De maaltijd van de Moshiach

Eva van Sonderen

vrijdag 21 april 2017

Maandag 17 april, in Israël de laatste dag van de Pesachweek. Het is doodstil in de straten van Jeruzalem. Schitterend weer, zon aan een strakblauwe hemel, de zoet bloeiende citrusbomen hebben een driftig zoemend aura van bijen om zich heen. In de namiddag vertrek ik samen met Y, vriendin uit Amsterdam die Pesach heeft doorgebracht in de kleine Carlebach nederzetting Mevo Modi’im, naar een adres in de Oude Stad. Leah S., de organisatrice van de Pesach openlucht fair in Mevo Modi’im heeft een uitnodiging geregeld voor de se’oeda sjliesjiet, de derde maaltijd, bij het gezin van Emoena W., op de hoek van de Tiferet Yisraeel en de Misjmeret Hakedoesja street.


De Pesach fair in Mevo Modi'im

Een taxi brengt Y en mij naar de Zionspoort, vanwaar het adres volgens Google snel te vinden moet zijn. Zoals Google ons gebiedt lopen we eerst veertig meter zus, dan zestig meter zo, waarop we de weg al kwijt zijn; maar niet getreurd, we hebben wel ongeveer een idee waar het moet zijn. We belanden op het kleine plein in de Joodse wijk waar altijd wat vrouwen en kinderen op bankjes zitten en vragen, al Pesach sameach of Gut Jontef zeggend, de weg. Helaas heeft niemand van de Misjmeret Hakedoesja straat gehoord, wel van Tiferet Yisraeel, dat is een hééle lange straat. We lopen her en der, vragen allerlei mensen. Die hebben wel gehoord van Misjmeret Hakehoena straat, de straat van de Kohaniem. Dus misschien is die het. We keren op onze schreden terug en zoeken in de kleine straatjes van de Joodse wijk, nog steeds zonder resultaat. Ten slotte komen we een vlotte ultra-orthodoxe vrouw tegen die het huis van Emoena W. kent, ze is onroerend goed agent, vandaar misschien, en ze levert ons af bij een onopvallende hoekhuis met een blauwe voordeur.

We komen binnen in een piepkleine keukenruimte, bijna geheel in beslag genomen door een eettafel die schuilgaat onder de resten van een maaltijd, grote ronde sjmoera matzes, plastic bordjes, bakjes met slaatjes, een halfopgegeten chocoladereep, papieren bekers, servetjes, een fles wijn, bensjboekjes en gebedenboeken. Er zit een kleine vrouw aan tafel met een zacht en stralend gezicht, omlijst door een tulbandachtige hoofdbedekking van beige en goud. Verder zit er een bekeppelde man, (dat blijkt een rabbijn te zijn), en een jonge vrouw met een baby op schoot. “Wie zijn jullie?”, vraagt de oudere vrouw enigszins verbijsterd als we binnen staan, tot we vertellen dat Y hier is door bemiddeling van Leah S. Dan omhelst ze ons en nodigt ons uit aan tafel te gaan zitten. We krijgen een bordje met een stukje matse, een klein stukje zalm, een stukje gefillte fisj en een hapje bietensalade, we prevelen de brooche en knabbelen wat aan de matses.

Er komt een tweede jonge vrouw binnen, het evenbeeld van de eerste, beiden hebben ze een gezicht als op een schilderij van Botticelli, heel zuiver en open, en met gelijksoortige windsels om het haar. Het blijken Emoena’s tweelingdochters te zijn. De drie vrouwen wachten op hun echtgenoten die bij de Kotel ma’ariv davvenen. Steeds gaat de deur weer open en komen er nieuwe gasten binnen, die komen voor de ‘maaltijd van de Moschiach’. Er worden meer plastic stoelen en klapstoeltjes aangesleept. Dan komen ook de echtgenoten van de dochters thuis, leuke twintigers in witte overhemden met gehaakte keppeltjes en peijes langs hun gezicht. Ik overhandig een meegebracht doosje pesachdike zoetigheden, Emoena’s schoonzoon bestudeert het etiket waarvan ik dacht dat het geoorloofd was voor asjkenazische Joden maar helaas, het bevat kitnijot. O, dan kan mijn ene dochter het eten, die is met een Jemeniet getrouwd!, roept Emoena vrolijk en schuift het doosje door naar dochter-met-baby (een asjkenazische vrouw die met een sefardische man trouwt, neemt de sefardische gebruiken over).

Het wordt heel vol, een stuk of vijftien gasten, Y en ik bieden aan om maar weer te gaan, opdat anderen op onze plaatsen midden aan de tafel kunnen zitten, maar daar wil Emoena niets van horen. Een omvangrijke man aan het uiteinde van de tafel begint een nigoen te zingen en er wordt mee geneuried, ook door de vrouwen, dus ik durf ook in te vallen. Later vraag ik hem waarom dit de maaltijd van de Moshiach wordt genoemd. “It’s the last meal of Pesach, so of course we are waiting for Moshiach to appear now”, antwoordt hij, een beetje alsof we op Sinterklaas zitten te wachten die, als we maar zoet zijn, echt, heus, op de blauwe deur zal kloppen. Al wachtend vertelt hij verhaaltjes van reb Nachman van Bratslav, de achterkleinzoon van de Baal Sjem Tov. De baby knabbelt op de kitnijot snoepjes. Twee vrouwen die als laatsten zijn binnengekomen, passen niet meer aan tafel en moeten op plastic stoeltjes achter de verteller gaan zitten. Hij wisselt het vertellen af met het zingen van nigoenim en trommelt de maat met zijn vingers op tafel.

Een kleine man met een grijs baardje en grappige bruine ogen vertelt hoe hij in 1967 in Londen woonde en op ieder radiostation muziek van de Beatles hoorde, Sergeant Pepper’s Lonely Heart’s Club Band; hij dacht dat de messiaanse tijd was aangebroken. Zijn ogen glimmen; hij verwijlt duidelijk even bij een prettige tijd in het verleden. Ik ben blij te horen dat híj Emoena’s echtgenoot is, en niet de dikke man aan het einde van de tafel, die nu de leiding neemt bij het bensjen. We zingen allemaal Sjier Hama’alot en de eerste drie strofes van het dankgebed hardop en daarna prevelt ieder de rest voor zichzelf. Pesach 5777 is bijna voorbij.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012