sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Renée Citroen

Renée Citroen (1948) was werkzaam als journalist/redacteur van onder andere: Wordt Vervolgd (Amnesty International), Blanes, NIW, Benjamin, JonagBulletin en Chidushim (Beit Ha'Chidush). Als 'opvolgster van Henriëtte Boas' schrijft ze regelmatig ingezonden brieven in NRC Handelsblad. Renée Citroen is oud-bestuurslid van Beit Ha'Chidush en mede-auteur van de Sidur Ha'Chidush en de Nieuwe Hagada.

vrijdag 28 april 2017

Het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume heb ik niet gelezen, maar ik zag haar bij Tijd voor Max. Daar pleitte ze voor meer begrip en gelijkwaardigheid, maar had het niet over de “culturele toe-eigening” door witte mensen van een andere (zwarte) cultuur. Die vindt Anousha niet kunnen. ‘Wij’ mogen zelf geen Turks of Marokkaans restaurant beginnen en ook geen rastakapsel dragen, bijvoorbeeld. Als ik het begrip google, vind ik dat ook Afrikaanse kralen en zwarte piet eronder vallen. Ingewikkeld dus.

Ik probeer het te begrijpen en kom op het boek Dit zijn de namen van Tommy Wieringa. Daarin komt een rabbijn voor die zó onecht is dat ik mij zeer ergerde. Wieringa had een rabbijn geraadpleegd en braaf overgeschreven wat hij had gehoord. Maar er klopte niets van. Zijn toe-eigening van het Exodus-verhaal beviel mij ook niet. Maar ja, dat doen de christenen sinds mensenheugenis.

Ik vind dat vervelend, omdat ik denk dat de gemiddelde lezer dan weer eens een verkeerd beeld krijgt van moderne Joden. Die dus niet allemaal kosjer eten, peijes dragen of op sjabbat niet met de auto rijden. Vervelend dus, een probleem dat alle minderheden meemaken: onbegrip en vooroordelen.

Maar om dan boos te worden dat AH met pasen matses verkoopt en het hele jaar door pitabroodjes en choemoes? Dat lijkt me wat overdreven.

De Surinamers, Marokkanen en Turken zijn in verhouding nog maar kort in Nederland en vinden het (ik generaliseer nu) vervelend dat wij dingen uit hun cultuur leuk en lekker vinden en dus overnemen. In ieder geval vindt Anousha dat. De Indische bevolking heeft daar geen last meer van, wij kunnen overal saté met pindasaus bestellen. We maken ook onze eigen sushi en taco's. En bij ons in de buurt is een pizzeria die door een Turkse Nederlander wordt gerund, hoe zit dat dan?

Ik gun Anousha haar verontwaardiging over racisme, maar de vermenging van de eetculturen vind ik een aanwinst. Anders aten we hier nog steeds alleen boerenkool met worst.

Delen |

vrijdag 21 april 2017

Het onvolprezen www.jonet.nl houdt mij op de hoogte van Joods nieuws in Nederland en omstreken en verrast mij vaak. Zo las ik dat iemand in de rede vallen (waar ik mij vaak aan bezondig) niet onbeleefd is, maar 'zeer betrokken behulpzaam overlappen' betekent, en dat het een typerende manier van praten is voor Joden (uit New York en van Oost-Europese afkomst). Deborah Tannen heeft dit onderzocht.

Inderdaad, ik ben waarschijnlijk van asjkenazische afkomst (al zouden de Citroenen misschien ook met hun handel uit Spanje meegekomen kunnen zijn) en herken dit dus. En ja, als ik iemand tref die dat ook doet, ook van de hak op de tak springt, steeds weer nieuwe dingen vertelt en lekker doordramt (Tannen noemt dit keurig 'het steeds weer ter sprake brengen van een onderwerp als de ander dit niet meteen oppikt'), is het vaak iemand met een Joodse achtergrond, al heb ik niet-joodse vriendinnen die er ook goed in zijn.

En zegt Tannen, misschien is dit wat antisemitisme in de hand werkt bij mensen die wat bedachtzamer en trager redeneren, omdat je wordt beoordeeld op je manier van spreken.

Ik doe heus mijn best te wachten totdat iemand is uitgesproken, maar in mijn enthousiasme praat ik dus vaak al eerder mee. Zou het echt in de genen zitten? Of is het gewoon een persoonlijke irritante eigenschap? Deborah Tannen vindt van niet, dat stelt mij gerust. Nu de anderen nog overtuigen dat we alleen maar 'actief luistergedrag' vertonen en behulpzaam aan het overlappen zijn.

Delen |

vrijdag 7 april 2017

Pesach nadert en dan lees of hoor ik elk jaar toch weer iets nieuws over de Seider en de Hagada. 'Onze' Nieuwe Hagada is alweer uit 2012 en viert haar eerste lustrum. Mijn exemplaar zit vol plakbriefjes in allerlei kleuren en overal staan nieuwe aantekeningen bij. Niet alleen van mijzelf, maar ook de opmerkingen die ik hoorde op de afgelopen Seiders.

