Herdenken

Eva van Sonderen

vrijdag 8 mei 2020

Net de veelgeprezen 4 mei-toespraak van de koning beluisterd. Niet overdreven, die aandacht, want met deze sobere, persoonlijke toespraak is het voor het eerst dat een lid van het koninklijk huis een pijnlijk punt aanroert, de toespraken van koningin Wilhelmina via radio Oranje, waarin zij weinig aandacht heeft besteed aan het lot van de Nederlandse Joden. Waarschijnlijk is het bezoek dat koning Willem-Alexander vorig jaar heeft gebracht aan Beth Juliana in Herzliya daar debet aan. In gesprekken met de bewoners werd duidelijk dat velen van hen zich destijds in de steek gelaten voelden door zowel de regering als de koningin. Van mij had hij nog duidelijker het Joodse volksdeel mogen noemen in plaats van: “mensen voelden zich in de steek gelaten”, maar niettemin: kol hakavod.

Daarna de toespraak van Arnon Grunberg gehoord – fenomenaal. De opbouw met voorbeelden uit zijn jeugd, de onverbloemde taal – “de meeste slachtoffers hebben het kamp door de schoorsteen verlaten” – de voorbeelden van de gruwelen die hij geeft, en de oproep om voortdurend waakzaam te zijn, bij jezelf en bij de samenleving, op waarschuwingssignalen van hernieuwde stigmatisering en uitsluiting, omdat we nu weten waar dat ten slotte toe leidt. Vroeger vond ik Grunberg een klierige tweede generatiepuber; maar hier toont hij zich iemand die dankzij zijn tweede generatie-achtergrond – “als we helemaal niet ziek worden van die 20ste eeuw, vrees ik dat er niets herdacht is en al helemaal niets begrepen. Niet ziek worden zou weleens een symptoom kunnen zijn van wegkijken, van ontkenning.” – een briljante lezing geeft over het nationaal-socialisme en de mogelijkheid van nieuwe verschijningsvormen.

Gisteravond heb ik in het kader van 4 mei een kleine verhalenbundel, Rijkdom. Joodse naoorlogse verhalen van Minny Mock, die onlangs is overleden, herlezen. De bundel is opgedragen aan haar ouders, David Degen (1912-1969) en Debora Degen-Vogel (1913-1979).

Het zijn licht verhulde autobiografische verhalen, herinneringen aan het naoorlogse leven, waarin de oorlog steeds doorsijpelt. Minny Mock schrijft niet in de ik-vorm, maar in de derde persoon over ‘het meisje Suzette’, hetgeen samen met de precieze observaties een merkwaardige afstandelijkheid geeft. De verhalen zijn niet sentimenteel, geen Meyer Sluyser-stijl hier. Een observatie over het gezin van oom Maup en tante Selien, communisten, bij wie een portret van Stalin aan de muur hangt dat door het meisje Suzette wordt aangezien voor de vader van tante Selien, wordt gevolgd door het bord ‘aangeklede soep’ dat Suzette op vrijdagmiddag van haar moeder krijgt, kippensoep met een geel eitje, een halsje en een maagje. Want niet alleen de oorlog is aanwezig, ook het religieuze Jodendom, onnadrukkelijk, met hier en daar sjabbatkaarsen die worden aangestoken, of de sjeitel (pruik) die het alter-ego van de schrijfster in een droom draagt. “Rijkdom” is het koosnaampje dat de moeder het kind Suzette geeft en je kunt het ook toepassen op de innerlijke rijkdom van de Joodse traditie. Naar buiten is het in de naoorlogse jaren schnabbelen en nette armoede.

Ik heb Minny Mocks boekje twee keer moeten lezen om het op waarde te kunnen schatten. Eerst moest ik wennen aan die onpersoonlijke stijl. Pas de tweede keer drongen de verhalen tot mij door, met hun spanning tussen de soms dramatische inhoud en de droge manier waarop die werd beschreven. Daardoor schrijf ik er helaas nu pas over, nu Minny Mock er niet meer is. Ik hoop dat ze ergens over mijn schouder meeleest …

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012