sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Naud van der Ven

Naud van der Ven (1955) is adviseur bedrijfsprocessen bij de gemeente Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis in Utrecht en behaalde een kandidaats Semitische talen in Leiden. Na zijn geschiedenisstudie was hij actief in het onderwijs. Vervolgens kreeg hij werk in de financieel-administratieve dienstverlening, eerst bij een accountantskantoor en daarna in dienst van de gemeente Amsterdam. Tegelijkertijd volgde hij studies en cursussen op het vlak van accountancy, management en informatica. In 2006 promoveerde hij op een studie naar verbindingen tussen het gedachtegoed van de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas en trends in de organisatiekunde. Op zijn website www.naudvanderven.nl publiceert Naud columns en artikelen over onderwerpen op het snijvlak van management en filosofie.

vrijdag 16 februari 2018

Wat mij betreft liever geen al te strikte zwart-wit schema’s bij de beoordeling van de nu aan het licht gekomen nazistische sympathieën en het antisemitisme van Lucebert.

Dat antisemitisme was, hoe erg ook om ons dat te realiseren, waarschijnlijk gemeengoed in veel kringen en in de omgeving waar Lucebert opgroeide.

En verder, dat een gevoelige en zoekende jongeman zonder veel bagage van 18, 19 jaar onder de indruk raakt van een ideologie die hoe dan ook daadkracht en vitaliteit vertoont, dat vind ik niet vreemd of ontstellend. Ik heb ooit Otto Treumann – de latere ontwerper van het El Al logo – weleens horen vertellen over zijn fascinatie voor de kracht en schoonheid van nazi-manifestaties die hij als jongen zag in Berlijn. Als hij niet Joods was geweest en niet had moeten vluchten, was hij voor die aantrekkingskracht mogelijk ook (tijdelijk) gezwicht.

Wat mij stoort, is hoe zeer de stijl en trant van Luceberts eigen denken wél worden gekenmerkt door een voorkeur voor zwart-wit schema’s. Dat blijkt in de oorlog al door de manier waarop hij zijn antisemitisme verwoordt: het gaat daar niet om zomaar een hekel aan Joden, of aan hun handel of hun luidruchtigheid – waar anderen het over hadden. Nee, Joden vormen voor hem een bijna metafysisch bepaalde, in feite minderwaardige categorie van mensen. (Merk op, als ironisch terzijde, dat onderdeel van die karikatuur bij Lucebert een “gebrek aan vechtlust” is, terwijl huidige karikaturen dat precies omdraaien.)

En als na de oorlog voor iedereen, ook voor Lucebert, duidelijk wordt hoezeer nazi-Duitsland synoniem is met misdadigheid en perversiteit, kiest hij voor het anti-fascistische kamp. Maar ook dat gebeurt op een zwart-wit manier, in die zin dat hij zich volledig concentreert op de nieuwe strijd en (in ieder geval voor de buitenwereld) zijn eigen verleden uitwist. Het was kennelijk erg moeilijk voor hem om mengvormen van zwart en wit, gebrokenheid, een niet-brandschoon verleden, tot zijn bewustzijn toe te laten.

Als één van Luceberts motto’s was om “de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen”, heeft hij op dit punt dan niet ernstig gefaald? Als kunstenaar en als mens?

Delen |

vrijdag 2 februari 2018

“Wat ik van mezelf vanaf nu ga eisen is dat ik schrijf zoals Damien Hirst: groots moet het zijn en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie met de technische perfectie van de meest commerciële kitsch. Avontuurlijk zal het zijn en het zal de wereld veranderen.”

Dit schrijft Ilja Leonard Pfeijffer naar aanleiding van zijn bezoek aan de tentoonstelling van Damien Hirst op de Biënnale van Venetië. Hij werd er overdonderd door Hirsts ‘Treasures from the Wreck of the Unbelievable’, een “totaalkunstwerk over waarheid en leugen, mythe en mysterie, kunst ambachtelijkheid, commercie en kitsch.” En door het contrast daarvan met de rest van de ‘zogenaamde’ kunst op de Biënnale: zondagsdichteressen, bloemetjesjurken met macramé en rozenbottelthee.

Ongeveer tegelijkertijd met de bovenstaande tekst van Pfeijffer las ik wat hij en regisseur Johan Doesburg hadden gedaan met het dagboek van Anne Frank, in hun voorstelling Achter het huis. En toen dacht ik: aha, dat is dus wat hij bedoelt met groots.