Natuurlijk zal ik het ook dit jaar niet kunnen laten al mijn nieuwe ideeën te gaan vertellen. Daarin lijk ik op de grootmoeder uit de Hagada die ik dit jaar kocht: For This We Left Egypt? Een Hagada met typisch Joods-Amerikaanse humor, die vaak flauw is, maar waar je toch om moet lachen. Denk aan The Nanny en al die andere tv-series. In deze Hagada zijn de grootouders de zeurpieten die maar door blijven praten, terwijl iedereen op het eten wacht. Daar moet ik dus voor uitkijken.

Het verhaal over de matse is ook hilarisch, die vindt niemand lekker en daarom was hij alleen goed genoeg om als kartonnen doos te dienen voor de spullen die de Joden meenamen op hun vlucht uit Egypte. Nooit bedoeld om te eten!
Daarom heet het ook 'het brood der ellende' leerde ik van mijn vader. Maar dat was omdat je de matse eigenlijk verticáál moest eten. Au!

Maar elk jaar vind ik het gedeelte over Moshe het mooist. Het is de twaalfde stap, Tzafun, 'Wat verborgen is'. Moshe is alleen verborgen aanwezig in de Hagada. Er zijn verschillende verklaringen voor. Uit de Nieuwe Hagada:
“Een poëtische uitleg is dat Moshe in de Hagada net zo voorkomt als in Shemot: langdurig verborgen. Om niet gedood te worden door de heerser, werd Moshe als baby verborgen gehouden. Toen dat onmogelijk werd, werd hij door zijn zuster Miriam verstopt in een rieten mandje bij de rivier. Daar werd hij gevonden door de dochter van de heerser. In zijn jonge jaren leefde hij bij haar verborgen aan het hof van de heerser. Toen hij een wrede opzichter had gedood, verborg hij zich in het land Midian, tot YHVH hem opdroeg om terug te keren en zijn volk uit de slavernij te leiden.' (…) De bevrijding wordt alleen aan YHVH toegeschreven om het volk Yisrael ervan te doordringen geen afgoden te dienen, en om te vermijden dat Moshe als de Mashiach zou worden vereerd. Toch is de menselijke inbreng een voorwaarde voor de bevrijding. Daarom is Moshe aanwezig.(…)
De bedekte aanwezigheid van Moshe is een van de verborgen betekenissen van de Hagada. Wij kunnen Moshe pas zien als wij ons bevrijden van onze angsten en trauma's, en openstaan voor verandering. Dan staat Moshe symbool voor ons innerlijk leiderschap: de mogelijkheid om de leiding van ons leven in eigen hand te nemen.”

Dit jaar las ik bij My Jewish Learning over parasjat Tetsavé (Shemot 27:20-30:10), dat ook in deze parasja Moshe niet voorkomt. Een verklaring is dat hij afwezig is om het volk zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid bij te brengen. Je hebt ouders en leraren die je naar volwassenheid begeleiden, maar dan moeten ze je loslaten en moet je het zelf doen.

We seideren al eeuwen lang en vertellen zélf het verhaal en geven het door. Het is ons verhaal, wij zijn gevlucht uit de slavernij om met vallen en opstaan een volwassen volk te worden dat verantwoordelijkheid neemt, voor zichzelf en de wereld.

De Hagada is nooit af. Een mooi symbool voor onze levensweg: blijven luisteren en leren is onze opdracht.

Chag Pesach sameach!

Delen |

vrijdag 31 maart 2017

Vlak voordat de Obama's het Witte Huis verlieten, mocht je een kijkje nemen in hun appartement. Klassiek en smaakvol ingericht, een beetje onpersoonlijk. Maar wat mij trof waren de Morandi's die in de slaapkamer hingen.

Giorgio Morandi is een Italiaanse schilder die voornamelijk flesjes, potjes en kannetjes in zijn atelier schilderde. In lichte grijzen, met nauwelijks kleur. Toen er een tentoonstelling van hem was in Teylers Museum, zag je een paar van die potjes in het echt. Hij had ze grijs geschilderd, zodat het glas het licht niet kon weerkaatsen. Ze raakten mij, die schilderijtjes, maar waarom? De eenvoud, de essentie van licht en vorm, was dat het? Wat een subtiele manier om de wereld weer te geven, een paar potjes, meer is er niet nodig. Als iemand die aan de muur heeft, is het geen poseur, geen opschepper, geen bluffer. Morandi is de bescheidenheid zelf en je kunt alleen van hem houden als je genoegen neemt met simpele dingen.

Wie dat niet kan, wordt waarschijnlijk onrustig van Morandi, zelfs boos. Wat nou, een paar grijze potjes schilderen, daar kun je niet mee pronken, daarvan zullen ‘ze’ zeggen dat je zeker geen geld had voor grote, dure schilderijen. Dat de prijs van een Morandi ook hoog is, meer dan een miljoen dollar, doet er niet toe.

