiswerk, in beginsel weinig grammatica, al haalde juf Ilana er toch regelmatig van alles bij als ze hoorde dat er een elementaire fout werd gemaakt. Het ging echter vooral om het praten. Ilana begreep als geen ander dat zij vaak wel begreep waar een leerling het over had, terwijl het voor anderen regelmatig niet te volgen was. Daarom herhaalde ze vaak wat iemand had gezegd, waarbij tevens foutjes werden verbeterd op plezierige en leerzame wijze.

Aan het eind van de lessen luisterden we naar speciale nieuwsuitzendingen. Daarna lazen we samen wat er was voorgelezen door de nieuwslezeres. Die nieuwsitems zijn te vinden op de website van het ministerie van Onderwijs. Geluid met tekst, zonder klinkers. Niet altijd even makkelijk.

De praatklassen waren net als de eerdere lessen slechts twee keer per week. Zowel mijn vrouw als ik kozen voor deze ‘slakkenvariant’, omdat we bang waren dat een hoger tempo voor ons als oudere leerlingen tot uitputtingsverschijnselen zou leiden. Dat hadden we goed aangevoeld. Aanwezig zijn en meedoen in de klas is één ding, thuis repeteren en vooral onthouden plus toepassen is iets anders.

De proef op de som van al die lessen is uiteraard of het lukt om het Hebreeuws ‘op straat’ te volgen en ook nog wat terug te zeggen. Dat gaat met ups en downs. Vooral downs eigenlijk. Telefoneren is de grootste uitdaging. Opnemen én zelf gaan bellen. Meestal begin ik gelijk te roepen of het gesprek in het Engels kan worden gevoerd. Dat wil nog wel eens lukken, maar lang niet altijd. Dan moét het wel in het Hebreeuws. Wel zo leerzaam. Alleen als het om belangrijke zaken gaat, is het gewoon riskant. Stel je voor dat je iets niet begrijpt, zij denken dat je instemt met iets, dan zit je eraan vast.

Zo had ik pas iemand van Celcom aan de lijn. We hebben namelijk besloten met een andere provider voor tv, internet en vaste telefoon in zee te gaan. We hadden een zogenaamd triple-pakket van HOT. Daar was ik niet tevreden over, vooral niet over het tv-pakket. Celcom wilde ons graag als nieuwe klant binnenhalen en hun triple-pakket was én goedkoper én beter. Meer televisienetten, zelfs films zonder bijbetaling, plus iets hogere internetsnelheid. Onze jongste dochter die voor onze aankomst HOT had geregeld, had ons echter uitgebreid gewaarschuwd voor de overstap: in onze buurt heeft HOT een soort monopolie op internet en daarom had ze HOT moeten nemen. Celcom beloofde echter dat ze een aansluiting via Bezeq konden regelen. En mocht dat niet lukken, dan kon HOT worden gehandhaafd voor internet en vaste telefoon. Zij zouden dan louter tv bieden. Het prijsvoordeel van het triple-pakket viel in dat geval helaas weg.

Voor wie het duizelt na die kreten als Celcom, HOT en Bezeq én precies wil weten wat daarachter steekt, het volgende. In Israël moet je doorgaans met twee aparte bedrijven in zee als je een internetaansluiting wil. Eén voor het kale netwerk (de infrastructuur) en één voor ‘de inhoud’. Inhoud betekent mails ontvangen en verzenden en uiteraard surfen op internet via websites. De infrastructuur (tasjtiet) wordt geboden door de vertrouwde Israëlische telefoonaanbieder Bezeq of door HOT. HOT kwam later en is een kabelmaatschappij die vroeger alleen voor de tv-aansluiting zorgde. Het is enigszins vergelijkbaar met de Nederlandse situatie: daar heb je KPN (heel vroeger PTT) en kabelmaatschappijen, zoals Ziggo, die later op de markt kwamen als aanbieders van het tv-signaal.

In Israël heb je maar twee aanbieders voor de infrastructuur, maar veel meer aanbieders op het gebied van ‘de inhoud’. Zij zijn de sapak (leverancier). Celcom was vanouds een provider van verbindingen voor mobiele telefoons. Zij zijn nu ook actief geworden als tv- en internetaanbieder. Het interessante is dat zij in tegenstelling tot wat hier gebruikelijk is zowel tasjtiet (תשתית) als sapak (ספק) bieden. Als je met Celcom in zee gaat, ben je in één keer klaar. Voor de infrastructuur maken ze gebruik van het netwerk van Bezeq. Daar zal Bezeq hen wel dik voor laten betalen.

