inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Harry Polak

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering in 2012 kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

zondag 13 oktober 2019

De kop is eraf. Het jaar 5780 תש"פ is begonnen. Op het moment dat ik dit schrijf, bevinden we ons in de tien Ontzagwekkende Dagen, zoals dat in het Nederlands zo imposant heet. In Nederland gingen we steevast naar sjoel op de beide dagen van Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) en op Jom Kipoer (Grote Verzoendag). Dat proberen we hier in Israël ook te doen. We hebben echter in dat opzicht onze draai nog niet gevonden. We zijn nog steeds op zoek naar een sjoel (synagoge) waar we ons thuis voelen. Het lijkt een keus te worden uit drie mogelijkheden: het progressieve Beth Daniël in het noorden van Tel Aviv, de liberale sjoel in Ra’anana of een kleine conservative sjoel in zuid-Herzliya, op een steenworp afstand van Beth Juliana, het verzorgingshuis voor Nederlandse Joden in Israël. Er zijn daarnaast nog twee mogelijke gegadigden: de liberale sjoel in Herzliya Pitoeach of een liberale sjoel in Ramat Hasharon. Beide kennen we nog niet, ze werden ons uitdrukkelijk aangeraden.

Vorig jaar waren we met Jom Kipoer even in Amsterdam. En dat was genieten in onze vertrouwde sjoel, waar we vanuit Israël plaatsen hadden gereserveerd. Alle bekende melodieën kwamen langs, we hadden een machzor (speciaal gebedenboek) in handen waar we de weg in wisten en er waren drasjot (preken) in verstaanbaar Nederlands. Daarnaast was het natuurlijk heerlijk om allerlei bekenden te zien. Helaas misten we ook mensen die na ons vertrek zijn overleden.

Oude bomen moet je niet verplaatsen, wordt wel gezegd. Nu voelen we ons nog niet echt oud, dus dat gaat voor ons niet op. Ten bewijze daarvan: na onze aankomst in Israël ging het inburgeren en wennen aan de Israëlische samenleving erg snel. Geen spoortje heimwee, al verlangden we wel wat terug naar Nederlandse dingen, zoals fietspaden. Uiteraard misten we familie en vrienden. Eigenlijk hadden we nauwelijks tijd om ons ontheemd te voelen, want er moest van alles worden geregeld en gedaan. Van dozen uitpakken en het huis inrichten tot en met ons inschrijven bij tal van instanties en beginnen met de taalles (oelpan). Nadat alles in wat rustiger vaarwater kwam, gingen we ons oriënteren op een sjoelgemeente.

Beth Daniël deed ons qua sfeer en grootte wel wat aan de LJG Amsterdam denken, maar ze zijn wel erg progressief in onze ogen. De afstand is wellicht het grootste obstakel, al ben je er op sjabbat vrij snel met de auto. Dan moet je nog een parkeerplaats vinden en dat duurt vaak wat langer. Ra’anana kennen we alleen van de Hoge Feestdagen, niet van de gewone sjabbatot. Deze gemeente kwam goed van pas op Jom Kipoer, als autorijden not done is in Israël, althans in gebieden met een meerderheid aan Joodse bewoners. Het is namelijk een sjoel op redelijke loopafstand, dat wil zeggen een half uur tot drie kwartier. Dat is niet altijd een lolletje is als het erg warm is en je op Jom Kipoer geen water tot je neemt vanwege het gebod om te vasten gedurende ruim een etmaal. Qua grootte is het vergelijkbaar met Beth Daniël, de sfeer lijkt er wat anders, meer incrowd. Wat ons tegenstond was een chazzan (voorzanger) die nogal vals zong in onze oren. De vrouwelijke rabbijn, die we twee jaar geleden meemaakten, had daarentegen een prachtige stem. Daar hoorden we voor het eerst ‘Adon Haselichot’, wat op ons een verpletterende indruk maakte. Vorig jaar in Amsterdam hoorden we het tot onze blijde verrassing voor de tweede keer. Het is heel populair in Israël en kent veel versies.

De conservatieve sjoel in het zuiden van Herzliya beviel ons eigenlijk nog het best. De sidoer (gebedenboek) is weliswaar wat orthodoxer dan we gewend zijn, doch we konden er als man en vrouw gewoon naast elkaar zitten. De rabbijn daar is super aardig en tweetalig (Hebreeuws uiteraard en ook Engels), dus dat is het probleem niet. Het is echter een kleine, intieme gemeenschap. Daardoor voelden we ons een beetje indringers. Dat is uiteraard een kwestie van vaker komen en wennen.

Dat wennen zal echter toch niet zo eenvoudig zijn. De drasjot en alles wat er verder wordt gezegd, zijn voor ons grotendeels geheimtaal vanwege onze gebrekkige kennis van het Hebreeuws. Ze waren daar overigens zo aardig om af en toe dingen voor ons in het Engels te vertalen, maar dat is ook zowat.

Zonder sjoel door het Israëlische leven gaan, is beslist een optie. Heel veel Israëli’s doen dat zo. Echter geen wenselijke levenswijze wat ons betreft. Je verhuist naar Israël om je nog Joodser te voelen. Of veiliger, wat niet geldt in ons geval, want Amsterdam is nog steeds veilig genoeg ondanks toenemend antisemitisme en tamelijk florerend antizionisme (denk onder andere aan het gedoe rond de voorgestelde stedenband Tel Aviv-Amsterdam). Bovendien kunnen niet-orthodoxe gemeenten in Israël wel een steun in de rug gebruiken vanwege het orthodoxe monopolie in dit land en het ligt vanzelfsprekend juist op onze weg als progressieve Joden om dat te doen.