De nieuwe bewoner van het Witte Huis heeft de Morandi's waarschijnlijk al laten weghalen.

Delen |

vrijdag 24 maart 2017

Ik las de biografie van Henriette Boas, De waarheidszoekster, geschreven door Pauline Micheels. Ik kende haar als mijn niet al te succesvolle lerares Grieks in de jaren '60; ik kwam haar later tegen bij allerlei Joodse activiteiten, en er waren natuurlijk haar ingezonden brieven. Toen ik regelmatig brieven geplaatst kreeg in NRC voelde ik mij haar opvolgster. Je bemoeien met van alles, zeker op Joods gebied, je zorgen uitspreken over de wereld van vandaag, het antisemitisme aankaarten, ik schrijf het van me af en stuur het op. Lang niet alles wordt geplaatst, maar dat was bij juffrouw Boas (zoals ik haar vroeger noemde) ook niet het geval. Haar productie lag wel veel hoger. Vele brieven per week, naar allerlei kranten en tijdschriften – zónder computer – en dat naast haar leraarsbaan, dat haal ik echt niet. Maar uit het boek blijkt dat zij ook niet veel anders in haar leven had. Geen relatie, nauwelijks vrienden, geen aandacht voor huishouden en koken, dan blijft er veel tijd over.

Ze was een vrouw die een moeilijk leven had, wat voornamelijk aan haarzelf lag. Ze maakte met iedereen ruzie en misdroeg zich als iets haar niet beviel. Een ingeslagen ruit, de toegang tot de Universiteitsbibliotheek geweigerd en dan nog een aantal rechtszaken, het getuigt van bijzonder weinig zelfinzicht. Alle goedbedoelde adviezen van haar familie en de weinige vrienden die ze had, om hulp te zoeken en wat aan haar uiterlijk te doen, legde ze naast zich neer. Ze ontkende dat zij een slachtoffer was, stel je voor, maar ze voelde zich wel altijd miskend en afgewezen. Dat ze niets moest weten van therapie en dat ze naoorlogse generatietrauma's gewoon ontkende, is daarom logisch. Op de Woudschoten-conferenties van JMW in de jaren '90 voor de naoorlogse generatie zeiden we over mensen die ontkenden dat ze slachtoffer waren: “Dat zijn de ergsten.”

De biografe beschrijft het allemaal, maar al lezend bekroop me het gevoel dat er iets niet helemaal klopte. Ja, Jetty Boas was hoogst intelligent en kreeg desondanks geen baan op haar niveau, ze had geen relatie omdat ze te kritisch was, en ze was onhandig in het huishouden. Maar dat wordt niet in het perspectief geplaatst van haar tijd en omgeving.

Ze promoveerde in een tijd dat vrouwen nauwelijks universitair onderwijs genoten. Dat er daarna geen baan was aan de klassieke faculteit, kan naast de weinige arbeidsplaatsen en de vriendjespolitiek, ook gelegen hebben aan het feit dat ze vrouw én Joods was. Een lastige vrouw weliswaar, maar op de universiteit liepen wel meer vreemde vogels rond.
En een relatie was na de oorlog voor een Joodse vrouw van die generatie heel moeilijk. Er waren gewoon te weinig Joodse mannen over. We moeten ook niet vergeten hoe er werd neergekeken op een ongetrouwde vrouw. Dat was een oude vrijster, niet de zelfbewuste single van nu.
Dat ze niet kon koken, valt haar ook niet helemaal kwalijk te nemen. Ze woonde bij haar moeder, die haar tot op hoge leeftijd verzorgde en voor haar kookte. En toen moeder was overleden, ging ze bij haar broer en schoonzus eten. Ze was behoorlijk verwend. Zozeer dat toen ze op zichzelf moest staan ze geregeld ondervoed raakte. Een meisje dat nooit geleerd had voor zichzelf te zorgen in een masculiene en vaak antisemitische wereld, waar Joodse partners zeldzaam waren, ik geef het je te doen.

Desondanks hadden haar slechte eigenschappen een positieve kant: ze duldde geen onrechtvaardigheid en bleef koppig strijden voor wat zij als waarheid zag. In de zaak Weinreb tegen de stroom in en in de zaak Menten als aanjager van zijn vervolging.
De tijden zijn veranderd, je wordt niet meer bespot als oude vrijster. En op YouTube kun je alles opzoeken wat je niet weet op het gebied van koken en huishouden. Misschien was Jetty Boas, als ze later was geboren, nu wel een bekende blogger of zelfs een vlogger geworden, maar zeker columniste bij Crescas. Dan had ze alles wat ze kwijt wilde ongestoord kunnen delen met de wereld.

Ik zie haar als een mengsel van koppigheid – vaak ten koste van haarzelf, allergisch voor onrechtvaardigheid – en van een wanhopig zoeken naar erkenning. Een extreem, maar typisch voorbeeld van wat wij als Joden allemaal min of meer in ons hebben. Ik herken me er wel een beetje in.

Delen |