De Kotel en de wet op bekering

Eva van Sonderen

vrijdag 7 juli 2017

Deze week kan ik niet goed over iets anders schrijven dan over de Kotel (de Westelijke Tempelmuur) en over het wetsvoorstel dat in Israël het ultra-orthodoxe opperrabbinaat voortaan het monopolie heeft op alle bekeringen tot het jodendom. Vooral dit laatste wetsvoorstel dreigt de toekomstige bevolkingssamenstelling van Israël bepalen. Blijft Israël een land voor alle Joden, ongeacht hun mate van religiositeit of tot welke religieuze stroming zij behoren, of wordt het een ultra-orthodoxe theocratie?

Ga ik vaak naar de Kotel? Niet echt. Heel vroeger wel, vóórdat je door een sluis moest waar je je tassen door een röntgenapparaat moet halen. Dat moet helaas om een eventuele aanslag te voorkomen, maar het doet afbreuk aan de spirituele ervaring. Wel ben ik een keer na een nacht doorlernen op Sjawoeot, meegelopen naar de Kotel. Dat was een indrukwekkende ervaring, (ook door het ijle bewustzijn na een nacht niet slapen) tussen die honderden in het wit geklede mensen die het hele plein voor de Muur vulden. Heb ik deelgenomen aan activiteiten van Women of the Wall, die daar met Rosj Chodesj proberen diensten te houden, met tallitot, gebedsriemen en meegebrachte Torarollen? Ook al niet. Het lukte me nooit er om zes uur ’s ochtends voor op te staan, en ik ben ook niet zo van de polariserende acties. Maar als er na 24 (!) jaar, via bemiddeling door Sjaransky, een compromis wordt bereikt waarbij een apart platform bij de zuidelijke Tempelmuur wordt beloofd, groot genoeg voor ‘egalitaire diensten’, vind ik dat een oplossing die ieder in z’n waarde laat. (We moeten trouwens niet vergeten dat er een klein orthodox groepje Women of the Wall is dat zich door dit compromis in de steek gelaten voelde: zij wilden als vrouwen apart met Tora-rollen en alles kunnen bidden, zonder mannen er bij.)

De (ultra)-orthodoxie is uiteraard opgetogen. Minister van Binnenlandse Zaken Aryeh Deri (heeft in de gevangenis gezeten vanwege corruptie en misbruik van gemeenschapsgelden, maar bekleedt nu weer een ministerspost) zegt op een bijeenkomst van zijn sefardische partij Shas: “we hebben niets tegen welke Joden dan ook. Het zijn allemaal onze broeders. Ons gevecht is tegen hun benadering, hun ideologie die probeert hier een nieuw soort jodendom te brengen.” Over “onze zusters” heeft hij het niet, in de charedi wereld maken mannen de dienst uit. Charedi rabbijn Eisenstein uit de Jeruzalemse wijk Ma’alot Dafna zegt iets dergelijks: “De reform en conservative stromingen dreigen het voortbestaan van het Joodse volk te ondermijnen. De reden dat het jodendom duizenden jaren en alle moordpartijen heeft overleefd, is dat onze religie de enige is die altijd hetzelfde is gebleven, zoals ze aan ons werd gegeven op de berg Sinai. Wie heeft jullie, conservative en reform, het recht gegeven een nieuwe religie te maken?”

Deze Eisenstein heeft een karikaturaal beeld van niet-orthodoxe Joden: “Het zijn mensen die lid zijn van een reform/conservative tempel en dan één keer per jaar komen opdagen voor de Hoge Feestdagen. Ze gaan naar nachtclubs, mannen en vrouwen samen, en zien daar onbehoorlijk geklede vrouwen.” Chas ve shalom dat dit soort Joden een eigen plek zou krijgen en de heiligheid van de Kotel in gevaar brengt. Hij is duidelijk over het doel van de wet op bekering: die moet een eind maken aan de erkenning van niet-orthodoxe stromingen. Niet dat de ultra-orthodoxen dat nodig hebben, die kunnen heus wel onderscheid maken tussen wie ‘echt Joods’ is en wie niet, zegt hij. Maar seculiere Joden kunnen dat niet, die lopen gevaar iemand te trouwen die niet Joods is (= die geen Joodse moeder heeft). Ofwel, díe seculiere Joden moeten tegen zichzelf worden beschermd.


Zo was de Kotel– Klaagmuur – vroeger, voor 1967. Niks scheiding tussen mannen en vrouwen, foto van Ezra Rehana

Zaterdagavond 2 juli, na afloop van de sjabbat, was er een grote demonstratie, de schattingen lopen uiteen van vijfhonderd tot duizend mensen, bij de ambtswoning van Netanjahoe. Georganiseerd door de conservative en reform beweging plus Women of the Wall. Op de borden twee leuzen: “Bibi, verdeel het Joodse volk niet”; en “Jodendom zonder dwang”. In Haaretz stond de volgende dag dat de strijd tegen de ultra-orthodoxe pogingen tot machtsovername niet door Amerikaanse Joden kan worden gewonnen – Israëlische Joden zullen zich massaal moeten roeren.

De mij het meest aansprekende opinie over dit conflict las ik in de internetkrant The Times of Israel 26 juni jongst leden, van Alon Goshen-Gottstein, directeur van het Elijah Interfaith Instituut. Hij is zelf op vrijdagavond een trouw bezoeker aan de diensten bij de Kotel. En vroeger was hij het oneens met de bekende orthodoxe professor Leibowitz z.l., die het bidden bij de Kotel een vorm van afgodendienst noemde. Nu schrijft hij: “De Kotel symboliseert zowel ‘afwezigheid’ als ‘aanwezigheid’. Hij is een herinnering aan de Tempel die er niet meer is; tegelijkertijd heeft volgens de rabbijnse traditie de Sjechina, de Goddelijke Aanwezigheid, de Muur nooit verlaten. Veel gelovigen hebben daar dan ook spirituele of mystieke ervaringen.”

Het probleem is dat de Kotel ook een nationalistisch symbool is geworden, van de hereniging van Jeruzalem bijvoorbeeld, niet langer alleen een plek voor een innerlijke dialoog met God. Soldaten leggen op het plein hun eed van trouw af. Goshen-Gottstein: “De officiële redenatie spreekt over ‘de heiligheid van de Kotel’. Maar waar het echt om gaat, is de nationale betekenis van de Kotel als symbool van de eenheid van het Joodse volk, het gaat er om iedere erkenning van niet-orthodoxe stromingen de kop in te drukken. Het is een politieke machtsstrijd. En als nationale symbolen belangrijker zijn geworden dan spirituele verbinding – dan is dat inderdaad afgodendienst.”

3 + 3 = ?

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.