Het is een raar fenomeen. Israëli’s wonen in een Joods land en hebben daar weinig erg in, totdat ze in het buitenland gaan wonen. Je hoort vaak van hen dat ze pas dáár ontdekken wat het is om Joods te zijn. Uiteraard betreft dit seculier, of hooguit traditioneel ingestelde Israëli’s die zelden naar sjoel gaan, maar wel ‘iets’ aan vrijdagavond doen als de sjabbat (de wekelijkse rustdag) begint. En ook aan Pesach (Pasen) doen ze wat, als families samen met elkaar eten en op zijn Israëlisch in ijltempo door de Haggada, het Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, racen. Zulke Israëli’s worden als ze in het buitenland wonen niet zelden wat religieuzer, althans ze zoeken Joodse gemeentes op en gaan zowaar met enige regelmaat naar sjoel om andere Joden te ontmoeten. Ze zoeken daar iets Israëlisch, in ieder geval horen ze Hebreeuws om zich heen, want sjoeldiensten zijn normaliter grotendeels in het Hebreeuws. Niet altijd, want ik kan me nog goed herinneren dat we in een Franse liberale sjoel waren, waar men “Seigneur” zei in plaats van het gangbare “Adonaj” (“onze Heer”).

Wij lijken de omgekeerde weg te volgen. In Nederland gingen we vaak naar sjoel om andere Joden te ontmoeten in een Joodse omgeving en aan Jodendom te doen. Hier in Israël, waar het Jodendom bij wijze van spreken op straat ligt, is het niet per se nodig om naar sjoel te gaan om je Joods te voelen. Dat doe je ‘op zijn Joods’ met andere Joden, niet in je eentje. Daarom kan bijvoorbeeld een volwaardige sjoeldienst pas worden gehouden met tien volwassen aanwezigen. Alleen mannen bij de orthodoxie, bij niet-orthodoxe sjoels tellen vrouwen gewoon mee.

In ons geval speelt de kennis van het Hebreeuws een sleutelrol. Het vormt een drempel om naar sjoel te gaan. Het gebedenboek en wat er wordt gezongen en verder wordt gedaan, is niet het probleem. Dat weten we wel zo’n beetje. Het Hebreeuws als ‘heilige taal’, de taal van de Tora (de Hebreeuwse bijbel) en de gebedenboeken, dat kennen we. Al kunnen we lang niet alles vertalen, maar omdat het in het Jodendom een absolute must is om te begrijpen wat je leest, zijn Torateksten en gebedenboeken in Nederland voorzien van een Nederlandse vertaling. Dat is in Israël natuurlijk niet geval. Een Engelse vertaling wordt soms gegeven en in Beth Daniël is er bij wijze van grote uitzondering ooit een Hebreeuws-Nederlands gebedenboek uitgebracht. Dat scheelt aanzienlijk. Dan zijn we er echter nog niet. De drasjot zijn in het Hebreeuws, de landstaal en dat geldt voor alles wat er verder aan gewone dingen wordt gezegd. Hebreeuws is in Israël nu eenmaal een gewone gebruikstaal geworden.

Al dat Hebreeuws – nog steeds in hoge mate abracadabra voor ons, al gaan we zeker flink vooruit – maakt dat we ons in religieus en ander opzicht ontheemd voelen – al hóórt het Hebreeuws duizend procent bij het Joodse land, zónder is ondenkbaar. Maar op dat punt, is de verhuizing naar Israël voor ons niet bepaald thuiskomen geweest. Voor de rest gelukkig wel. Dat maakt veel, heel veel goed.

Delen |

vrijdag 27 september 2019

Israëli’s konden op 17 september 2019 opnieuw hun stem uitbrengen voor het parlement, de Knesset, de 22ste sinds de oprichting van dit land in mei 1948. (De eerste startte in februari 1949, na verkiezingen in januari.) Van de ruim zes miljoen stemgerechtigden heeft 69,4 procent van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Een iets hoger percentage dan de vorige keer in april (67,9 procent). In Nederland ligt het opkomstpercentage voor Tweede Kamerverkiezingen grofweg zo’n tien procent hoger. Voor het Europese parlement zijn de percentages echter ongeveer de helft lager.

Mijn eega en ik bevonden ons helaas niet onder de kiezers. We moesten als permanent ingezetenen zonder Israëlisch paspoort (zie eerder) voor de tweede keer dit jaar toekijken hoe andere bewoners van ons nieuwe, oude vaderland de koers van het land bepalen. Méde bepalen, is beter uitgedrukt, want het zijn vooral de politici, die mét en tégen elkaar in werkend, aan het roer staan van het schip van staat. Gekozenen in de Knesset (plus lagere democratische organen), maar vooral ministers en onderministers in het kabinet trekken na de verkiezingen, als het volk het even voor het zeggen lijkt te hebben, de macht weer naar zich toe. Veel leden van het Israëlische kabinet hebben ook zitting in de Knesset, hoewel dat alleen voor de premier en zijn of haar (!) vervanger verplicht is. In Nederland is dat ondenkbaar uit oogpunt van dualisme (de regering bestuurt en het parlement controleert). In Engeland, de oudste democratie op de antieke Griekse na, ligt dat totaal anders. Daar moéten leden van het kabinet tevens parlementslid zijn.

Achter de politici fungeren allerlei betrokkenen en belanghebbenden bij de gang van zaken in het land. Dat gaat van ambtenaren (de vierde macht) tot en met maatschappelijke organisaties, zoals vakbonden plus grote bedrijven en – hier niet uit te vlakken – vermogende lieden die ook wat in de melk te brokkelen willen hebben. Daarvoor hebben ze de politici nodig, want die maken wetten en nemen besluiten die de maatschappij en de economie richting geven.