Wat bleek nu: de nieuwe tv-aansluiting was voor Celcom geen enkel probleem, doch het internet lukte niet. Er zijn twee behulpzame monteurs van Celcom langs geweest en ook nog onduidelijke mannetjes van Bezeq, maar eerst was er sowieso geen internet via Bezeq en later was de snelheid niet meer dan 8 MB. Dat is te weinig om van serieus internet te kunnen spreken. Via HOT hebben we 30 MB en Celcom beloofde 40 MB. Overigens hebben we geen seconde zonder internet gezeten. Daar zorgden de monteurs van Celcom netjes voor.

Dat was de reden dat die man van Celcom, waar ik het hiervoor over had, ons belde. Omdat hij geen Engels sprak, vroeg ik of hij langzaam Hebreeuws wilde praten. Ik heb wel vaker gemerkt dat zoiets voor de eerste zin nog wel lukt, direct daarna is het verzoek totaal vergeten. Tot mijn grote verbazing en opluchting kon ik bijna alles volgen van wat hij uitlegde. En zowaar kon ik zelfs nog wat terugzeggen en vragen. Hij vertelde dat ze helaas geen internet konden bieden (had ik al gehoord van de tweede monteur die eveneens Engels sprak), want Bezeq kon dat niet regelen ondanks hun belofte. Daarom kregen we alleen tv van Celcom en de rest zou via HOT geleverd blijven worden. Hij gaf ook de prijs aan en zei dat in de toekomst Celcom wellicht alles kon bieden. Dat zouden we vanzelf merken, ze zouden ons tegen die tijd benaderen. Dat hoop ik dan maar.

Zoals het die keer ging met de man van Celcom – of eigenlijk Netvision, de internettak van Celcom – zo gaat het veel te weinig. Dat soort opstekers zijn belangrijk om niet totaal in de put te raken over het gebrekkige Hebreeuws van ons. Pas geleden ontmoette ik iemand uit Nederland die hier al zo’n zestien jaar woont en hij bood me aan samen uit te huilen als we ons weer eens depressief voelen over onze handicap met het Hebreeuws. Want zelfs na zestien jaar haakt hij meestal af als hij bij Israëlische vrienden zit die aan de praat raken met elkaar.

Toch is er maar één echte remedie tegen dit soort neerslachtigheid: stug doorgaan met Hebreeuws leren. Ik wil nu echter eerst even pauze van mijn oelpanlessen. Ik ga het proberen via zelfstudie. Dus krantenkoppen lezen. Proberen op eigen houtje verder te komen met luisteren en spreken. Mijn basisniveau is daarvoor voldoende en we hebben meer dan genoeg lesmateriaal in huis om dat te kunnen doen. Verder heb ik gemerkt dat het nuttig is om allerlei teksten op straat met behulp van de mobiele telefoon ter plekke te vertalen, dan thuis braaf alles te noteren en vervolgens ijverig uit het hoofd te gaan leren.

We hopen dat de omgang met onze drie Israëlische kleinkinderen iets gaat opleveren. De oudste van de drie spreekt ons aan in het Hebreeuws en begrijpt ons Nederlands. Het ingewikkelde daarbij is dat onze dochters uitdrukkelijk verwachten dat wij Nederlands spreken met hun kinderen, ter ondersteuning van de tweetalige opvoeding.

Delen |

vrijdag 24 augustus 2018

Israël is bedoeld als Joods land. Als unieke, dat wil zeggen enige staat ván en vóór het Joodse volk, de Joodse natie. De meeste landen zijn natiestaten. IJsland is een ander voorbeeld van een natiestaat. Een hele echte, want door de ligging is het zeer geïsoleerd en mede daardoor is de bevolking sterk homogeen. Japan is ook overduidelijk een natiestaat, met eilandbewoners die eeuwenlang in sterke afzondering hebben geleefd. Als je Joden vergelijkt met Japanners of IJslanders dan zal iedereen tot de conclusie komen dat Joden veel gevarieerder zijn als volk, als natie dan de zojuist genoemde twee volkeren. Joden hebben immers een lange (tweede) diaspora op veel uiteenlopende plekken achter de rug, wat heeft geleid tot een grote diversiteit aan Joden. Israëli’s hebben om die reden banden met veel andere landen in de wereld, wat eenkennigheid helpt voorkomen. Mag je tenminste hopen.

Israël is niet alleen om die reden allerminst eentonig als natiestaat: het land herbergt een grote niet-Joodse minderheid, zo’n 20 tot 25 procent. Arabieren (Israëlische Palestijnen) en de zeer loyale Druzen zijn twee opvallende minderheidsgroepen. Er zijn er echter nog meer, zoals bedoeïenen, Samaritanen, Bahaï-aanhangers, enzovoort.

