inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Harry Polak

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering in 2012 kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

vrijdag 16 augustus 2019

Verhulst is een heel verdienstelijke Vlaamse schrijver. Hij schreef het Boekenweekgeschenk in 2015 met de titel De zomer hou je ook niet tegen. De helaasheid der dingen kreeg de Gouden Uil Publieksprijs en werd verfilmd. Met Godverdomse dagen op een godverdomse bol haalde hij de Libris Literatuurprijs binnen. Zijn werk is verschenen in zo’n twintig talen.

Veel aandacht kreeg ook Bloedboek, waarin Verhulst de eerste vijf Bijbelboeken (de Tora dus) navertelt op zijn manier. God, Jodendom en ook Joden komen er niet genadig vanaf, wat leidde tot een zeer kritische recensie uit rooms-katholieke hoek, een prikkelend interview met de schrijver in Trouw en een open brief van de Belgische Ludo Abicht.

Verhulst is ook te beluisteren over dat boek in het VPRO-radioprogramma Nooit meer slapen. Daarin noemt hij zich agnost en geen atheïst. Bloedboek rammelt aan alle kanten als het gaat om gedegen kennis en interpretatie van de Tora. Het is in sappig Vlaams geschreven.

Voor wie het nog niet weet, op 27 juli publiceerde de linkse Belgische krant De Morgen (oplage circa 50.000) een column van Dimitri Verhulst onder de ronkende titel ‘Er is geen beloofde land. Er is gestolen land’. Het maakte wel wat los: één van de eersten die reageerde, was mediene-opperrabbijn Jacobs op Joods.nl. Het Nederlandse CJO bleef niet achter met een venijnig commentaar. CIDI volgde. Ook Hans Knoop, woonachtig in België en woordvoerder van de Belgische pendant van het CJO, genaamd Forum der Joodse organisaties, brandde los. Zelfs internationaal en in Israël werd de column opgepikt door Jewish Telegraph Agency, Haaretz en Times of Israel.

Aan al die terechte reacties op zijn giftige column hoef ik niets toe te voegen. Ik wil er nog wel het volgende over kwijt. Wat mij opvalt, is dat Dimitri Verhulst een fraai exemplaar is van iemand die kennelijk wil afrekenen met de rooms-katholieke religie uit zijn jeugd en in zijn vaderland, doch zich ook wat plaatsvervangend richt op Joden als ‘uitvinder’ van de Bijbel en ‘grondlegger’ van het christendom. Het christendom heeft zeker Joodse wortels, net als de islam. Christenen benadrukken dat naar mijn idee te veel, zoals moslims het te veel naast zich neerleggen. Het christendom is geen gemankeerd jodendom of zoiets, het is gewoon een aparte religie. De christenen hebben er vanuit het jodendom iets geheel eigens van gemaakt. Dat is prima, maar gebruik het niet vóór (filosemieten) of tégen (christelijke antisemieten) Joden en jodendom. Bloedboek heeft maar ten dele te maken met de boeken die volgens de traditie aan Mozes worden toegeschreven. Er komt veel moord en doodslag in voor én een wraakzuchtige God. Eerlijkheidshalve moet je dan óók melding maken van humane Bijbelse wetten als: zorg voor weduwen, wezen, vreemdelingen en meer van dat fraais. Plus een Godheid die zich laat aanspreken, zelfs tegenspreken en vermurwen door de mens. Moslims vinden dat maar godslasterlijk.

Verhulst laat zich ook kennen als antizionist pur sang. Uiteraard komt hij dan met klinkklare boosaardige onwaarheden als: Joden hebben het land gestolen en Palestijnen worden aan de vleet vermoord. Er wás geen bestaand land Palestina met Palestijnen als enige bewoners die eruit werden gezet door Joden. Joden kunnen best wat voor elkaar krijgen, een bestaand land ontmantelen, lukt hen echt niet. Het Britse mandaatgebied Palestina werd in de dekolonisatieperiode verdeeld tussen Arabieren en Joden die daar woonden. Arabieren waren duidelijk in de meerderheid; maar zij hebben hoe dan ook de macht van het getal, want de Joden zijn maar een klein volk. Er kwamen extra Joden bij als ‘thuiskomers’, net zo goed als er zich Arabieren als ‘seizoenarbeiders’ voegden bij de andere Arabische inwoners. Joden kochten land aan, van grootschalige diefstal kan je niet spreken zonder de werkelijkheid geweld aan te doen. Er vallen veel Palestijnse doden, te veel. Er vallen ook doden aan Joodse kant, ook te veel, zij het minder. Als je Israël veroordeelt als moordregime, sluit dan niet de ogen voor de effectieve moordpropaganda aan de andere kant. En als je het zo graag opneemt voor Palestijnen, ieders goed recht, wees dan eerlijk: kijk niet alleen naar Palestijnse doden door Israëlisch toedoen, open je ogen net zo goed voor Palestijnse doden in Syrië. Daar zijn geen Joden bij betrokken, doch dat mag geen reden zijn om daar stil over te blijven. Stilte die ook opvalt als het gaat om het lot van Palestijnen in de Arabische wereld, met inbegrip van de Palestijnse gebieden ‘Hamastan’ en ‘Abbastan’. Dan kan je duizend maal beter als Arabier (Palestijn) in Israël leven. Minderheid, dat wel, maar mét burgerrechten.