Omkoping speelt een flinke rol in de hele wereld. Israël is geen uitzondering en staat op nummer 32 van alle 180 landen in de wereld. Bovenaan staat Nieuw-Zeeland als het minst corrupte land ter wereld. Israël scoort beter dan Polen (36), maar staat onder Portugal (29) en Frankrijk (23). Corruptie wordt hier gelukkig vaak met succes aangepakt. Ook de hoogste politici blijven niet gevrijwaard van corruptieonderzoek. Dat blijkt onder andere uit drie zaken die Netanjahoe boven het hoofd hangen. In oktober, als hij (eindelijk) wordt onderworpen aan een officiële hoorzitting door procureur-generaal Mandelblit, weten we meer. Dus of het daarbij blijft of dat de huidige premier gaat worden vervolgd.

Scepsis inzake politieke besluitvorming en vooral omtrent de zogenaamde invloed van de individuele kiezer daarop maakt dat mensen de gang naar het stemlokaal niet maken. Vroeger was het beter gesteld met de stemdiscipline. Zie daarvoor onderstaande grafiek.


Opkomstpercentages per tijdsblok Israëlische verkiezingen. Afkomstig van de Central Verkiezingscommissie (Central Elections Committee)

Eén van onze Israëlische schoonzoons gelooft niet echt in stemmen als mogelijkheid om invloed te hebben op de maatschappelijke gang van zaken. We hebben daar wel eens pittige discussies over met hem. Door zijn wegblijven, tellen de stemmen van charediem (ultra-orthodoxen) en kolonisten die in groten getale wél gaan stemmen, zwaarder. Frits Barend benoemde dat heel overtuigend in het radioprogramma Spraakmakers over de verkiezingen hier.

De andere schoonzoon gaat, net als onze oudste dochter die door haar huwelijk een Israëlisch paspoort heeft, netjes stemmen. Al maakt hij zich geen illusies en heeft hij op allerlei politici en politieke partijen wel wat aan te merken. Bij de meest recente verkiezingen deden dertig partijen mee. Ja, het staat er echt: dertig! Israël kent een kiesdrempel van 3,25 procent, waardoor er beduidend minder partijen in de Knesset komen. Altijd nog bijna tien die een bont gezelschap vormen en een aardige afspiegeling van de sterk uiteenlopende bewoners van dit Joodse land, dat nog steeds geen vrede kent met de vijandige buren, op Egypte en Jordanië na. Onderling lijkt het soms ook een beetje oorlog, in ieder geval verbaal.

In Israël is verkiezingsdag een vrije dag. Velen gaan eerst stemmen en dan naar het strand, barbecueën of iets anders leuks doen. Andersom kan net zo goed, want de meer dan 10.000 stembureaus in het hele land zijn open van 7 tot 22 uur open. Gevangenen kunnen eveneens stemmen en ook aan ziekenhuispatiënten wordt die mogelijkheid geboden. Openbaar vervoer is in beginsel gratis. Het doet wel een beetje denken aan een soort feestdag van de parlementaire democratie.

Toen wij bij de lokale verkiezingen wél onze stem mochten uitbrengen, was er voor het eerst sprake van een vrije dag om mensen aan te moedigen om hun lokále stem uit te brengen. Voor wat, hoort wat. Het heeft iets geholpen, al bleef het opkomstpercentage een stuk lager dan bij de landelijke verkiezingen, waarvoor de vrije dag al gold.

Op een Facebookgroep voor immigranten in Israël las ik dat iemand ontzettend aan het mopperen was omdat hij niks in het Engels kon vinden over de verkiezingen. Lariekoek, want je hoeft maar een beetje te zoeken op internet en je komt om in de officiële Engelse informatie over partijen waarop je kunt stemmen en verkiezingsprocedures. Ik las daar ook dat in Canada en de VS plus in diverse andere landen alle verkiezingsinformatie in een groot aantal talen wordt aangeboden. Tot Zuid-Koreaans aan toe. In Israël is veel officiële informatie te vinden in het Arabisch en Russisch naast het Hebreeuws. En daarnaast ook regelmatig in het Frans en Spaans naast Engels. Zelfs in het Amhari, de taal van de Ethiopiërs.

Uiteraard kreeg de mopperaar te verstaan dat hij in Israël woont en dus maar Hebreeuws moet leren. Makkelijker gezegd dan gedaan. Niettemin hebben wij braaf allerlei nuttige woorden geleerd die met de verkiezingen te maken hebben. Grappig om te ontdekken dat het woord voor “stembureau” (קלפי kálpi) is afgeleid van het Grieks. Op de oelpan van mijn vrouw, kwamen de verkiezingen uitgebreid aan bod. Samen met haar heb ik haar huiswerk gemaakt. Ik lig een straatlengte voor, doch haar huiswerk bevat voor mij evengoed interessant lesmateriaal.

Na de sluiting van de stembureaus kwamen de prognoses los. Op de dag zelf is het verboden die te publiceren. Netanjahoe publiceerde ze toch op zijn Facebookpagina en werd daarom even verbannen van dat sociale medium. De prognoses heb ik min of meer gelaten voor wat ze waren. Het leek me verstandiger om de officiële definitieve uitslag af te wachten. Die is er inmiddels.

Hierna begint het formatieproces, dat in Israël strakke deadlines kent. Dat kan nog tal van verrassingen opleveren, want er liggen allerlei beren op de weg: die wil niet met die of alleen samen met die, enzovoort. Duidelijk is wel dat de rechtse, antireligieuze Liberman een sleutelrol vervult. Het zou zelfs kunnen dat het kiezersvolk – als het weer misgaat met de formatie – voor de derde keer naar de stembus wordt gejaagd. Eigenlijk moet ik daar niet aan te denken. Het enige voordeel dat ik zie, is dat we die ene schoonzoon van ons wellicht eindelijk zo ver kunnen krijgen dat ook hij gaat stemmen.