In dat toneelstuk laat tekstschrijver Pfeijffer Margot Frank verkracht worden door een mede-onderduiker, de onderduikers elkaar bedreigen met de gaskamer en elkaar uitschelden voor “kutwijf” en “bitch”. Johan Doesburg vertelde, aldus Anne-Rose Bantzinger, dat hij zich “verkneukelt” om wat ze hebben verzonnen. Pfeijffer en Doesburg hebben zelfs een antwoord op de vraag hoe de Franks uiteindelijk werden verraden. Namelijk doordat, wanneer de fictieve Edith Frank wanhopig het Achterhuis verlaat, het kort daarna is afgelopen. “Heeft zij de schuilplaats verraden? Echt iets om je over te verkneukelen”, aldus Bantzinger.

Smakeloos. En plat, zou ik zeggen. Pfeijffer en Doesburg zeggen dat het hen te doen is om “de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhoudingen tot elkaar in een extreme situatie op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Dat willen zij laten zien.

Maar dat is helemaal niets nieuws. Pfeijffer en Doesburg doen alsof de meeste mensen die het dagboek in zijn oorspronkelijke vorm hebben gelezen, zelf niet al lang, bij het horen van de verhalen, stil hebben gestaan bij de implicaties van die pariasituatie. Dat je, terwijl je wordt opgejaagd en vermorzeld, ook nog eens te maken hebt met je directe omgeving, de mede-gegijzelden, tegenover wie je moet beslissen of je dat laatste stukje brood of de laatste hoop op ontsnapping gaat delen of niet. Dat dat onderdeel is van de ultieme tragedie was al heel lang een thema. Met de discussies rond de Joodse Raad als een van de manifestaties ervan.

Maar er zit, in lijn met de kunstopvatting waar dit stukje mee opende, achter de bewerking van Pfeijffer en Doesburg nog een andere gedachte, die moet rechtvaardigen wat zij met het dagboek doen. Namelijk: “Anne Frank schrijft over zaken die veel universeler zijn dan het particuliere belang van de historische context die haar werk volledig heeft overschaduwd.”

Voor het grootse en universele waar Pfeijffer blijkens zijn uitroep op uit is, moet kennelijk het particuliere gezichtspunt worden overstegen. De bewoordingen van de oorspronkelijke schrijfster van het dagboek moeten wijken voor de ‘orgie van fantasie’, want pas dan wordt het universeel, en dus groots. Particuliere inzichten zijn niet relevant.

Een dergelijke gedachtegang stoort me op twee niveaus. Ten eerste leidt het, zoals boven aangegeven, tot onrecht aan het werk van Anne Frank. Het eigen, particuliere gezichtspunt van waaruit zij schreef, is in staat geweest meerdere generaties lezers aan te spreken. De bewerking van Pfeijffer en Doesburg lijkt eerder afbreuk te doen aan die zeggingskracht.

Ten tweede, wanneer de uitroep bedoeld is als artistiek statement, vind ik hem achterhaald. Hij klinkt als een negentiende-eeuwse opvatting over het kunstenaarsgenie als gezegend met universele reikwijdte en goddelijke status. Geheel in lijn met de negentiende-eeuwse imperialistische opvatting van de eigen beschaving als universeel en bestemd voor de hele wereld. Dat hebben we gehad.

Dat Pfeijffer bezwaar maakt tegen zelfingenomen kunstenaartjes kan ik me wel voorstellen. Maar dan heb je het gewoon over slechte kunst. Dat bezwaar hoeft ons niet terug te voeren naar de megalomane Westerse opvattingen van de negentiende eeuw en daarvóór, met zijn beruchte minachting voor het particuliere. Eigentijdse goede kunst weet juist heel goed de aansluiting bij het particuliere te behouden zonder kneuterig te worden. Net als Anne Frank.

Het advies “Houd het bij jezelf” van de redacteur van de uitgeverij, waar Pfeijffer graag smalend over doet, is zo gek nog niet.

Delen |

vrijdag 19 januari 2018

Revolutie is niet het eerste dat je associeert met de Frans-Joodse filosoof Levinas. Er is één eigentijdse beweging die als revolutie te boek staat, de studenten-arbeiders opstand van 1968, waar hij als universiteitshoogleraar middenin zat. Maar daar moest hij niets van hebben. Als persoon had hij ook wel iets schuws, en was hij beslist gehecht aan goede manieren en degelijke instituties.

Als ik in dit stukje Levinas toch presenteer als revolutionair kan dat dan ook alleen maar te maken hebben met een inhoudelijke positiekeuze die hij maakt. Hij neemt het in zijn eentje op tegen een meer dan tweeduizend jaar oude filosofische traditie: die van de Westerse filosofie. En het thema op grond waarvan hij dat doet, is de opvatting van de relatie ‘ik en de ander’.