De hoofdreden dat Israël allerminst een saai, maar juist zeer enerverend land is, is dat het nog steeds in tal van kringen voor erkenning moet strijden. Juridisch, en ook fysiek, omdat allerlei landen het bestaansrecht van Israël (als Joodse staat!) niet wensen te erkennen. Er zijn legio landen (Iran met name) of terreurgroepen (Hamas, Hezbollah onder andere) die de wapens opnemen of zouden willen opnemen tegen het enige Joodse land ter wereld om het zo snel mogelijk te van de aardbodem te laten verdwijnen.

Toen de PLO en Israël ertoe overgingen elkaars bestaan te erkennen en tot de Oslo-akkoorden kwamen, ontdekten de Israëli’s dat erkenning van Israël door de Palestijnen van Arafat slechts betrekkelijk was. Israël werd weliswaar erkend, maar niet als Jóódse staat. Hooguit als binationale staat vanwege de in Israël wonende Arabieren, of Palestijnen. Maar eigenlijk was en is het nog veel erger. Palestijnen houden volledig vast aan het zogeheten ‘recht op terugkeer’ (meer een eis dan een echt bestaand recht) en als daaraan wordt toegegeven, zou Israël worden overspoeld door Palestijnen. Die zouden dan de dominante meerderheid vormen en dat zou het einde inluiden van Israël als enige Joodse staat ter wereld. Het wordt dan een Palestijnse staat. De vierde naast Gaza, Palestina en eigenlijk ook het Hasjemitische Jordanië, dat een Palestijnse meerderheid heeft.

Dat Israël in navolging van de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 met een wet is gekomen die Israël definieert als natiestaat is dan ook niet zo verwonderlijk. En ook op dit punt blijkt Israël allerminst saai te zijn. Ik ben wel wat hysterie gewend als het gaat om dit land (zowel binnen als buiten de grenzen), maar dit keer keek zelfs ik er van op. En ik was niet de enige (lees Bret Stephens in The New York Times). Velen blijken nauwelijks geïnformeerd te zijn en papegaaien elkaar na als het deze wet betreft. Nu vind ook ik dat het niet vlekkeloos is gegaan met deze wet en op diverse wetsartikelen valt zeker van alles af te dingen, doch als geheel genomen, bevat de wet weinig schokkends. In ieder geval volstrekt onvoldoende om zo ontzettend tekeer te gaan.

Het lijkt me goed om de officiële tekst van de wet aan het eind als geheel op te nemen, zodat iedereen zelf zijn of haar oordeel kan vormen. Sommige commentatoren presteerden het namelijk kritiek te hebben op passages die bij de behandeling zijn gesneuveld en niet in de definitieve versie zijn terechtgekomen. Anderen lijken te vergeten dat deze wet niet op zichzelf staat, en is ingebed in een geheel van wetten die basisrechten voor alle inwoners garanderen. Die andere basiswetten worden door de wet op de natiestaat geenszins opzijgezet. Natuurlijk niet. Denk aan de basiswet Human Dignity and Liberty (1992). Persoonlijk geef ik er de voorkeur aan de grondrechten van burgers te omschrijven zoals in de Nederlandse grondwet is gedaan. Echter, deze Israëlische basiswet doet er bij nauwkeurige lezing niet echt voor onder, concludeer ik als niet-jurist.

Naar mijn idee had de regering Netanjahoe er goed aan gedaan bij het tot stand brengen van deze zogenaamde basiswet (onderdeel van de constitutie in wording) tot brede steun te komen. Zeker bij deze wet was het van het grootste belang geweest om tot zo groot mogelijke aanvaarding te komen. Het gaat immers om de Joodse natie als geheel en het land van die natie, inclusief al haar niet-Joodse inwoners. Netanjahoe had zich hier als staatsman kunnen laten gelden, doch hij bleef de Likoed-partijman die hij altijd was, is en ongetwijfeld zal blijven.

Daarnaast had de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 als preambule kunnen worden opgenomen, of had een verwijzing daarnaar niet misstaan. Omdat dat niet is gedaan, had aan artikel 1 moeten worden toegevoegd dat Israël iedere inwoner gelijke rechten en plichten garandeert. Dat had een boel kritiek kunnen voorkomen. Ook al pareerde Netanjahoe deze kritiek door te verwijzen naar reeds bestaande wetten die over gelijke rechten en plichten gaan. Zoals bovengenoemde Human Dignity-wet, waarin trouwens wel een verwijzing is opgenomen naar de Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring.

Kritiek is ook mogelijk op artikel 3, omdat daarin een voorschot wordt genomen op eventuele onderhandelingen over Jeruzalem. Artikel 7 had wat mij betreft helemaal kunnen worden weggelaten. Sommige commentaren maken echter een potje van de tekst door te spreken van “Jewish settlements”, dus in het meervoud, terwijl er uitdrukkelijk enkelvoud staat. Het heeft alles te maken met de internationale obsessie over de nederzettingen. Haaretz plaatste daar recent een opvallend artikel over, namelijk dat de nederzettingen geen echt obstakel voor de twee staten-oplossing hoeven te vormen met een beetje goede wil. Van Israëli’s én Palestijnen.