Delen |

vrijdag 13 september 2019

Deze week hebben we onze oudste kleinzoon voor de tweede keer afgeleverd bij de Nederlandse school in Ra’anana. Ze hebben ook een dependance in Tel Aviv-Jaffo. Eerder hadden ze nog een derde lesmogelijkheid in het noorden. School is een weidse benaming voor eens per week tweeënhalf uur Nederlandse les, wat ze op heel speelse wijze doen. Met deze kleinzoon spreken we Nederlands, net zoals zijn moeder, onze oudste dochter, dat doet. Met zijn vader spreekt hij Hebreeuws. Dat deed hij al vanaf zijn geboorte in Amsterdam. Althans toen sprak zijn vader tót hem, als baby kon hij uiteraard nog niet veel terugzeggen.

Dat is nu wel anders. Hij babbelt honderd uit. Ook tegen ons, maar bijna nooit in het Nederlands. Hij begrijpt zijn moeders moedertaal overigens meer dan prima. Regelmatig zegt hij “ja” of “nee”, ten teken dat hij snapt wat we bedoelen als we ons tot hem richten. Verder dan dat komt hij nauwelijks. Ik heb het idee dat hij het maar gek vindt om Nederlands te praten. Het is niet iets wat bij hem hoort. Dat is iets van zijn moeder en zijn opa en oma van moeders kant. Toen hij nog kleiner was en we een keer Hebreeuwse liedjes meezongen, mocht dat niet van hem. Alleen Nederlandse liedjes waren toegestaan in ons geval.

Af en toe ga ik in de fout en spreek ik wat Hebreeuws met hem. Dat is eigenlijk verboden, want we hebben strikte instructies gekregen van onze oudste dochter om met hem Nederlands te praten. De laatste tijd komt het steeds vaker voor dat we woordjes uitwisselen. Hij legt dan uit hoe iets in het Hebreeuws wordt gezegd en wij maken hem duidelijk op welke wijze dat in het Nederlands gaat. Zo stonden we een keer voor een stoplicht te wachten en zei hij – natuurlijk in het Hebreeuws – dat groen rijden betekent, oranje en rood stoppen. Als het oranje licht gaat branden in combinatie met het rode licht (Israël houdt het Engelse stoplichtsysteem aan) dan moet je je voorbereiden (lehitkoneen = zich voorbereiden, wat verwant is aan voorbereiden = lehachien en ook aan het woord klaar = moechan).

Zijn jongere zusje sprak heel in het begin soms nog wel wat Nederlands. Dat is voorbij. Ze begrijpt het gelukkig allemaal net als haar oudere broertje heel goed.

We hebben ook een kleinzoon in Spanje. Die is net begonnen op de Joodse school in Barcelona. Een heel open school. Daar kunnen Rosj Pina en Maimonides echt nog wat van opsteken. De kinderen van de lokale rabbijn zitten ook op die school en voor de rest bijna allemaal kinderen van Israëli’s, als ik het goed heb begrepen. Met zijn ouders uit Nederland is onze kleinzoon een uitzondering. Op die school is de voertaal vooral Engels. Verder hebben ze ook Spaanse en Catalaanse les plus Hebreeuws. Engels was onze ‘Spaanse’ kleinzoon al gewend van de Engelstalige crèche. In dat opzicht heeft hij een voorsprong op de Israëlische kinderen. Die zullen echter op hun beurt geen moeite hebben met Hebreeuws. Zijn moeder, onze middelste dochter, had haar zoontje al wat vertrouwd gemaakt met Hebreeuws via kinderliedjes, filmpjes op YouTube en kinderboekjes.

Wie weet kan onze kleinzoon in Spanje zich straks in het Nederlands, Engels, Spaans en Catalaans plús Hebreeuws uitdrukken. Met zijn Israëlische neef en nichtjes (onze jongste dochter in Tel Aviv heeft een meisje van ruim anderhalf) kan hij dan hopelijk Hebreeuws praten.

Ons Hebreeuws schiet helaas niet erg op. Mijn vrouw is deze week weer begonnen met les, de oelpan. Klas of kita bet plus (B+). Ik zit ongeveer op niveau gimel (C) en heb een hele lange, misschien wel permanente pauze ingelast. Ik oefen thuis wel elke dag met woordjes en vooral werkwoorden. We kijken voorts regelmatig naar het Israëlische tv-nieuws en snappen meestal in grote lijnen waar het over gaat (dankzij de tekstbalkjes bij het nieuwsitem), maar we kunnen het nauwelijks volgen.

Het is erg frustrerend, maar het is niet anders. We troosten ons met de gedachte dat we nu veel meer begrijpen dan in het begin en dat we langzaam vooruit gaan, zij het met een slakkengang (slak schiet me te binnen, dat is sjabloel of chilazon). Omdat we hier ruim drie jaar wonen, kennen we inmiddels allerlei standaarduitdrukkingen en sociale codes in winkels, openbaar vervoer en op straat. Hebreeuws leren blijft wonderlijk genoeg op zichzelf nog steeds bevredigend, ook al levert het in de praktijk bitter weinig op. Het zou zelfs een reden kunnen zijn om terug te gaan naar Nederland, want zoals ik al eerder in een column schreef: je verblijft niet alleen in een land, je woont ook in het bijbehorende taalgebied. Voordat iemand alvast een ontvangstcomité gaat organiseren, er is nog té veel dat ons trekt om in het Joodse land te blijven wonen.