Verhulst citeerde in zijn column Serge Gainsbourg. Fout geciteerd, in ieder geval vals vertaald. Waaruit maar weer eens blijkt hoe slecht Verhulst Joden als volk met een eigen religie snapt. Gainsbourg zei: “Juif, c'est pas une religion! Aucune religion ne fait pousser un nez comme ça!”

Verhulst kan zich beter houden bij katholieken en goddelozen in het Vlaamse land dan zich met zijn gebrekkige, eenzijdige bagage te wagen aan het Midden-Oosten. Dat is voor hem een brug te ver.


Hieronder de column uit De Morgen.

‘Er is geen beloofde land. Er is gestolen land

Dimitri Verhulst (46) is schrijver. ‘De pruimenpluk’ is zijn jongste boek.

Omdat God zo Zijn lievelingen heeft en Zijn uitverkorenen hun privileges horen te hebben, werden in 1948 de Palestijnen uit hun woonplaatsen verdreven ten gunste van Gods dotjes. Mozes had het opgeschreven, het uitverkoren volk hoorde daar en nergens anders, dus dat telde wel even als argument. De Verenigde Naties kunnen net zo goed het heliocentrisme afschaffen.

Serge Gainsbourg, zelf met een bloedlijn waar antisemieten hun messen van gaan wetten, was daar laconieker in en zei: “Jood-zijn is geen godsdienst; er is geen enkele God die Zijn schepsels zo’n lelijke neus zou geven.”

Praten met uitverkorenen is lastig. Zodra je over Israël en het lot van de Palestijnen begint, kijken ze je aan alsof je de Holocaust zelf hebt onderschreven, hetgeen je reinste quatsch is, en ten tweede een veel te gladde calimero-houding is om lekker zelf te blijven onderdrukken. De scheve redenering: ik ben een racist omdat ik aanklaag dat 2,3 miljoen Palestijnen afhankelijk zijn van noodhulp, en 1,6 miljoen van hen ondervoed zijn. Een halve Hitler ben ik wanneer ik versteld sta van de slaapliedjes die de wereldleiders voor elkaar zingen, terwijl er de afgelopen 17 jaar om en bij de 10.000 Palestijnen werden vermoord. Israëlische kogels kennen geen tien geboden.

Bij Comma Press is nu een boek uit met twaalf Palestijnse sciencefictionverhalen, die zich allemaal afspelen in het jaar 2048. Precies een eeuw na de Nakba dus. En ik word er stil van wanneer ik lees dat mijn Palestijnse collega’s sciencefiction een luxe vinden. Het genre wordt door hen zo goed als nooit aangeraakt. Want: er is geen toekomst!

Wie dagelijks in de dystopie leeft, zijn leven riskeert door naar zijn werk te gaan, wie zijn identiteitskaart twintig keer per dag moet tonen en meer kilometers prikkeldraad dan verlichtingssnoeren heeft gezien, die heeft een andere visie op literatuur. De onderwerpen in de Palestijnse roman zijn schaars, en met reden. Noodzakelijke boeken zijn het, en de namen van hun schrijvers zouden moeten ronken in onze boekenkasten: Mazen Maarouf, Tasnim Abutabikh, Ahmed Masoud, Saleem Haddad, Samir El-Youssef…

Bij ons vragen schrijvelaars beurzen aan om ergens in een chalet in Canada rustig en ongestoord te kunnen schrijven. Deze mensen pennen hun novellen bij elkaar tussen twee raketinslagen door, met een rammelende maag, en met een kind dat op straat nog een verloren ooglid zoekt. Zo er na een dag overleven tenminste nog voldoende moed kan worden opgedolven om te schrijven. Voor de mooie, 22-jarige, zeer beloftevolle Mohanned Younis was het op. De aanstaande koning van het kortverhaal. Hij beroofde zich van het leven.

Er is geen beloofde land. Er is gestolen land. Er zijn gestolen levens.’

Delen |

vrijdag 2 augustus 2019

Na het succes van Chidoesj op het gebied van gelijkberechtiging bij militaire begrafenissen voor Joodse soldaten (zie vorige column) wil deze organisatie nu het gebrek aan burgerlijke begraafplaatsen in Israël aanpakken. Daartoe is een nieuwe petitie ingediend bij het Israëlische Hooggerechtshof.

