Een ongewoon verhaal

Eva van Sonderen

vrijdag 29 maart 2019

Soms levert het doornemen van een stapel ongelezen oude kranten een verrassing op: in Haaretz van 22 februari jongstleden, een artikel onder de kop: “Healing that knows no bounds”. Over een Palestijnse gynaecologe en verloskundige, dr. Mushira Abu Dia, de eerste vrouw, en eerste Arabisch-Israëlische, die voorzitter is geworden van Physicians for Human Rights in Israël. Ze werkt als senior verloskundige in het Hadassa ziekenhuis in Ein Kerem en is als deskundige oproepbaar bij het aan het ziekenhuis verbonden centrum voor slachtoffers van seksueel misbruik. Verder behandelt ze vrouwen bij een gezondheidscentrum van het Clalit ziekenfonds in Beit Shemesh – vooral ultra-orthodoxe vrouwen. Daarnaast is ze al vijftien jaar vrijwilliger bij Physicians for Human Rights, bij hun mobiele kliniek die in het weekend naar Palestijnse dorpen trekt, en in een vaste kliniek in Jaffa, waar mensen zonder ziekenfondsverzekering, zoals asielzoekers, worden geholpen.

De veertigjarige Abu Dia werd geboren in de gemengd Arabisch-Joodse stad Lod. Haar moeder kwam uit een vroom islamitisch gezin en werd op haar zestiende uitgehuwelijkt aan een man die dertig jaar ouder was dan zij. Moeder kon zelf lezen noch schrijven, en ze was vastbesloten dat haar kinderen meer kansen moesten krijgen, die moesten een goede opleiding krijgen. Dat betekende in Lod: naar Joodse scholen. Toen Abu Dia elf jaar was, gingen haar ouders scheiden en haar moeder en de inmiddels drie kinderen verhuisden naar Ramle; moeder verdiende de kost door als schoonmaakster te werken in het Assaf Harofeh ziekenhuis. De vader is opnieuw getrouwd en daardoor heeft ze nog vier halfbroers en halfzussen.

Terwijl Mushira Abu Dia Palestijnen in de gebieden buiten de Groene Lijn bijstaat, hebben vijf van haar broers en één zus, vrijwillig dienst genomen in het Israëlische leger. En dat niet alleen – vier van haar broers, en een zus, zijn officieel Joods geworden, en leven in alle opzichten een Joods leven. Eén broer had zich bij de Afrikaans-Hebreeuwse zwarte gemeenschap in Dimona aangesloten, en leefde daar tot zijn tragische dood door een verkeersongeluk. Haar zus woont met haar gezin in een religieus georiënteerde Joodse nederzetting.

Abu Dia begrijpt wel dat haar broers en zus hebben gekozen Joods te worden door het opgroeien binnen de Joodse maatschappij en vooral door de Joodse scholen. Ze is er mild over: “het is moeilijk om er tussenin te blijven hangen.” Ze deed op school met (bijna) alle Joodse feesten en tradities mee. Ze vertelt hoe haar broertje, zusje en zij zelf met Poerim uitbundig verkleed naar school liepen, langs de verbaasde blikken van hun Arabische buren. Toch voelde ze zich nooit helemaal ergens bij horen – niet bij de Joden en niet bij de Arabieren. “Of misschien hoorde ik overal bij?”, besluit ze.

De interviewster vraagt of het niet moeilijk voor haar is om haar zus in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever te bezoeken. Ze antwoordt dat ze zich bewust is van de gevolgen die de nederzettingen hebben voor de Palestijnse bevolking, maar dat ze daar toch de banden met haar familie niet door laat verpesten. Het gezin van haar zus heeft –zoals veel andere settlers – een stuk grond gekocht omdat het veel goedkoper was dan binnen de Groene Lijn. Als ze het zich kon veroorloven zou ze misschien liever binnen de Groene Lijn wonen. Tijdens bijeenkomsten van de hele familie hebben ze het gezellig omdat ze niet over politiek of religie praten, maar wel over hun gezamenlijke verleden en over hun moeder die enige jaren geleden overleed. Die bijeenkomsten zijn vaak met Pesach, en dan barbecuen ze met koosjer en halal vlees, vergezeld van koosjer-voor-Pesach kadetjes. Op de gedenkdag voor hun moeder gaan ze naar de islamitische begraafplaats waar zij ligt begraven. Ook de Joodse afstammelingen zijn daar bij. Onderling spreken ze Hebreeuws als de meest comfortabele taal – één keer staarde een islamitische familie vlakbij hen ongelovig aan, maar daar zijn ze zo langzamerhand wel aan gewend. Toen haar moeder nog leefde, had die geld gespaard om een grafsteen te betalen voor de bij een ongeluk omgekomen halfbroer van Abu Dia. Ze bestelde de steen bij een Joodse grafsteenhouwer, en de inscriptie was in het Hebreeuws. Omdat moeder zelf niet kon lezen of schrijven deerde dat haar waarschijnlijk niet. Maar de steen werd vernield door anderen die een Hebreeuws grafschrift op een islamitische begraafplaats niet konden waarderen en dát heeft haar moeder gebroken.

Mushira Abu Dia denkt er zelf niet over om Joods te worden. De enige keer dat iemand haar daarop aansprak, was toen ze een Joodse vrouw begeleidde bij haar zwangerschap van een tweeling en ook haar verloskundige was. Bij het controlebezoek na de geboorte zei de jonge moeder: “U bent zo’n fantastische dokter, waarom gaat u niet over tot het Jodendom?” Daar maakte Abu Dia wel even korte metten mee. Maar ze begrijp het ook: “Sommige Joden kunnen zich niet voorstellen dat een niet-Joodse vrouw een goed arts kan zijn. Die tegenstelling in haar hoofd, ik ben haar dokter en ik ben een Arabische vrouw, paste niet in haar wereldbeschouwing. Om die tegenstelling op te lossen moest ik Joods worden.”

De interviewster spreekt haar verbazing uit over de verzoenende toon van Abu Dia – ze is niet boos op de Joodse samenleving of over het racisme dat ze heeft meegemaakt en Abu Dia antwoordt: “wat voor goeds zou boosheid me brengen, anders dan meer stress?” Ze is blij met haar werk bij Physicians for Human Rights – dat is activisme waarbij ze iets kan doen om gelijkheid en rechtvaardigheid te bevorderen, zonder uitsluiting van enige groep. Haar collega’s bij deze ngo, haar collega’s in Hadassa en in de klinieken, haar vriendenkring en haar familieleden vormen een sterk fundament, waarbinnen de mogelijkheid tot verandering wél bestaat. Bovendien heeft ze daarnaast een relatie met D. B., een Canadese Jood die in Jeruzalem woont, en hier Engels en zenboeddhisme doceert. Ik denk dat ik weet wie ze bedoelt , want Jeruzalem is een dorp, en de gemeenschap van (spirituele) Joden is een nog kleiner gezelschap. Vele jaren geleden heb ik D. leren kennen tijdens een door reb David Zeller z.l. geleide sjabbaton in een kibboets bij de Dode Zee. D. was een opvallend intelligente en rustige jongeman, die daar ook meditaties leidde. Echt iemand die er uit sprong.

A match made in heaven!, denk ik.

3 + 3 = ?
mooi eens zo'n positief verhaal te lezen over Israël.
Bijzonder relaas van Arabische/Palestijnse Israëli’s die hun eigen weg kiezen en daarbij diepe kloven overbruggen. Goed dat je bleef hangen bij dit verhaal in de stapel oude kranten. Kol hakawod!

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.