Velen denken dat Hebreeuws ingewikkeld is vanwege het andere alfabet. Dat is niet zozeer het probleem, al is het complex omdat de klinkers doorgaans ontbreken. Het Hebreeuws is vooral moeilijk, omdat je de woorden nauwelijks ergens aan kunt koppelen als je met het Nederlands bent opgegroeid en pas veel later met Hebreeuws bent begonnen. Wat voorbeelden voor niet-Hebreeuwstaligen. Een drinkglas is kos, een rietje kasj. Een bank in het park is een safsal, een bank in huis sapa, een bed is mita, een matras mizron en ga zo maar door. Nergens aan te verbinden, behalve als je met allerlei ezelsbruggetjes werkt. Ik had bijvoorbeeld moeite met het onthouden van kasj (rietje), maar door het qua klank te associëren met kos (drinkglas) werd het wat makkelijker. En zo heb ik er wel honderden geheugensteuntjes bedacht.

De werkwoorden en hun vervoegingen in de diverse tijden (heden, verleden en toekomst) zijn ook een ware crime. De regels zijn duidelijk en best logisch. Het barst alleen van de uitzonderingen in de zin van subgroepen binnen de zeven hoofdgroepen van werkwoorden (binjaniem = bouwwerken). Wat het Hebreeuws tevens erg lastig maakt zijn de talloze klinkerveranderingen. Kind is jeled, kinderen zijn jeladiem. Matok is zoet, meervoud wordt metoekiem. Sameach is blij, en als we met zijn allen blij zijn dan wordt het smeechiem. Gelukkig komen dat soort dingen terug, dus dat geeft houvast: neched is kleinkind, heb je er meer dan wordt het nechadiem, net als bij jeladiem (kinderen).

Omdat we al wat ouder zijn, gaat het inprenten van nieuwe woorden verrekt moeizaam. Als je tien nieuwe woorden hebt geleerd, vergeet je er ondertussen twintig. Dat schiet niet erg op. Het enige wat werkt is (naast de ezelsbruggetjes): herhalen, herhalen en nog eens herhalen. En fouten maken, want als je wordt gecorrigeerd, lijkt het wel of een woord daarna makkelijker beklijft. Dat fenomeen ontdekte ik al vroeg op school. Toen ik bij een proefwerk Duits nét een onvoldoende haalde, omdat ik “plaatselijke verdoving” niet meer wist, wat toen heel slecht uitkwam vanwege het overgangsrapport, ben ik het daarna nooit meer vergeten (örtliche Betäubung).

Mensen verstaan is veelal te hoog gegrepen, zelf iets uitbrengen is ook problematisch, lezen en schrijven gaat beter. Bij lezen en schrijven heb je vaak meer de tijd en kan je dingen opzoeken. Niettemin maken we spelfouten. Met vallen en opstaan leren we de taal. Van mijn vroegere werk als kwaliteitscoördinator heb ik geleerd: vallen is niet erg, als je daarna maar weer opstaat!

Nog iets heel anders tot slot, want de actualiteit dringt zich op. Bij de verkiezingen op 17 september staat Israël weer eens op een tweesprong. Er valt opnieuw echt iets te kiezen dankzij de anti-ultrareligieuze opstelling van Lieberman : kiezen de Israëli’s (of ze nou Joods zijn, Arabisch of iets anders) voor een seculiere (Joodse) staat of een messianistisch land, zoals een affiche van Kachol-Lavan van Benny Gantz c.s. kort, maar krachtig aangeeft.

Delen |

vrijdag 30 augustus 2019

Eerder schreef ik al eens over de ING en hun omslachtige, trage procedures als je in het buitenland woont. We moesten drie jaar geleden, toen we als nieuwe bewoners in Israël arriveerden bijna twee maanden wachten voordat we weer geld konden overmaken van onze Nederlandse bankrekening. Reden daarvoor was het nieuwe Israëlische telefoonnummer dat we in gebruik namen. Met het oog op veiligheid werd toen de betaalfunctie van internetbankieren direct uitgeschakeld. ING is bang dat er iets niet klopt als er met een nieuw nummer wordt gebeld. Je moet dan een nieuwe code aanvragen om alles weer op gang te krijgen. Die code komt per post naar het buitenlandse woonadres, want alleen dat wordt als veilig beschouwd.

Maar het kan veel erger met Nederlandse banken. In kringen van (ex-)Nederlanders in het buitenland is al een tijdje onrust, omdat Nederlandse banken van hun buitenlandse klanten af willen. Eerst ging het alleen over ABNAMRO, inmiddels heeft ook ING zich bij het rijtje banken met ‘buitenlandvrees’ gevoegd. ING is slechts bereid je Nederlandse bankrekening aan te houden als je de Nederlandse nationaliteit hebt of over een huis in Nederland beschikt dan wel in Nederland studeert of werkt. Pech dus voor ex-Nederlanders buiten het vaderland die hun paspoort hebben laten verlopen (onder andere omdat ze ook een ander paspoort hebben verkregen) en daarmee tevens hun Nederlanderschap zijn kwijtgeraakt. Hun bankrekening wordt zonder pardon opgeheven. Ze moeten maar zien hoe ze hun AOW of bedrijfspensioen binnen krijgen. Natuurlijk, het kan vast wel via een buitenlandse bankrekening, doch de kosten zijn dan ongetwijfeld hoger. Instanties in Nederland vinden overboekingen naar een buitenlandse bankrekening maar vervelend.

Zo erg is het met ons gelukkig nog niet, want we hebben een Nederlands paspoort en dan mag je (voorlopig?) bij de ING blijven. Niettemin valt er nog genoeg te beleven met de ING als je over de grens woont en zeker als het om een woonadres buiten de EU gaat.