Volgens een wet uit 1996 (!) hoort het ministerie voor Religieuze Zaken ervoor te zorgen dat er voldoende burgerlijke begraafplaatsen zijn in Israël. De Israëlische Rekenkamer (State Comptroller) constateerde dat er nauwelijks werk is gemaakt van deze wettelijke verplichting. Volgens Chidoesj is het nog erger, want op last van het genoemde ministerie zijn de laatste tijd diverse van dergelijke begraafplaatsen in kibboetsim gesloten!

Tja, Israël is als het gaat om ‘kwesties van religie en staat’ een merkwaardig land.

Hoewel er een wettelijk voorschrift is, weerhoudt dat het ministerie voor Religieuze Zaken er niet van om flink tegen te stribbelen in dit soort kwesties. Nota bene een overheidsinstantie die een wet niet uitvoert of in ieder geval traineert. Israël is hierin zeker niet uniek, want in heel veel landen bestaat een flinke kloof tussen keurige wetten (ideaal) en hoe het dagelijks leven er uit ziet (werkelijkheid).

De Israëlische politiek heeft dit soort gevoelige zaken nog steeds niet goed geregeld. Zo lang de ultra-religieuze partijen een sleutelpositie wordt gegund in de vorming van kabinetten, zal dat zo blijven. Er wordt in Israël steeds verwezen naar de zogeheten status quo van 1948. Die is al lang geen status quo meer, want in vergelijking met toen is de situatie ingrijpend veranderd. Toen slechts enkele honderden ultra-religieuze studenten die waren vrijgesteld van militaire dienst, nu gaat het om vele duizenden.

Uit onderzoek van Pew Research blijkt dat Israël behoort tot de groep van ruim twintig landen in de wereld met de meeste religieuze restricties in het openbare leven. Israël bevindt zich, aldus Pew, in de kopgroep met landen als Saoedi-Arabië en Iran. Naar mijn idee is het in Israël bij lange na niet zo erg als in de genoemde landen. Christenen, moslims, druzen, bahái en aanhangers van andere religies hebben in Israël vrijheid van godsdienst. Binnen de Jóódse sector is het echter de ultra-religieuze minderheid die met de zegen van de overheid (!) de dienst uitmaakt. De meerderheid van niet zo strikt-religieuze (gewoon orthodoxe), meer traditioneel-religieuze, progressief-religieuze en seculiere Israëli’s heeft zich maar te schikken: geen openbaar vervoer op sjabbat en Joodse feestdagen door overheidsbedrijven (waar niet alleen Joden last van hebben); slechts erkenning van huwelijken, scheidingen, begrafenissen en toetredingen tot het Jodendom via het orthodoxe rabbinaat, dat een strikte definitie hanteert als het gaat om iemands Joodse status.

Gelukkig is er een uitweg gevonden voor dit religieuze monopolie, want in het buitenland gesloten (burgerlijke) huwelijken en scheidingen worden wel erkend door de staat. En voor volstrekt ongebondenen (noch Jood, moslim, druze of christen) bestaat de mogelijkheid om een door de overheid erkend samenlevingscontract af te sluiten met ongeveer dezelfde status als het huwelijk. Voor hen is er immers geen religieuze autoriteit binnen Israël die een huwelijk kan sluiten. (Dat de staat familiezaken aan religieuze autoriteiten overlaat, stamt nog uit de Turkse tijd.)

Het meest bizarre voorbeeld van een overheid die geen enkele partij zou mogen voortrekken, maar die de macht desondanks uit handen heeft gegeven aan één partij, namelijk de (ultra)orthodoxie, is de Wet op de Terugkeer. Israël heeft als het enige Joodse land in de wereld via deze wet aan Joden overal ter wereld het recht toegekend in Israël te gaan wonen en Israëlisch staatsburger te worden. Het is in wezen de bestaansreden van het land.

De halacha (de Joods-religieuze wet) is helder over de vraag wie Joods is: iedereen met een Joodse moeder en degenen die zijn toegetreden tot het Jodendom. Degenen met alleen een Joodse vader zijn niet Joods en als zij zich verbonden voelen met het Joodse achtergrond, kunnen zij net als andere niet-Joden een toetredingsproces volgen. De meer progressieve stromingen staan ronduit open voor degenen met alleen een Joodse vader. Helaas zijn zij in veel gevallen, met name in de VS, zo vrijzinnig dat ‘vader-Joden’ direct als Joods worden beschouwd, dus zonder gioer (toetredingsproces). En dat is naar mijn idee geen verstandige stap. Daarmee is de eenheid binnen het Jodendom over het conversieproces ernstig verstoord.