Degenen die aan close reading doen, zijn gevallen over 6 B en C: het gaat niet alleen om beïnvloeding door Israël van de diaspora, maar ook andersom. Dit ligt vooral gevoelig in de kring van liberale en conservatieve Joden. En terecht, wil Israël het thuisland zijn voor álle Joden, niet alleen de orthodoxe.

Er is veel kritiek gekomen op het loslaten van het Arabisch als officiële taal. Dat was echter altijd al vrij betrekkelijk, want Hebreeuws was en is duidelijk de hoofdtaal in dit Joodse land. De tekst geeft de werkelijke situatie beter weer dan de gedachte dat het Hebreeuws en het Arabische beide officiële talen zijn en dus van gelijk gewicht. Bijna geen enkele criticus heb ik gehoord over lid C van artikel 6: “This clause does not harm the status given to the Arabic language before this law came into effect.”

Het grootste kritiekpunt heeft echter te maken met het officieel uitroepen van Israël tot Joods land. Alsof er daardoor geen plaats zou zijn voor anderen, zoals Arabieren en Druzen. De Druzen voelen zich gekrenkt, hoezeer zij ook onderschrijven dat Israël een Joods land is. Het heeft alles te maken met emotie, niet met ratio (aldus president Rivlin: “I have no doubt that you are equal to us from a legal standpoint and we must make sure that you feel equal as well.”). Toch zullen de politici daar niet omheen kunnen. De Druzen worden immers zeer gewaardeerd vanwege hun grote loyaliteit. Israël is eveneens hún land, al zijn zij niet Joods. Ze horen weliswaar niet tot de Joodse natie, ze zijn wel Israëlische staatsburgers en daarom gelijkwaardig.

Er is beduidend minder waardering voor het verzet van veel Arabische Israëli’s tegen deze wet. Er is zeker enige reden tot klagen door hen, want het Joodse karakter van het land is wel eens lastig te combineren met rechten en plichten van Arabieren vanwege de onderlinge vijandschap en het wantrouwen. Naar mijn idee worden echter twee fundamentele zaken door elkaar gehaald: individuele burgerrechten enerzijds (staatsburgerschap) en het recht om te bepalen wat de culturele identiteit van een land is. Minderheden kunnen moeilijk claimen dat zij niet serieus worden genomen als niet zij, doch de meerderheid bepaalt welke identiteit voorop staat. In Israël is het aan de Joodse meerderheid om het recht op zelfbeschikking uit te oefenen. In een toekomstige Palestijnse staat zijn het de Palestijnen die het recht hebben om dat te doen. Hopelijk houden ze dan net zoveel rekening met de Joodse minderheid als Israël dat doet met de Arabische minderheid. Tenminste, als er in het toekomstige Palestina überhaupt (zionistische) Joden mogen wonen.


Basic Law: Israel as the Nation State of the Jewish People

1 — Basic principles
A. The land of Israel is the historical homeland of the Jewish people, in which the State of Israel was established.
B. The State of Israel is the national home of the Jewish people, in which it fulfills its natural, cultural, religious and historical right to self-determination.
C. The right to exercise national self-determination in the State of Israel is unique to the Jewish people.

2 — The symbols of the state
A. The name of the state is “Israel.”
B. The state flag is white with two blue stripes near the edges and a blue Star of David in the center.
C. The state emblem is a seven-branched menorah with olive leaves on both sides and the word “Israel” beneath it.
D. The state anthem is “Hatikvah.”
E. Details regarding state symbols will be determined by the law.

3 — The capital of the state
Jerusalem, complete and united, is the capital of Israel.

4 — Language
A. The state’s language is Hebrew.
B. The Arabic language has a special status in the state; Regulating the use of Arabic in state institutions or by them will be set in law.
C. This clause does not harm the status given to the Arabic language before this law came into effect.

5 — Ingathering of the exiles
The state will be open for Jewish immigration and the ingathering of exiles

6 — Connection to the Jewish people
A. The state will strive to ensure the safety of the members of the Jewish people in trouble or in captivity due to the fact of their Jewishness or their citizenship.
B. The state shall act within the Diaspora to strengthen the affinity between the state and members of the Jewish people.
C. The state shall act to preserve the cultural, historical and religious heritage of the Jewish people among Jews in the Diaspora.

7 — Jewish settlement
A. The state views the development of Jewish settlement as a national value and will act to encourage and promote its establishment and consolidation.