Eerlijk gezegd, met de ING liep alles voor ons in het buitenland eigenlijk op rolletjes, nadat de bovengenoemde startperikelen voorbij waren. Totdat we opeens ontdekten dat de adreswijziging naar het buitenland voor onze gezamenlijke bankrekening (‘en/of’) slechts was verwerkt voor mijn persoonlijke gegevens, en niet voor die van mijn vrouw. Iedere rekeninghouder bij zo’n gezamenlijke rekening moet namelijk uitdrukkelijk zélf de wijziging doorgeven. Een gezamenlijke brief werkt niet. Voor ons was het een verrassing dat voor mijn vrouw nog steeds het oude woonadres in Amsterdam in het ING-systeem stond. Temeer daar zij een paar maanden geleden haar nieuwe PIN-pas netjes op ons Amsterdamse correspondentieadres had ontvangen. Dat is het adres van goede vrienden van ons die over onze post waken. Volgens de ING was dat volstrekt onmogelijk. Er stond maar één adres in het systeem en dat was niet dat correspondentieadres. Het kon daar nooit bezorgd zijn …

Hoe het ook zij, door een onhandigheid van mij was mijn vrouw de mogelijkheid kwijtgeraakt om in te loggen en via haar eigen ingang te internetbankieren. We gebruikten altijd mijn inlogmogelijkheid en dat vonden we genoeg. Uiteraard is het beter als zij ook kan inloggen op onze gezamenlijke rekening via haar eigen ingang.

Om te kunnen internetbankeren moet je een inlogcode en een apart wachtwoord hebben. Als je in Nederland woont, krijg je de inlogcode per post en voor het wachtwoord moet je hoogstpersoonlijk naar een ING-kantoor voorzien van identiteitspapieren en je PIN-pas. Dat gaat niet als je in het buitenland woont. Daar hadden ze iets op bedacht, maar we moesten eerst een adreswijziging per post opsturen naar Leeuwarden, zodat het oude adres in de gegevens van mijn vrouw werd veranderd in ons woonadres in Israël plus het Nederlandse correspondentieadres. Daar gingen ongeveer twee weken overheen. Toen we na een telefoontje (nou ja, je staat wel even in de wacht, het is altijd druk) hadden laten controleren of het adres echt was gewijzigd, konden we de twee codes opvragen.

Die arriveerden heel snel op ons Amsterdamse correspondentieadres. Onze vrienden belden meteen en gaven telefonisch door dat ze zowel de inlogcode als het wachtwoord hadden binnengekregen. Op zichzelf heel onveilig, daarom moest er éérst een door mijn vrouw ondertekende bevestiging naar de ING worden opgestuurd dat beide enveloppen in goede orde waren ontvangen. Pas daarna had het zin in te loggen en met het wachtwoord het internetbankieren tot leven te wekken, want ING had tot dan toe alles geblokkeerd. Die bevestiging mocht zowaar via e-mail worden verzonden. Een meevaller!

Maar dan ben je er nog niet. Je kunt dan alleen nog maar beperkt internetbankieren, dat wil zeggen, je saldo inzien. Geld overmaken kan nog niet! Daarvoor moet je de betaalfunctie aanvragen, waarna je een activeringscode krijgt en je telefoonnummer kunt invoeren. Op één of andere manier kon de activeringscode echter niet naar het Nederlandse correspondentieadres worden verstuurd. Daar krijg je namelijk een bericht om een activeringscode af te halen bij een ING-kantoor. En dat lukt niet als je in het buitenland woont. Om het versturen van een afhaalbericht te voorkomen, moest het Nederlandse correspondentieadres worden opgeheven, zodat er alleen maar een buitenlands adres in het systeem staat. Daar gaat dan de activeringscode zélf naartoe. Dus hup, wéér een brief naar de ING in Leeuwarden, om de adressen voor de tweede keer te veranderen.

Vervolgens gebeurde er iets raars. Ik had al één keer om een activeringscode gevraagd, waarna we dus ontdekten dat je een afhaalbericht krijgt op je Nederlandse correspondentieadres, zoals net uitgelegd. Tijdens de vele, vele chatsessies met allerliefste ING-dames en heren (die niet allen even wakker waren, want ondanks dat we hadden verteld dat we in het buitenland woonden, chatten ze doodleuk dat we naar het dichtstbijzijnde ING-kantoor moesten) had één pientere jongedame gezegd: misschien moet je die activeringscode gewoon nóg een keer aanvragen. Wellicht dat je dan de tweede keer de code zelf krijgt in plaats van zo’n onzinnig afhaalbericht. Terwijl ik ongeduldig zat te wachten op de verwerking van onze laatste adreswijziging, vroeg ik in een balorige bui voor de tweede keer aan activeringscode aan. En… die kwam zowaar! Onze vrienden belden voor de zoveelste keer dat er weer een ING-brief was ontvangen. Waarop ik zei, ach, het zal wel zo’n stom afhaalbericht zijn. Niks ervan, het was zowaar de code zelf, waarvan was gezegd dat de ING die alleen naar het buitenlandse woonadres kon opsturen.

Om een lang en technisch verhaal niet nog langer te maken: alles wérkt na het activeren van de betaalfunctie. Het installeren van de ING-app op de mobiele telefoon was nog een beetje lastig (de instructie op de website bevat naar mijn idee hiaten), maar ook die werkt nu vlekkeloos.

Nu maar afwachten hoe lang we nog gebruik kunnen maken van de ING, want het kan best zijn dat er een moment komt dat ze die ‘lastige’ Nederlanders in het buitenland echt kwijt willen. Hun niet te volgen bankprocedures kunnen het immers nauwelijks aan. Die raken voorbij Lobith danig in de war.

Delen |

vrijdag 16 augustus 2019

Verhulst is een heel verdienstelijke Vlaamse schrijver. Hij schreef het Boekenweekgeschenk in 2015 met de titel De zomer hou je ook niet tegen. De helaasheid der dingen kreeg de Gouden Uil Publieksprijs en werd verfilmd. Met Godverdomse dagen op een godverdomse bol haalde hij de Libris Literatuurprijs binnen. Zijn werk is verschenen in zo’n twintig talen.

