Joods-Christelijk

Naud van der Ven

vrijdag 20 januari 2012

Is het ongepast om te spreken van ‘de Joods-Christelijke traditie’? Je hoort die woordcombinatie steeds vaker, zeker uit de hoek van PVV-politici, en tegelijkertijd hoor je mensen daartegen protesteren: zo vanzelfsprekend is het helemaal niet om die verbinding te maken.

Dat protest is goed te begrijpen voor wie de geschiedenis van Christelijke kruistochten, pogroms en discriminatie van Joden kent. Maar ik vond die woordcombinatie ook wel iets aardigs hebben: als na zoveel eeuwen twee tradities hun gemeenschappelijkheden ontdekken dan is dat toch ook mooi?

Maar sinds vorige week vind ik het ongepaster dan daarvoor om de combinatie Joods-Christelijk als een vanzelfsprekendheid te gebruiken. Dat komt omdat iemand die er werkelijk niet van te verdenken is dat hij kloven wil uitvergroten, tijdens een lezing zijn gehoor duidelijk maakte hoezeer de wens de vader van de woordcombinatie kan zijn terwijl de steun daarvoor in de feiten geheel ontbreekt.

De spreker was de bekende kunsthistoricus Gary Schwartz en hij maakte zijn punt door nader in te gaan op het romantische beeld van “Rembrandt de Jodenvriend”. Hij beschreef het ontstaan van dat beeld – een mythe eigenlijk – in de negentiende eeuw.

In Frankrijk gebeurde dat door, in lijn met de Franse republikeinse traditie, aan Rembrandt een zeker sociaal progressief karakter toe te kennen. Dat zou af te leiden zijn uit de vrijgevochten artisticiteit en menslievendheid waarmee hij zijn vele portretten afbeeldde. In Duitsland zette aan het einde van de negentiende eeuw Julius Langbehn de schilder neer als geestverwant van de Joden. Rembrandts affiniteit met de Joden zou vooral gelegen zijn in diens voorliefde voor het aardse en het volkse van de Joodse traditie, niet voor de intellectuele aspecten ervan, want daar moest Langbehn niets van hebben.

Het lijkt erop dat de kern van de affiniteit tussen Rembrandt en de Joden in de twintigste eeuw gezocht wordt in de combinatie van aardse eenvoud, ernst en lotsberusting die aan beide partijen wordt toegedicht. Zo schrijft H.W. Janson in zijn standaardwerk History of Art uit 1962 dat Rembrandt een speciale sympathie had voor “de joden als bijbelse erfgenamen en de geduldige slachtoffers van vervolging”.

Schwartz vertelde dat, toen hij ging studeren, het beeld van Rembrandt als mensen- en Jodenvriend bijna onomstreden was. En dat dat misschien wel een rol gespeeld heeft bij zijn keuze voor die studie. Maar paradoxaal genoeg werd juist Schwartz een van de eersten die aanleiding zagen om de mythe te ontrafelen.

De ommekeer kwam voor Schwartz bij nadere bestudering van Rembrandts schilderijen, zoals Christusportretten en de Honderd Gulden prent. Op die laatste valt bijvoorbeeld op dat de directe entourage van Jezus steeds wat Nederlandser wordt afgebeeld dan de smoezende omstanders in de periferie. Bovendien wijst hij op een exemplaar van die prent met een anti-Joods gedicht van de hand van Rembrandts vriend Hendrik Waterloos. Schwartz dacht: ja zo kijken Christenen tegen Joden aan, in de 17e eeuw was dat waarschijnlijk net zo dubbelzinnig als in de 20e eeuw. En er is weinig reden om aan te nemen dat Rembrandt wezenlijk anders over Joden dacht dan zijn vriendenkring.

Het blijft een mooi idee, de gedachte dat Rembrandt veel belangstelling en genegenheid had voor de Amsterdamse Joden. En meer algemeen: dat Joods-Christelijk een geïntegreerde combinatie vormt. Maar het blijft oppassen.

Reageren op dit item is niet meer mogelijk.
Altijd blijven oppassen! De kerkgeschiedenis is ook een geschiedenis van inpakken en inpikken geweest. En bovendien; de geschiedenis is onveranderbaar, alleen je eigen kijk op de geschiedenis kan veranderen. Ik zie een van de kerkgeschiedenis gescheiden joodse geschiedenis voor mij, ouder en wijzer, voor een groot deel in hetzelfde Europa met een stevig hek er om heen. Wijzer geworden, ook door verguizing en vervolging. En tegelijk; gelukkig ook met onnoemelijk veel dwarsverbindingen op cultureel-wetenschappelijk niveau maar ook op religieus-filosofisch niveau. Gelukkig wel. Voor mij is echter het meest wezenlijke van een trait-d\'union dat hek zelf; de omheining van de Thora. Hoezeer er ook anders mee om gegaan werd en wordt; die blijft de belangrijkste verbindende schakel. Het tweede verbindingsstreepje is het inzicht in de kerkgeschiedenis als een aberratie van de oorspronkelijke joodse origine. Wie dat in de kerk inziet is al een stap verder. Het derde verbindende element is wellicht het inzicht dat de kerk en de westerse cultuur überhaupt schuldig zijn aan de gevolgen van die ontaarding; het antisemitisme. Ik zie daarom als enige legitimatie van de term joods-christelijk de insteek van kerk en cultuur het besef dat de Thora als herijkingsbron benut moet worden dat het jodendom een daarbij onmisbaar nodige gesprekspartner is. Iedereen die deze term bezigt zou op dát besef bevraagd moeten worden!
Ja, dat denk ik ook. En als je het zo ziet kunnen Roemer en Cohen misschien meer aanspraak maken op het etiket joods-christelijk dan Wilders en Verhagen

Columns 2024

Columns 2023

Columns 2022

Columns 2021

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Columns 2012

Columns 2011

Columns 2010