8 — Official calendar
The Hebrew calendar is the official calendar of the state and alongside it the Gregorian calendar will be used as an official calendar. Use of the Hebrew calendar and the Gregorian calendar will be determined by law.

9 — Independence Day and memorial days
A. Independence Day is the official national holiday of the state.
B. Memorial Day for the Fallen in Israel’s Wars and Holocaust and Heroism Remembrance Day are official memorial days of the State.

10 — Days of rest and sabbath
The Sabbath and the festivals of Israel are the established days of rest in the state; Non-Jews have a right to maintain days of rest on their Sabbaths and festivals; Details of this issue will be determined by law.

11 — Immutability
This Basic Law shall not be amended, unless by another Basic Law passed by a majority of Knesset members.

Delen |

vrijdag 10 augustus 2018

In Nederland komen nauwelijks aardbevingen voor. De laatste noemenswaardige deed zich in Limburg voor in het jaar 1992, als ik goed ben geïnformeerd. In Roermond was toen een beving met een kracht van 5,8 op de schaal van Richter. Er was vrij veel materiële schade; een kerktoren stortte gedeeltelijk in. Er was geen sprake van lichamelijk letsel.

De langdurige aardgaswinning in het noorden heeft de laatste jaren tot steeds meer aardschokken in dat gebied geleid. Heel vervelend voor Groningers, want er komen forse scheuren in hun huizen. Die worden daardoor minder waard. Maar ook de psychische schade is groot. Mensenlevens zijn er gelukkig niet mee gemoeid. In Amsterdam, waar wij woonden, was helemaal niets te merken van bodemschokken.

Na onze alija (emigratie naar Israël) in maart 2016 hebben we meer te maken gekregen met het fenomeen aardbevingen. Louter via de krant, want zelf hebben we, chas wechalila (God verhoede), zoiets nog niet aan den lijve ondervonden. De plaats waar wij wonen, Herzliya, bevindt zich niet in een gebied met een groot aardbevingsrisico. Daarvoor moet je meer in het noorden zijn, rond het meer van Galilea (ים כנרת = jam kineret). De laatste weken vinden daar telkens wat lichtere tot iets krachtigere aardschokken plaats. De meeste met een kracht van rond de 3 tot 5 op de bekende schaal van Richter.

In de pers spreken experts elkaar tegen. De één zegt dat Israël zich moet voorbereiden op een grote aardbeving, anderen houden het erop dat het zal meevallen of dat doemscenario’s niet te verwachten zijn op basis van de huidige informatie. De laatste grote bevingen waren in 1927 en daarvoor in 1836. Eén expert leidt daaruit echter af dat eens in de honderd jaar een grote aardbeving te verwachten is, dus is er wat aanstaande …

In Israël bestaat een nationaal bouwprogramma om oude huizen (van voor 1980) aardbevingsbestendig te maken. Het heet Tama 38, een acroniem voor Tochnit Mitar Artsiet (zoiets als Nationaal Overzichtsplan).

Het programma is gestart in 2005. Het vormt onderdeel van de nationale inspanningen om de schadelijke gevolgen van een grote aardbeving zo beperkt mogelijk te houden. Israël ligt nu eenmaal langs de Oost-Afrikaanse Slenk, een langgerekte sleuf in de aardkorst, die loopt van Mozambique tot aan Syrië. Hij vormt een breukvlak tussen twee grote tektonische platen die zich uiterst langzaam uit elkaar begeven. Op de zeer lange termijn zal Oost-Afrika zich afsplitsen van de rest van de Afrikaanse plaat.

Het noordelijke deel van de slenk wordt gevormd door de Jordaanvallei. Ook de Dode Zee en het Meer van Galilea, die door de Jordaan met elkaar worden verbonden, maken deel uit van de Grote of Oost-Afrikaanse slenk. Daardoor is het aardbevingsgevoelig gebied.

Toen het Tama 38-plan begon, werd berekend dat meer dan een miljoen huizen in aanmerking zouden komen voor deze grondige vorm van renovatie. Het werkt zo dat projectontwikkelaars huiseigenaren benaderen of een groep huiseigenaren schrijft een projectontwikkelaar aan. Het vergt wel een offer van de bewoners, want de renovatie duurt zeker twee jaar.


Te renoveren pand

Het geheel wordt bekostigd doordat er na de verbouwing één tot twee verdiepingen bij zijn gekomen, wat natuurlijk tot interessante inkomsten leidt voor projectontwikkelaars die de extra verdiepingen kunnen verkopen. De huiseigenaren profiteren er ook van, want er komen kamers bij voor iedere verdieping plus dat er in de regel ook voor een lift wordt gezorgd. De buitenkant krijgt voorts een grondige facelift. Waar het echt om draait, is natuurlijk dat het appartementengebouw veel steviger wordt door zwaardere betonpilaren of extra muren. Oude huizen hebben in vergelijking daarmee slechts wat zielig aandoende pilaren, die wat weg hebben van een soort luciferstokken van beton. Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat deze huizen het niet gaan redden bij een flinke aardbeving.