Doch de (ultra)orthodoxie opereert net zo goed niet coöperatief. Die stroming is uiterst krampachtig over de halachische eis dat louter een Joodse moeder telt. In hun ogen heeft een Joodse vader totaal geen betekenis. Alles wijst er evenwel op dat héél vroeger, in de tijd van de Tora, de patrilineaire lijn gold, Joods zijn hing dus af van de vader, niet van de moeder. Dat is op enig moment veranderd, aldus historici. Wellicht in de tijd van Ezra, na de eerste ballingschap; mogelijk pas in de Romeinse tijd, toen het rabbinale Jodendom ontstond. Veel vrouwen werden toen verkracht door de Romeinen en er was gebrek aan mannen vanwege de opstanden tegen diezelfde Romeinen, zo luidt een verklaring door historici voor de omschakeling naar de matrilineaire lijn.

De (ultra)orthodoxen zijn voorts onvermurwbaar als het gaat om het alleenvertoningsrecht binnen het Jodendom: zij zien zich als het enige echte Jodendom. Begrijpelijk vanuit hun orthodoxe opvatting, doch… de overheid hoeft daar niet in mee te gaan. Consequentie van het (ultra)orthodoxe monopolie is dat de conversie bij de andere stromingen binnen Israël niet wordt erkend. Buiten Israël is het een ander verhaal.

Terug naar de Wet op de Terugkeer. Die wet is in 1970 aanzienlijk verruimd. In die periode werden na de Zesdaagse oorlog Joden zonder pardon uit Polen gezet. Ook degenen met één Joodse grootouder kunnen vanaf die datum een beroep doen op deze wet om Israëlisch staatsburger te worden. Via de Wet op de terugkeer laat de staat Israël enerzijds mensen toe als staatsburger die veelal niet als Joods worden beschouwd door de orthodoxie en daardoor bij binnenlandse huwelijken in de problemen komen. Anderzijds zijn zij wel goed genoeg om in het geval van oorlog als militair te sterven voor het vaderland … De staat had toen meteen een oplossing moeten creëren.

Er zijn later wel initiatieven geweest om een eind te maken aan deze onverkwikkelijke situatie. Die zijn echter stukgelopen. Het wordt de hoogste tijd om definitief een uitweg te vinden en dat kán als de niet-religieuze politieke partijen hun lot niet langer laten afhangen van de (ultra)orthodoxe minderheid. Een meerderheid van de bevolking is daar vóór. Daaronder bevinden zich ook modern-orthodoxen die de dwingelandij van de ultra’s net zo goed zat zijn, want het slaat ook terug op hen.

Israël dient als modern land zo langzamerhand op zijn minst een burgerlijk huwelijk in te stellen. Het hoeft niet in de plaats te komen van het religieuze huwelijk; het kan een alternatief zijn voor hen die dat wensen. Gemengde stellen (man moslim, vrouw christen bijvoorbeeld) hoeven dan óók niet naar het buitenland om te trouwen. Het zou helemaal prachtig zijn als andere stromingen binnen het Jodendom eveneens officiële erkenning zouden krijgen van de staat. Bij christenen is het nu al zo dat de staat meerdere stromingen naast elkaar accepteert.

In september, na de veel te snelle, volgende verkiezingen, weten we meer. Hoopvol ziet het er niet uit, want het is al zo’n ontzettend langslepende kwestie. Maar wie weet. Het is toch eigenlijk te zot dat Israël als Joods land een staat is met vrijheid van godsdienst voor eenieder – behalve voor Jóden.

Delen |

vrijdag 12 juli 2019

De Israëlische strijdkrachten (IDF) zijn een volksleger (al valt daar wel iets op af te dingen). Anders dan in Nederland bestaat hier nog steeds dienstplicht. Iedere Israëlische jongere moet in beginsel op zijn achttiende het leger in: jongens tegenwoordig doorgaans twee jaar en acht maanden, meisjes twee jaar. Daarna kan nog sprake zijn van jaarlijks op herhaling gaan, wat afhankelijk is van de eenheid waar men heeft gediend. In Nederland is de algehele dienstplicht in 1997 afgeschaft. Daarmee werd het Nederlandse leger een beroepsleger.

Op de zojuist genoemde regel voor algehele dienstplicht zijn twee grote uitzonderingen: ultraorthodoxe jongeren zijn vrijgesteld van militaire dienst en Arabische Israëli’s hoeven eveneens het leger niet in. Reden voor de laatstgenoemde uitzondering is dat ze mogelijk tegenover familie kunnen komen staan in het geval van oorlog, en familie is heilig, dus hoe betrouwbaar kunnen ze dan zijn als soldaat. Arabische Israëli’s mógen wel het leger in als ze het zouden willen en er zijn er ook die dat doen, tegen de stroom in. Het wordt ze meestal niet in dank afgenomen in de eigen gemeenschap. Dat is zeker het geval voor Arabische Israëli’s van islamitische huize, voor christelijke Arabieren ligt het enigszins minder moeilijk. Druzen, die ook Arabisch zijn, gaan per definitie wél het leger in, want Druzen zijn loyaal aan de staat waarin ze wonen. Ook voor bedoeïenen gold dat in hoge mate, maar in die kring schijnt het animo geringer te zijn geworden vanwege radicalisering.

