Nechama Rivlin 1945-2019

Eva van Sonderen

vrijdag 21 juni 2019

Bij de algemene verkiezingen in april stond president Rivlin voor het eerst zonder zijn vrouw Nechama bij de stembus en daar had hij het zichtbaar moeilijk mee. Zijn echtgenote had een longtransplantatie ondergaan die aanvankelijk gunstig leek te zijn verlopen. Helaas was haar toestand opeens verslechterd en moest ze met spoed worden overgebracht naar het Beilinson ziekenhuis in Petach Tikwa. Rivlin was op dat moment op staatsbezoek in Canada en keerde onmiddellijk terug om bij zijn vrouw te zijn.

Vroeg in de ochtend van 4 juni jongstleden overleed Nechama Rivlin, één dag voor haar 74ste verjaardag. Zij leed sinds 2007 aan een longaandoening die haar het ademen in de loop van de jaren steeds meer bemoeilijkte; het Israëlische publiek was er aan gewend geraakt haar moederlijke gestalte met het opgestoken grijze haar bij officiële gelegenheden te zien in gezelschap van een draagbare zuurstoftank. “Maken mensen daar opmerkingen over?”, werd haar eens gevraagd. “Zeker”, antwoordde ze daarop, “ze vragen waar ik die heb gekocht, of het een goede is, omdat ze zelf een familielid hebben met longproblemen, en dan geef ik ze het verkoopadres en vraag hun de groeten te doen aan de aardige eigenaar van die zaak.”

Dat was Nechama Rivlin ten voeten uit. In alle toespraken bij de begrafenis en in alle condoleances werd ze geroemd om haar pretentieloosheid, haar beminnelijkheid, haar warmte. Al was ze bescheiden, ze kon direct zijn en ze was niet bang haar mening te laten horen. “We zullen Nechama Rivlin zo missen, vooral in deze dagen waarin het discours zo onbehouwen en polariserend is geworden”, zei het hoofd van Israëls nationale vrouwenorganisatie Na’amat.

Nechama Rivlin werd in 1945 geboren in mosjav Cherut. Ze studeerde landbouw, biologie en dierkunde aan de Universiteit van Jeruzalem, en ze heeft jaren reseach gedaan aan deze universiteit. Toen Ruvy Rivlin president werd, besloot ze zich als First Lady te gaan bezighouden met activiteiten voor geestelijk of lichamelijk gehandicapte kinderen, en met kunst. Ze liet in Beit HaNasi, de residentie, een gemeenschapstuin aanleggen waar schoolkinderen bloemen en kruiden konden planten.

In Haaretz haalde David Grossman herinneringen op aan zijn vriendschap met de presidentsvrouw. Zij hield ervan om hoge buitenlandse gasten, zoals de Spaanse koning, of recentelijk president Trump, een boek te geven en vroeg Grossman dan of hij er een opdracht in wilde schrijven. “Ik stuur je het boek en dan schrijf jij er iets in en ondertekent het.” Waarop Grossman antwoordde dat hij zoveel boeken had liggen, dat hij haar er een met opdracht en al kon toesturen. Maar dat weigerde Nechama: “Ik koop zelf een boek, met mijn eigen geld.” Grossman schrijft: “Terwijl ik het over haar heb, denk ik steeds dat ik mijn woorden zorgvuldig moet kiezen. Ik kan me haar ietwat sceptische, ietwat ironische glimlach voorstellen als ik de verkeerde woorden zou kiezen. Ik zal haar heel erg missen.”

Eveneens in Haaretz schreef journalist Chemi Shalev dat zij president Rivlin de kracht gaf om in zijn publieke redevoeringen tegengas te geven aan het beleid van Netanjahoe, zonder daarbij diens naam te noemen. Rivlin vormde als het ware “een eenmans-verzetsbeweging tegen Netanjahoe’s opruiende verdeelheid zaaien en tegen zijn anti-democratische oprispingen.” Daarbij overschreed Rivlin nooit de rode lijnen die bij zijn ceremoniële rol horen. Ik herinner me dat hij zich in 2015 – na een brandaanslag door Joodse jongeren op een Palestijns huis op de Westoever, waarbij het huis afbrandde en een peuter omkwam – scherp uitsprak: “My people have chosen the path of terror and lost human form.”

De begrafenis op de vroege woensdagavond was toegankelijk voor het publiek, maar ik heb de uitzending ervan op internet gevolgd. Een duidelijk aangeslagen Rivlin hield een ontroerende afscheidsrede aan “Nechama, mijn Nechama, onze moeder” en memoreerde de liefde van zijn vrouw voor de natuur en voor de beeldende kunsten. Hij vertelde dat ze op latere leeftijd kunstgeschiedenis ging studeren, waardoor er een nieuwe wereld voor haar open ging. Na afloop van saaie diplomatieke recepties in het buitenland wist ze hem mee te krijgen naar het dichtstbijzijnde museum. Rivlin vertelde dat hij zich wel eens afvroeg of hij er goed aan had gedaan haar als buitenmens naar de stad te halen, maar dat zij meer Jeroesjalmi was geworden dan geboren Jeruzalemmers, en zich thuis voelde op culturele plekken als de Cinemathèque en het Israel Museum.

Op de televisie is verschillende malen een oude archiefopname van een interview met president Rivlin te zien geweest, waarin hem werd gevraagd wat voor tekst hij ooit op zijn graf zou willen hebben. Zijn antwoord: “Dat ik Nechama’s echgenoot was.”

Donderdag 6 en vrijdag 7 juni was de sjiwwe in Beit HaNasi. Ik wist niet zeker of die open was voor het gewone volk, dus ik besloot een condoleancekaart te schrijven en aan een functionaris te overhandigen. Het was donderdag bloedheet en toen ik zwetend bij Beit HaNasi aankwam, stond er al een rij mensen. Diplomaten, journalisten, maar ook de hoi polloi zoals ik. Ik besloot me dan toch maar aan te sluiten bij de rij. Die vorderde langzaam, stafleden haalden af en toe VIPS of bekenden uit de rij die mochten voorgaan. Na zo’n veertig minuten konden we rechtsaf een kamer in – daar zouden onze tassen dan wel worden gecontroleerd dacht ik, voor we verder zouden mogen. Eindelijk stapte ik over de drempel en zag tot mijn verbazing Rivlin met zoon en kleinzoon op lage stoelen zitten. Ik schudde handen, sprak mijn goed gerepeteerde troostwoorden uit en mocht de (opengelaten, zodat men kon zien dat er geen antrax in zat) envelop met de kaart aan een staflid geven. Voor ik het wist stond ik weet buiten in de grote hal. Wat een verschil in toegankelijkheid met jaren geleden, toen ik aanwezig was bij een officiële ceremonie waarin onder anderen Henny van het Hoofd een onderscheiding kreeg voor haar educatieve werk in Joods Nederland. Ariel Sharon was toen nog premier; hij reikte de onderscheidingen uit en vóór publiek en pers de zaal in mochten, werden niet alleen onze tassen degelijk geïnspecteerd maar ook onze handen gescand op eventuele aanwezigheid van sporen van explosieven. (Vandaar mijn open envelop deze keer.)

Ik liep terug via de presidentiële tuin, langs een rij bronzen koppen van alle voorgaande presidenten – Peres als laatste, zelfs de kop van Katsav ontbrak niet. Aan drie hoge masten hingen Israëlische vlaggen halfstok. Voor de ingang van het gebouw stond een tafel met een portret van mevrouw Rivlin, een paar bloemenkransen er om heen.

Moge de herinnering aan Nechama Rivlin tot zegen zijn.

3 + 3 = ?

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.