Veel aandacht kreeg ook Bloedboek, waarin Verhulst de eerste vijf Bijbelboeken (de Tora dus) navertelt op zijn manier. God, Jodendom en ook Joden komen er niet genadig vanaf, wat leidde tot een zeer kritische recensie uit rooms-katholieke hoek, een prikkelend interview met de schrijver in Trouw en een open brief van de Belgische Ludo Abicht.

Verhulst is ook te beluisteren over dat boek in het VPRO-radioprogramma Nooit meer slapen. Daarin noemt hij zich agnost en geen atheïst. Bloedboek rammelt aan alle kanten als het gaat om gedegen kennis en interpretatie van de Tora. Het is in sappig Vlaams geschreven.

Voor wie het nog niet weet, op 27 juli publiceerde de linkse Belgische krant De Morgen (oplage circa 50.000) een column van Dimitri Verhulst onder de ronkende titel ‘Er is geen beloofde land. Er is gestolen land’. Het maakte wel wat los: één van de eersten die reageerde, was mediene-opperrabbijn Jacobs op Joods.nl. Het Nederlandse CJO bleef niet achter met een venijnig commentaar. CIDI volgde. Ook Hans Knoop, woonachtig in België en woordvoerder van de Belgische pendant van het CJO, genaamd Forum der Joodse organisaties, brandde los. Zelfs internationaal en in Israël werd de column opgepikt door Jewish Telegraph Agency, Haaretz en Times of Israel.

Aan al die terechte reacties op zijn giftige column hoef ik niets toe te voegen. Ik wil er nog wel het volgende over kwijt. Wat mij opvalt, is dat Dimitri Verhulst een fraai exemplaar is van iemand die kennelijk wil afrekenen met de rooms-katholieke religie uit zijn jeugd en in zijn vaderland, doch zich ook wat plaatsvervangend richt op Joden als ‘uitvinder’ van de Bijbel en ‘grondlegger’ van het christendom. Het christendom heeft zeker Joodse wortels, net als de islam. Christenen benadrukken dat naar mijn idee te veel, zoals moslims het te veel naast zich neerleggen. Het christendom is geen gemankeerd jodendom of zoiets, het is gewoon een aparte religie. De christenen hebben er vanuit het jodendom iets geheel eigens van gemaakt. Dat is prima, maar gebruik het niet vóór (filosemieten) of tégen (christelijke antisemieten) Joden en jodendom. Bloedboek heeft maar ten dele te maken met de boeken die volgens de traditie aan Mozes worden toegeschreven. Er komt veel moord en doodslag in voor én een wraakzuchtige God. Eerlijkheidshalve moet je dan óók melding maken van humane Bijbelse wetten als: zorg voor weduwen, wezen, vreemdelingen en meer van dat fraais. Plus een Godheid die zich laat aanspreken, zelfs tegenspreken en vermurwen door de mens. Moslims vinden dat maar godslasterlijk.

Verhulst laat zich ook kennen als antizionist pur sang. Uiteraard komt hij dan met klinkklare boosaardige onwaarheden als: Joden hebben het land gestolen en Palestijnen worden aan de vleet vermoord. Er wás geen bestaand land Palestina met Palestijnen als enige bewoners die eruit werden gezet door Joden. Joden kunnen best wat voor elkaar krijgen, een bestaand land ontmantelen, lukt hen echt niet. Het Britse mandaatgebied Palestina werd in de dekolonisatieperiode verdeeld tussen Arabieren en Joden die daar woonden. Arabieren waren duidelijk in de meerderheid; maar zij hebben hoe dan ook de macht van het getal, want de Joden zijn maar een klein volk. Er kwamen extra Joden bij als ‘thuiskomers’, net zo goed als er zich Arabieren als ‘seizoenarbeiders’ voegden bij de andere Arabische inwoners. Joden kochten land aan, van grootschalige diefstal kan je niet spreken zonder de werkelijkheid geweld aan te doen. Er vallen veel Palestijnse doden, te veel. Er vallen ook doden aan Joodse kant, ook te veel, zij het minder. Als je Israël veroordeelt als moordregime, sluit dan niet de ogen voor de effectieve moordpropaganda aan de andere kant. En als je het zo graag opneemt voor Palestijnen, ieders goed recht, wees dan eerlijk: kijk niet alleen naar Palestijnse doden door Israëlisch toedoen, open je ogen net zo goed voor Palestijnse doden in Syrië. Daar zijn geen Joden bij betrokken, doch dat mag geen reden zijn om daar stil over te blijven. Stilte die ook opvalt als het gaat om het lot van Palestijnen in de Arabische wereld, met inbegrip van de Palestijnse gebieden ‘Hamastan’ en ‘Abbastan’. Dan kan je duizend maal beter als Arabier (Palestijn) in Israël leven. Minderheid, dat wel, maar mét burgerrechten.

Verhulst citeerde in zijn column Serge Gainsbourg. Fout geciteerd, in ieder geval vals vertaald. Waaruit maar weer eens blijkt hoe slecht Verhulst Joden als volk met een eigen religie snapt. Gainsbourg zei: “Juif, c'est pas une religion! Aucune religion ne fait pousser un nez comme ça!”

Verhulst kan zich beter houden bij katholieken en goddelozen in het Vlaamse land dan zich met zijn gebrekkige, eenzijdige bagage te wagen aan het Midden-Oosten. Dat is voor hem een brug te ver.


Hieronder de column uit De Morgen.

‘Er is geen beloofde land. Er is gestolen land

Dimitri Verhulst (46) is schrijver. ‘De pruimenpluk’ is zijn jongste boek.