Er vindt een groeiende nationale discussie plaats over de vrijstelling voor de charediem (de ultraorthodoxen), die nog stamt uit de beginperiode van de staat Israël. Toen ging het om een klein aantal ultragelovige jongeren, nu om veel meer. Uiteraard zijn zij tegen. Ze gaan liever studeren op een jesjiwa (een Talmoedschool) met een redelijke studiebeurs, dan het land verdedigen tegen een lage soldij. Zelf zien zij dat anders. Zij beschouwen Talmoedstudie en het dienen van de Allerhoogste als een soort landsverdediging. Leuk en aardig, maar de vijand op het slagveld laat zich daardoor niet imponeren. Zonder sterk leger was Israël als Joodse staat al lang van de aardbodem verdwenen, ondanks de dagelijkse Talmoedstudie van de charediem. Er is een kleine groep nationalistische charediem die Talmoedstudie combineert met dienen in het leger. Zij hechten meer aan het woord van hun rabbijnen dan aan opdrachten van legercommandanten, dus in dat opzicht zijn het geen heuse soldaten.

De roep onder de Israëlische bevolking (vooral vanuit Russische kring) om charedische jongeren niet langer vrij te stellen van militaire dienstplicht is begrijpelijk, maar wat moet je met die lui in het leger als ze een amper een geweer willen vasthouden. Er zijn echter andere, hele nuttige vormen van nationale dienstplicht dan in het leger gaan, bijvoorbeeld werken in de zorg. Zo stel ik me voor.

In het leger worden, net zoals bij andere staatsinstituties, de orthodoxe regels aangehouden vanwege het gentleman’s agreement uit het begin van de staatsvorming, de status quo. Ben-Goerion voorzag een lange en moeizame discussie tussen orthodoxen en seculieren en stelde toen een status quo voor, in feite neerkomend op een orthodox monopolie als het om religieus Jodendom gaat.

Daarom geen of nauwelijks openbaar vervoer op sjabbat en andere feestdagen, kasjroet bij overheidsinstanties en vrijheid van (religieus) onderwijs. Een heet hangijzer samenhangend met de status quo is voorts dat alle Joodse huwelijken en scheidingen lopen via het orthodoxe rabbinaat, dat strikt de regels van de halacha (Joodse wet) aanhoudt als het gaat om de vraag of iemand Joods is.


De status quo-brief uit 1947 van Ben Goerion. Van: Hamodia, the Daily Newspaper of Torah Jewry

Als er in het leger iemand moet worden begraven, wordt de orthodoxe ritus gevolgd. Daarin gaat nu verandering komen en dat werd tijd ook. Die aangekondigde verandering is te danken aan het volhardende werk van de organisatie Chidoesj. Die ijvert al jaren voor religieuze en andere gelijkberechtiging. Over niet al te lange tijd, zo heeft het leger toegezegd, wordt de wens van de overleden soldaat geëerbiedigd als hij of zij een niet-orthodoxe begrafenisplechtigheid of zelfs een seculiere begrafenis verlangde. Ook zal er dan ruimte worden gegeven aan vrouwelijke rabbijnen van liberale huize. Het is een zeer gerechtvaardigd besluit, want als iemand bereid is zijn of haar leven te geven voor de gemeenschap (het hoogste offer) dan mag die gemeenschap wel wat terug doen. Het leger heeft gezegd dat er een mogelijkheid moet zijn om uitzonderingen toe te passen, doch daar zal minimaal gebruik van worden gemaakt. Het is eigenlijk triest dat dit er pas is doorgekomen, omdat met een rechtszaak werd gedreigd. Het leger wilde het niet zover laten komen en heeft daarom de toezegging bij een hoorzitting voorafgaand aan een proces gedaan.


Van: website Hiddush, for religious freedom and equality

Het is hoopgevend voor vrijheid van godsdienst voor álle Joden. In Israël worden echter wel meer zaken beloofd die uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, geen doorgang vinden. Eerst zien dan geloven!

Delen |

vrijdag 28 juni 2019

De Amerikaanse Israëli Yossi Klein Halevi werd in 1953 in New York geboren. In 1982 ging hij op alija. In die periode bevond hij zich als aanhanger van de vermoorde rabbijn Meïr Kahane op de uiterste rechtervleugel van het politiek spectrum. Hij kwam tot andere inzichten toen Kahane steeds extremer werd en in de ban werd gedaan. Tegenwoordig zou je Klein Halevi kunnen situeren in het politieke midden, wellicht zelfs enigszins links van het midden. Zijn extreme periode ziet hij als een jeugdzonde.