Gerenoveerd flatgebouw

Ons huis is niet zo hoog en het is wat atypisch gebouwd, waardoor het vrij stevig aandoet. Aan de andere kant van waar wij wonen, zie je de pilaren die ik zojuist omschreef als luciferstokken. Daar zou het wel eens mis kunnen gaan als de aarde hier mocht gaan beven. Ons huis komt overigens niet in aanmerking voor Tama 38, want het is niet hoog genoeg, geloof ik, of het telt te weinig vierkante meters aan vloeroppervlak.

Onze oudste dochter en haar echtgenoot plus twee kinderen woonden eerst in een oud huis in Herzliya. Dat is verleden tijd, ze zijn onlangs een paar honderd meter verhuisd naar een gerenoveerd gebouw, dat aardbevingsbestendig is gemaakt. Ze hebben een gemeenschappelijk lift, zij het een kleintje, plus een paar extra kamers. Keuken en badkamer zijn gemoderniseerd. Eén van de extra kamers is de mamad, de beveiligde kamer. Prettig om te hebben als het tot een oorlog mocht komen met de kans op bombardementen of raketinslagen, bezorgd door onze vriendelijke buurlanden.

Ons huis heeft geen beveiligde kamer, wel een schuilkelder (מקלט = miklat) onderin het trappenhuis. Die is nu hermetisch afgesloten met een zwaar hangslot. Toen ik aan de bovenburen, met wie we regelmatig contact hebben, vroeg of zij misschien de sleutel hadden, bleek dat ook zij die niet hebben. Ze hadden verder geen idee waar de sleutel was en wie er momenteel gebruikmaakt van de miklat.

Typisch Israël. Niemand maakt zich in normale tijden druk om de bruikbaarheid van de miklat. Vaak staan er fietsen in of kinderwagens. Hij wordt veelal gebruikt als een rommelige opslagruimte. In ons geval is die waarschijnlijk zelfs verhuurd of zoiets. Als de nood echter aan de man komt, duikt er ergens een sleutel op, de fietsen plus kinderwagen gaan eruit, zodat er mensen in kunnen om te schuilen bij een alarm.

Nog even over Tama 38. De huizen worden er veel mooier op. Aan de buitenkant dan. Renovatie binnen is vaak een kwestie van wat eigenaren er zelf van willen maken. Dat kan een reden zijn waardoor een Tama 38-project spaak loopt: als het merendeel van de particuliere eigenaren tegen is, omdat men tegen de rotzooi opziet en binnen zelf al van alles heeft gerenoveerd, gaat het feest niet door. Vaak wordt dit bouwprogramma echter wél met beide handen aangegrepen. Het succes kan dan zo groot zijn dat bijvoorbeeld de rioolcapaciteit in een buurt tekort gaat schieten. Er komen immers nogal wat verdiepingen, en dus bewoners bij, wat leidt tot meer belasting van de infrastructuur.

Tama 38 is behoorlijk populair in Herzliya. Er wordt hier veel gerenoveerd. Van haperende infrastructuur hebben we tot op heden geen last gehad. Elektriciteitsstoringen hebben we bijvoorbeeld nauwelijks meegemaakt. Alleen in het begin, toen we hier net woonden, was de elektriciteit ’s nachts kennelijk een keer uitgevallen, want de elektrische wekker stond te knipperen toen we wakker werden. Het is ook een keer voorgekomen dat de elektriciteit in ons huis ’s avonds helemaal uitviel, omdat we wasmachine en oven tegelijk aan hadden gezet. Het was even zoeken in het donker met een speciaal daarvoor klaar gezette zaklamp naar de zekeringenkast in huis. Die was er niet. In het trappenhuis ontdekte ik daarna elektriciteitsmeters en iets wat op aardlekschakelaars leek. Eentje stond de andere kant op dan de rest, waaruit ik concludeerde dat ik die moest hebben. (Plus dat het meternummer overeen kwam met het nummer op onze elektrarekeningen.) Inderdaad, na terugzetten van deze schakelaar, hadden we weer stroom. Uiteraard hebben we wasmachine eerst even stopgezet.

In Amsterdam hadden we veel meer last van uitvallende elektriciteit. Er was een periode dat het één tot twee keer per jaar goed raak was. Soms was het zelfs totaal mis in de hele buurt en zat iedereen een tijd in het donker. Dat hebben we hier nog niet gehad.