Omdat God zo Zijn lievelingen heeft en Zijn uitverkorenen hun privileges horen te hebben, werden in 1948 de Palestijnen uit hun woonplaatsen verdreven ten gunste van Gods dotjes. Mozes had het opgeschreven, het uitverkoren volk hoorde daar en nergens anders, dus dat telde wel even als argument. De Verenigde Naties kunnen net zo goed het heliocentrisme afschaffen.

Serge Gainsbourg, zelf met een bloedlijn waar antisemieten hun messen van gaan wetten, was daar laconieker in en zei: “Jood-zijn is geen godsdienst; er is geen enkele God die Zijn schepsels zo’n lelijke neus zou geven.”

Praten met uitverkorenen is lastig. Zodra je over Israël en het lot van de Palestijnen begint, kijken ze je aan alsof je de Holocaust zelf hebt onderschreven, hetgeen je reinste quatsch is, en ten tweede een veel te gladde calimero-houding is om lekker zelf te blijven onderdrukken. De scheve redenering: ik ben een racist omdat ik aanklaag dat 2,3 miljoen Palestijnen afhankelijk zijn van noodhulp, en 1,6 miljoen van hen ondervoed zijn. Een halve Hitler ben ik wanneer ik versteld sta van de slaapliedjes die de wereldleiders voor elkaar zingen, terwijl er de afgelopen 17 jaar om en bij de 10.000 Palestijnen werden vermoord. Israëlische kogels kennen geen tien geboden.

Bij Comma Press is nu een boek uit met twaalf Palestijnse sciencefictionverhalen, die zich allemaal afspelen in het jaar 2048. Precies een eeuw na de Nakba dus. En ik word er stil van wanneer ik lees dat mijn Palestijnse collega’s sciencefiction een luxe vinden. Het genre wordt door hen zo goed als nooit aangeraakt. Want: er is geen toekomst!

Wie dagelijks in de dystopie leeft, zijn leven riskeert door naar zijn werk te gaan, wie zijn identiteitskaart twintig keer per dag moet tonen en meer kilometers prikkeldraad dan verlichtingssnoeren heeft gezien, die heeft een andere visie op literatuur. De onderwerpen in de Palestijnse roman zijn schaars, en met reden. Noodzakelijke boeken zijn het, en de namen van hun schrijvers zouden moeten ronken in onze boekenkasten: Mazen Maarouf, Tasnim Abutabikh, Ahmed Masoud, Saleem Haddad, Samir El-Youssef…

Bij ons vragen schrijvelaars beurzen aan om ergens in een chalet in Canada rustig en ongestoord te kunnen schrijven. Deze mensen pennen hun novellen bij elkaar tussen twee raketinslagen door, met een rammelende maag, en met een kind dat op straat nog een verloren ooglid zoekt. Zo er na een dag overleven tenminste nog voldoende moed kan worden opgedolven om te schrijven. Voor de mooie, 22-jarige, zeer beloftevolle Mohanned Younis was het op. De aanstaande koning van het kortverhaal. Hij beroofde zich van het leven.

Er is geen beloofde land. Er is gestolen land. Er zijn gestolen levens.’

Delen |
okt 2019Ontheemd
sep 2019Na de verkiezingen
sep 2019Jong geleerd
aug 2019ING-belevenissen
aug 2019Dimitri
aug 2019Chidoesj strijdt verder voor gelijke rechten
jul 2019Doorbraak voor non-orthodoxie via strijdkrachten
jun 2019Op vredespad – tegen beter weten in?
jun 2019Sjabbat is geen zondag
mei 2019Verkiezingsdebat: in Nederland wel, in Israël niet
mei 2019Hoogste tijd voor Gaza 4.0
mei 2019Erfgenamen
apr 2019Verkiezingen voor de 21ste Knesset
mrt 2019Vlinders
mrt 2019Habrigada hajehoediet (הבריגדה היהודית)
mrt 2019Brabants bont
feb 2019Einat Wilf
feb 2019Longontsteking
jan 2019De gan
jan 2019Nazareth
dec 2018Conserverende aanslag
nov 2018De 30ste november
nov 2018Stadsparken
nov 2018Bitoeach sioedi (ביתוח סיעודי)
okt 2018Lokale verkiezingen
okt 2018Herzliya - Amsterdam v.v.
sep 2018Laat de UNRWA opgaan in de UNHCR
sep 2018Bezeq is niet HOT
aug 2018Israël als natiestaat
aug 2018Aardbevingen
jul 2018Familiebezoek
jul 2018Nederlanders over de grens
jun 2018Op stap naar Spanje
jun 2018Films en nieuws kijken
jun 2018Nederlandse taalles in Israël
mei 2018De Giro d’Italia en nog wat
mei 2018Jom Ha Sjoa
apr 2018Dialoog
mrt 2018Het huurcontract
feb 2018Oelpan (Hebreeuws les) – de volgende klas en nog wat
jan 2018Winkelsluitingswet
dec 2017Witgoed
nov 2017Geoefende analfabeten
okt 2017Thuis
okt 2017Israël. Hoe kun je dáár nou gaan wonen?
sep 2017Op en neer naar Nederland
aug 2017Hollanders ‘in den vreemde’
jun 2017Israël op zijn smalst
mei 2017Staaroperatie in het Assutaziekenhuis
apr 2017Stemmen vanuit Israël
mrt 2017Een jaartje verder
jan 2017Oelpan
okt 2016Tweedehands of nieuw?
sep 2016Op zoek naar een auto
sep 2016Zachte landing
aug 2016Het verkorte rijexamen (mivchan hamara = conversietest)
aug 2016Dubbelleven
jul 2016Mea (100)
jul 2016Nola
jun 2016Cultuur
jun 2016Misrad Harishui (ministerie van Vergunningen)
mei 2016Antizionisme
mei 2016Geduld
mei 2016Zeg eens A(lef)
apr 2016Liften of niet?
apr 2016Een hele belasting
mrt 2016Alija