Zijn naam heb ik eerder laten vallen in een twééde Crescascolumn over Einat Wilf, die onafgebroken strijd voert tegen het zogeheten ‘recht op terugkeer’ van achtereenvolgende generaties Palestijnse vluchtelingen. Voor het blad Joods Nu schreef ik over het laatste boek van Klein Halevi, Letters to a Palestinian Neighbor, dat het mij zeer goed van pas was gekomen in mijn dialoogperiode in Nederland als dialoogpartners tegen mij zeiden “niets tegen Joden te hebben, doch wel tegen Israël te zijn.” Uit Klein Halevi’s boek spreekt de vurige wens om intensief in contact te treden met politieke of andersoortige opponenten. Doch dan wel zonder de eigen kernwaarden uit het oog te verliezen. Dat laatste wordt nogal eens veronachtzaamd in het verlangen om met andersdenkenden vooral een goede relatie te krijgen. Hoewel ook ik de relatie zeer belangrijk vind, staat bij mij toch de inhoud én het niet verkwanselen van de eigen cruciale uitgangspunten voorop.

Onlangs luisterde ik via YouTube naar een recente voordracht van Klein Halevi voor een Amerikaans-Joods publiek. Amerikaanse Joden en Israëli’s bewegen zich steeds meer uit elkaar, wat voor geen van beiden goed is. Klein Halevi hield zijn publiek onder andere voor dat men zich niet meer moet blindstaren op links in Israël. Links is nu eenmaal geen machtsfactor van belang meer. Amerikaanse Joden doen er daarom goed aan zich te richten op het politieke midden, dat het opneemt tegen rechtse krachten in het Joodse land. Het land dat in wezen nog steeds in oorlog is met veel landen in de omgeving, die worden gesteund door allerlei fel antizionistische bewegingen in het Westen. Het Israëlische midden verenigt naar zijn idee het beste in zich van de twee tegengestelde nationale politieke stromingen die beide in beslag worden genomen door hun eigen angsten.

Rechts is doodsbang voor het beëindigen van de bezetting, links is als de dood voor het voortduren van de bezetting. Rechts ziet wel wat in annexatie van (grote delen van) Judea en Samaria en is beducht voor een Palestijnse staat die best eens zou kunnen uitgroeien tot een tweede Gaza. Links vreest dat de annexatie het Joodse karakter van Israël zonder meer in gevaar zal brengen. Dat zou het einde betekenen van het zionisme, dus het streven naar een eigen land voor Joden. Of het zou de doodsteek zijn voor Israël als democratische rechtsstaat, indien bij totale annexatie aan Palestijnen burgerrechten zouden worden onthouden.

Het politieke midden begrijpt de angst van rechts voor een Palestijnse staat, want een tweede ‘Hamastan’ kan Israël zich absoluut niet veroorloven. Temeer omdat er ook nog andere vijanden op de loer liggen om de genadeslag uit te delen aan de Joodse staat, met name Hezbollah in Libanon en het door de sji’itische geestelijkheid bestuurde Iran. Anderzijds ziet het midden dat Israël oprecht naar wegen dient te zoeken om een eind te maken aan de bezetting via een vergelijk met de Palestijnen, mits dat niet ten koste gaat van de veiligheid van Israël als Joodse staat.

De voordracht van Klein Halevi is doorspekt met prachtige kernachtige uitspraken, waarmee verrassende inzichten worden gegeven of waardoor je aan het denken wordt gezet. Neem deze: Israël hoort de staat te zijn voor alle Joden, of ze daar nu wonen of niet, plus (!) dat Israël de status hoort te zijn voor alle inwoners, of zij nu Joods zijn of niet. Vooral die laatste stelling is complex: minderheden horen dezelfde individuele rechten en plichten te hebben als de meerderheid in een rechtstaat, maar het is niet de minderheid die de nationale identiteit (cultuur, taal en dergelijke) van een land bepaalt. Dat zou de democratische rechten van de meerderheid aantasten, naar mijn idee.

Het meest bijzonder aan Klein Halevi vind ik echter zijn dappere pogingen om Palestijnen te bereiken. En daarmee eigenlijk ook de Arabische Israëli’s, voor zover die zich sterk vereenzelvigen met hun Palestijnse broeders en zusters aan de andere kant van de grens. Althans, de zogeheten groene lijn, die in feite slechts een wapenstilstandslijn is en nog steeds geen formeel erkende grens.