Delen |

vrijdag 27 juli 2018

Als het gaat om onze Joodse afkomst volgen mijn broer en ik geheel gescheiden wegen. Hij is geassimileerd en ik ben na enig wikken en wegen met het hele gezin lid geworden van een Joodse gemeente in Nederland. En nu wonen mijn vrouw en ik zowaar in Israël, net als twee van onze drie dochters met hun Israëlische partner en kinderen.

Mijn oudere broer en ik zijn een flink deel van onze jeugd in Katwijk aan Zee opgegroeid. Ik heb daar absoluut geen onprettige herinneringen aan, maar ik vond de streng christelijke vissersplaats te benauwd. Ik wilde terug naar het vrijere Amsterdam. Daarom koos ik voor de Universiteit van Amsterdam en niet voor Leiden, toen ik psychologie wilde studeren. Aan Mokum had ik goede herinneringen overgehouden, na daar als jongetje van zes korte tijd te hebben gewoond. Vlakbij Artis en op een steenworp afstand van het oude adres van de Joodse Gemeente aan de Plantage Parklaan, al wist ik dat toen niet.

Het ouderlijk gezin belandde eerst in de hoofdstad na de aftocht uit het voormalige Nederlands-Indië. In de gordel van smaragd zocht mijn in Rotterdam geboren vader zijn geluk en vond hij zijn vrouw én mijn moeder. Dat was ruim voordat de Sjoa in Europa toesloeg. Gelukkig hebben zijn ouders, mijn opa en oma die ik niet heb gekend, die grote ramp niet mee hoeven maken, omdat ze reeds daarvóór overleden. Ze liggen begraven op de Joodse begraafplaats Toepad in Rotterdam. Net als mijn oom Simon die veel te vroeg stierf. De zus van mijn vader, mijn tante dus, heeft ondergedoken gezeten in België en wist op die manier de Sjoa te overleven. Op haar kom ik nog terug.

Mijn broer is in Katwijk blijven wonen. Hij wilde niets liever dan helemaal opgaan in de Nederlandse samenleving. Het is dan ook logisch dat hij met een (lieve) Katwijkse vrouw is getrouwd. Hun twee zoons zijn in mijn ogen echte ‘Katikkers’ geworden. Datzelfde kan worden gezegd van hún kinderen, opnieuw alleen zoons, mijn drie achterneefjes. Het markante is dat ze allemaal de naam Polak dragen, al zijn ze totaal niet meer Joods. Mijn vrouw en ik hebben daarentegen drie dochters gekregen en na hun trouwen verdween de naam Polak min of meer, terwijl zij wel alle drie het Joodse pad op zijn opgegaan. Zo gaat dat als bij naamgeving het mannelijk geslacht de doorslag geeft, terwijl het Jodendom wordt overgedragen via de moeder (ooit, heel lang geleden echter via de vader, doch daar heeft niemand het meer over).

Mijn broer is niet volledig geassimileerd. Dat komt natuurlijk door onze achternaam. Als iemand hem aanspreekt met “meneer Cohen” in plaats van met “Polak” dan komen zijn Joodse voelsprieten, of wat daarvan over is, overeind. Hij heeft weinig tot niets met zijn Joodse achtergrond, maar als hij tegen hem persóónlijk gericht antisemitisme vermoedt, voelt hij zich opeens toch een beetje Joods. Dat pikt hij niet en hij komt dan een beetje op de bres voor de Joodse zaak.

Het is wat met dat Jodendom. Veel Joden zijn opgegaan in de massa. Vaak omdat ze niks hadden met de religieuze kant van het Jodendom of er zelfs een forse afkeer van hadden. Het is dan ook niet gering wat wordt verwacht van religieuze Joden. Ga er maar aanstaan, 613 mitswot (opdrachten). Gelukkig kan je daar een groot deel van aftrekken, omdat die alleen gelden in het oude vaderland, erets Jisraeel. Dat scheelt weer. Niettemin blijven er nog meer dan genoeg over om als blok aan je been te ervaren als je niet zo godsdienstig, of zelfs antireligieus bent.

In het blad Benjamin van Joods Maatschappelijk Werk las ik onlangs een interview met Roel Coutinho, één van de grote namen op het gebied van aidsonderzoek. Zijn beide ouders waren Joods. Hij kreeg van huis weinig tot niets Joods mee. Zelf zegt hij dat hij het Joods-zijn heeft weggedrukt. Immers, Joods zijn betekent niet zelden geconfronteerd worden met ‘antisemitisme’. Als dat gebeurt en je met een mond vol tanden staat, omdat je geen idee hebt wat Joods zijn betekent, dan wordt het een gevoelige plek, iets om te vermijden.