Klein Halevi heeft een blog op de internetkrant The Times of Israel. Uiteraard besteedt hij daar aandacht aan zijn recente boek, waarvan net een herdruk is verschenen mét in een bijlage een groot aantal commentaren van Palestijnse en andere buren op zijn Letters to a Palestinian Neighbor. Eén van de reacties besprak hij onlangs op zijn blog. Het gaat om een gepeperd commentaar van Raja Shehadeh, een Palestijnse schrijver die naar eigen zeggen ook betrokken was bij het Oslo-vredesproces. Het is verschenen in The New York Times, altijd goed voor een kritische blik op de Joodse staat en zijn aanhangers.

De reactie van de Palestijnse auteur is nogal teleurstellend, aldus Klein Halevi. Dat ben ik met hem eens, want de in Engeland gelauwerde Palestijn vervalt in het oude welles-nietes spel. Shehadeh wijst erop dat Klein Halevi graag het zionistische verhaal wil overbrengen, dus waarom Joden richting Israël zijn gegaan, doch dat hij het Palestijnse narratief zou miskennen. Klein Halevi corrigeert Shehadeh door aan te geven dat hij het Palestijnse relaas aantoonbaar goed tot zich heeft laten doordringen én vooral door hem erop te attenderen wat de officiële Palestijnse woordvoerders bij voortduring met grote stelligheid beweren over de Joodse staat: Joden horen hier niet thuis in Palestina, het verhaal over ‘het Joodse volk’ is een verzinsel, een construct, want er hebben nooit Joodse Tempels gestaan op de Tempelberg, waar de Al Aksa-moskee en de Rotskoepel zijn verrezen, enzovoort.

Voor mij als geïnteresseerde lezer zit er niks anders op dan ook de herdruk aan te schaffen van Klein Halevi’s brieven aan de Palestijnse buren (en tevens aan veel Arabische Israëli’s), want de uitgever heeft de commentaren op zijn boek niet apart uitgegeven. Hopelijk kom ik dan positievere reacties tegen dan die van Raja Shehadeh, Palestijnse jurist van christelijke huize en oprichter van Al Haq. Al Haq? Dat is de organisatie die Justitie in Nederland drie jaar heeft beziggehouden met speurwerk naar geheime agenten van de Israëlische Mossad, die één van de juristen van Al Haq in Den Haag zouden hebben bedreigd. Justitie heeft niets van dat al kunnen vinden, zo valt te lezen in het NIW.

Delen |

vrijdag 14 juni 2019

Zondag is de eerste dag van de week in Israël. Het is tevens de eerste werkdag van de nieuwe week. Het leven barst weer los na een doorgaans wat lome sjabbat. Zaterdagavond, uitgaande of motsaee sjabbat, gaat de wekelijkse rustdag al over in de volgende (werk)week, terwijl in Nederland de nieuwe werkweek pas ná de zondag begint. Zaterdagavond is in het Joodse bestaan een mooi bruggetje naar de werkweek, waarin alles weer op gang komt.

In Herzliya is niet alles dicht op de Joodse rustdag. In tegenstelling tot de omringende plaatsen is in onze woonplaats het grote overdekte, airconditioned winkelcentrum met verschillende verdiepingen, geheten ‘De zeven sterren’, zaterdag overdag open. Op vrijdagavond, de familieavond, zijn de winkels daar en bijna overal elders in Herzliya wél dicht. De mall is genoemd naar het aantal sterren in het stadswapen van Herzliya. Ze vormen een verwijzing naar het ideaal van Theodor Herzl: de zevenurige werkdag. Nog steeds niet gelukt overigens.


Buitenkant van Shivat Hakohavim

Israëli’s werken best hard en verdienen daarbij meestal geen geweldige salarissen. Het is één van de redenen waarom de economie zo goed draait in dit land. Over het algemeen hebben werknemers een vijfdaagse werkweek met de donderdag als laatste werkdag van de week. Maar vrijdag is net zo goed een hele drukke dag. In ieder geval moeten de meeste mensen de wekelijkse boodschappen doen om van alles in huis te halen, tenzij je de spullen laat bezorgen. Als je kinderen hebt, gaan die een halve dag naar de gan (crèche), die net als op de andere dagen vroeg begint. Daarom voelt vrijdag toch een beetje aan als een werkdag. De Israëlische vrijdag is natuurlijk vergelijkbaar met de Nederlandse zaterdag, zij het dat de crèches daar dan gesloten zijn. De zaterdag in Nederland is – evenals de Israëlische vrijdag – een dag waarop mensen volop in de weer zijn, voordat de rustdag aanbreekt: niet alleen winkelen, ook de auto wassen, klussen in of rond het huis en noem maar op.


Interieur van de 7 stars mall in Herzliya

Ons Joodse leven in Nederland kenmerkte zich door boodschappen doen op donderdagavond, zodat we op sjabbat echt een rustdag hadden – zij het op onze vrijzinnige manier. Regelmatig gingen we ’s ochtends naar sjoel, daarna gingen we wandelen in het bos of op het strand, en we deden andere leuke dingen, zoals met het openbaar vervoer of de fiets naar musea, een concert of de film gaan (volkomen ‘klokvrij’ dus). Na sjabbat kwam er voor ons gevoel in Nederland nóg een soort rustdag, de zondag. Geen Joodse rustdag, meer een profane weekdag waarop je niet hoefde te werken, tenzij je 24-uursdiensten draait.

Die luxe heb je in Israël dus niet. Zondag is het aanpoten voor het werkende volk. Ook voor pensionado’s, zoals wij, voelt het toch als een soort werkdag. We hoeven ons dan weliswaar niet te haasten om naar het werk te gaan (nog steeds heel bijzonder), maar we doen wel allerlei ‘werk’ dingen, zoals naar de tandarts gaan, kleine boodschapjes doen en dergelijke. De hele sfeer in de samenleving is die van een werkdag.

Daardoor lijkt het weekend hier korter dan in Nederland. Dat is eigenlijk onzin, want het verschil met Nederland is dat de werkdagen daar van maandag tot vrijdag zijn en hier is het alleen maar een dag verschoven, dus van zondag tot en met donderdag. Omdat vrijdag, zoals net geschetst, ook veel gehaast met zich meebrengt, komt daardoor de nadruk echt te liggen op die ene dag in de week dat het beduidend rustiger is dan anders (al geldt dat minder voor het autoverkeer, het strand of natuurparken): sjabbat.

In Israël zijn veel dingen vergelijkbaar met Nederland en tegelijkertijd zijn er ook tal van verschillen, met als grootste verschil de taal en cultuur (en helaas ook de vijandige landen om ons heen …). De weekenden zijn eveneens verschillend. Door de Israëlische zondag hebben we het gevoel dat we niet slechts één uur voorlopen op Nederland, we lopen zelfs een héle dag voor.

Delen |
aug 2019Dimitri
aug 2019Chidoesj strijdt verder voor gelijke rechten
jul 2019Doorbraak voor non-orthodoxie via strijdkrachten
jun 2019Op vredespad – tegen beter weten in?
jun 2019Sjabbat is geen zondag
mei 2019Verkiezingsdebat: in Nederland wel, in Israël niet
mei 2019Hoogste tijd voor Gaza 4.0
mei 2019Erfgenamen
apr 2019Verkiezingen voor de 21ste Knesset
mrt 2019Vlinders
mrt 2019Habrigada hajehoediet (הבריגדה היהודית)
mrt 2019Brabants bont
feb 2019Einat Wilf
feb 2019Longontsteking
jan 2019De gan
jan 2019Nazareth
dec 2018Conserverende aanslag
nov 2018De 30ste november
nov 2018Stadsparken
nov 2018Bitoeach sioedi (ביתוח סיעודי)
okt 2018Lokale verkiezingen
okt 2018Herzliya - Amsterdam v.v.
sep 2018Laat de UNRWA opgaan in de UNHCR
sep 2018Bezeq is niet HOT
aug 2018Israël als natiestaat
aug 2018Aardbevingen
jul 2018Familiebezoek
jul 2018Nederlanders over de grens
jun 2018Op stap naar Spanje
jun 2018Films en nieuws kijken
jun 2018Nederlandse taalles in Israël
mei 2018De Giro d’Italia en nog wat
mei 2018Jom Ha Sjoa
apr 2018Dialoog
mrt 2018Het huurcontract
feb 2018Oelpan (Hebreeuws les) – de volgende klas en nog wat
jan 2018Winkelsluitingswet
dec 2017Witgoed
nov 2017Geoefende analfabeten
okt 2017Thuis
okt 2017Israël. Hoe kun je dáár nou gaan wonen?
sep 2017Op en neer naar Nederland
aug 2017Hollanders ‘in den vreemde’
jun 2017Israël op zijn smalst
mei 2017Staaroperatie in het Assutaziekenhuis
apr 2017Stemmen vanuit Israël
mrt 2017Een jaartje verder
jan 2017Oelpan
okt 2016Tweedehands of nieuw?
sep 2016Op zoek naar een auto
sep 2016Zachte landing
aug 2016Het verkorte rijexamen (mivchan hamara = conversietest)
aug 2016Dubbelleven
jul 2016Mea (100)
jul 2016Nola
jun 2016Cultuur
jun 2016Misrad Harishui (ministerie van Vergunningen)
mei 2016Antizionisme
mei 2016Geduld
mei 2016Zeg eens A(lef)
apr 2016Liften of niet?
apr 2016Een hele belasting
mrt 2016Alija