Er zijn legio gevallen zoals Coutinho. De vroegere burgemeester Job Cohen is een ander voorbeeld. Cohen was dé Jóódse burgemeester bij uitstek. Maar dat was dan ook alles. Het had bij hem geen enkele inhoud. Zijn ouders waren het, hij is het ook en … that’s it.

Een heel verschil met oud-burgemeester Ed van Thijn, die in de loop van zijn leven steeds Joodser is geworden en een ware coming out beleefde toen hij getuigde van zijn onderduiktijd.

Wat mij betreft, heeft – laat dat duidelijk zijn – iedere Jood of Jodin de vrijheid om net zo Joods of on-Joods te zijn als hij of zij zelf wil. Het is met het Jodendom als met een erfenis: die kan je aanvaarden of verwerpen. Al ligt het niet zo zwart-wit. Accepteren kan op allerlei manieren, net als verwerpen.

Gewoon verwerpen is tot daaraan toe. Er zijn helaas ook voorbeelden van Joden die een soort mengvorm aanhouden van aanvaarden én verwerpen. Joods ja, zionist nee, bijvoorbeeld. Ik weet niet hoe Joods Ilan Pappé zich voelt, hij is in ieder geval géén zionist, maar een fervente antizionist. Naar mijn idee heb je met dat soort Joden geen antisemieten of antizionisten meer nodig om het Joden en Israël op zijn zachtst gezegd lastig of zelfs onmogelijk te maken. Pappé woont niet meer in Israël, een andere felle criticaster van Israël, Gideon Levy, nog wel. Al wordt hem het leven flink zuur gemaakt, wat niet helemaal oké is, vanwege zijn hatelijke geschrijf in Ha’aretz.

Op één of andere manier zijn er altijd Joden geweest die niks moeten hebben van Jodendom en eruit zijn gestapt. Dat mag dus, zoals ik al aangaf, al zou het naar mijn smaak een ramp zijn als iedere Jood dat zou doen en het Jodendom zou uitsterven. Het wordt iets heel anders als uitgerekend Joden zich als antisemieten gaan gedragen. In de tegenwoordige tijd komt daar Israël bij als mogelijkheid om je via antizionisme tegen het Jodendom en Joden te verzetten. Begrijp me goed, als mensen oprecht zeggen zich zorgen te maken over Israël “vanwege de Palestijnen” of iets dergelijks, dan kan ik daar voor een deel best inkomen. Al kies ik een andere positie, want Palestijnen en andere Arabieren hebben zich niet (of evenmin) gedragen als lieverdjes in de strijd om het land dat nu Israël heet. En ze gaan daar nog steeds fanatiek mee door in plaats van de strijdbijl te begraven. Wanneer Joden zich vierkant tegen Israël keren (bijvoorbeeld door voluit BDS te steunen) en heulen met aartsvijanden van dit land dan kan ik daarvoor geen greintje sympathie opbrengen. Dan voel ik alleen maar intense weerzin.

Toen de oudste zoon van mijn broer een paar jaar geleden aangaf dat hij bij de bruiloft van onze jongste dochter in Tel Aviv wilde zijn, vonden wij dat natuurlijk prachtig. Voor hem was het de eerste kennismaking met Israël. Recent was hij weer hier op bezoek, nu samen met zijn vrouw. Hij leest natuurlijk ook de kranten in Nederland, maar zo zei hij mij: “Ik geloof echt niet alles wat ze over Israël schrijven.” Ook de tweede reis is hem goed bevallen. De volgende keer nemen zijn vrouw en hij misschien één of meer van hun zoons mee. En hij gaat mijn broer, zijn vader, bewerken om toch een keertje te komen in gezelschap van zijn vrouw, mijn schoonzus. Onze herhaalde uitnodigingen hebben tot nog toe niet gewerkt. Hij heeft niks met Israël. Hij vindt het niet de moeite waard ons hier op te zoeken. En hij is volgens mij bovendien gewoon bang om deze kant op te komen.

Van je familie moet je het niet altijd hebben. Ik weet nog goed dat mijn tante, zus van mijn vader, ooit de bescheiden zelfgemaakte Davidster zag boven mijn bureautje, in de tijd dat ik op de socialistisch-zionistische Joodse jeugdvereniging Haboniem zat. Ze vond het afschuwelijk. Ze riep verschrikt uit: “Wat moet dat ding daar?” De blauwe mageen David, opgenomen in de vlag van Israël, deed haar waarschijnlijk te veel denken aan de gele Jodenster van de nazi’s. Ze had de Sjoa overleefd, maar daarna gaf ze de nazi’s alsnog hun zin: voor haar kon het Jodendom compleet worden gestolen. Daar dacht mijn vader gelukkig anders over, voluit gesteund door zijn vrouw, mijn moeder.

Delen |