Mijn stelling is dat Levinas, als het gaat om dat thema, beslist revolutionair kan worden genoemd. Om dat goed uit te laten komen, zal ik eerst iets vertellen over een aantal gebruikelijke opvattingen over ‘ik en de ander’ in de geschiedenis van de filosofie. Wat ik te berde breng is een behoorlijk willekeurige greep aan de hand van standpunten van Plato, Hobbes en Locke, Husserl, Buber en Rosenzweig, Sartre. Niettemin maken die standpunten met elkaar een rode draad zichtbaar die Levinas, naar mijn idee terecht, in de Westerse filosofie ontwaart als het gaat om het thema ‘ik en de ander’. Vervolgens zal ik ingaan op wat Levinas daar tegenover zet.

Al aan het begin van de geschiedenis van de filosofie getuigt Plato van een visie op de interactie met anderen, en wel door zijn filosofie te gieten in de vorm van dialogen. Modern geformuleerd zou je kunnen zeggen dat Plato daarmee de overtuiging uitdraagt dat wij pas onze gedachten kunnen ontwikkelen in en door het contact met anderen. Onze ideeën krijgen vorm via de uitwisseling met anderen, door vragen te stellen en antwoorden te geven.

Maar let wel: de verheldering die plaatsvindt verloopt over het algemeen volgens een strenge regie van Socrates: hij stelt de vragen en stuurt de gesprekken naar de punten waar hij naar toe wil. Voor wat betreft het thema ‘ik en de ander’ is het belang van die vaststelling dat het initiatief voor de beschreven interactie uitgaat van een ik-figuur, namelijk Socrates.

Ik maak nu een grote sprong naar het begin van de moderne tijd. In de zeventiende eeuw formuleerden de filosofen Hobbes en Locke de theorie van het maatschappelijke contract. Zoals het woord zegt gaat dat om maatschappelijke verbanden, maar opmerkelijk is dat zij voor de opbouw daarvan starten bij individuen. Er komen namelijk, volgens Hobbes en Locke, pas maatschappelijke arrangementen zoals goed bestuur, rechtvaardige belastingen en veiligheid wanneer vrije mensen, op grond van welberekend eigenbelang, besluiten een deel van hun vrijheid op te offeren en een regulatie door de ‘algemene wil’ te aanvaarden.

Voor de grote lijn van mijn verhaal is het belangrijk vast te stellen dat het initiatief ook hier uitgaat van het individu, of liever gezegd: meerdere individuen, die de interactie met de ander, of liever: de anderen, opzoeken.

Twee eeuwen later vertrekt de filosoof Edmund Husserl, ook wel de vader van de fenomenologie genoemd, in zijn denken vanuit het ego dat in zijn bewustzijn zijn eigen wereld schept. Dat doet het ego door betekenis toe te kennen aan zelf geconstitueerde kenobjecten. ‘Zelf geconstitueerd’, dat wil zeggen dat Husserl niet of nauwelijks uitgaat van buiten ons bestaande dingen, wij creëren onze wereld zelf door onze zingevende activiteit.

Maar, als ik zelf mijn wereld schep, hoe weet ik dan dat de ander echt bestaat? Is hij dan niet alleen maar een verzinsel van mijn bewustzijn? Dat was een vraag die tijdgenoten van Husserl hem uiteraard ook al voorlegden. Welnu, is het antwoord daarop van Husserl, omdat je jezelf kent als bezield, zingevend wezen, herken je diezelfde kwaliteit onmiddellijk als je nóg zo’n bezield, zingevend wezen tegenkomt: bij een andere mens dus. Díe verzin je niet zomaar. Een mens herkent de ander dus als een andere mens, aldus Husserl, omdat die zo is als jij, een alter ego. De bewoner van het andere lichaam is ook een ik, een heruitgave van mijzelf. Belangrijk voor mijn rode draad is vast te stellen dat de weg naar de ander ook hier weer blijkt te vertrekken vanuit het eigen zelf.

Die lijn zet zich door waar je het niet zou verwachten, namelijk bij de dialogische filosofie, met bijvoorbeeld Martin Buber en Franz Rosenzweig als representanten. De dialogische denkers noemden de ander niet een alter ego maar een ‘gij’. De ander is niet een object van mijn waarnemen en denken, maar een bondgenoot die ik aanroep. “Ich werde am Du”, is het motto van Buber. De relatie tot de ander is bij de ik-gij-verhouding zodanig direct en ingrijpend dat de ander mede bepalend is voor de zijnswijze van het ik.

Dat klinkt als een relativering van de positie van het ik, en dat is het aan de ene kant ook wel. Aan de andere kant: het gaat tussen ik en gij om wederzijdse zelfbevestiging, waarbij het ik vóóraf, in alle vrijheid, kiest door welke ander het zich laat bijschaven en bevestigen. Dit betekent dat de ene vrijheid die van de ander bevestigt, het is een onderstreping van elkaars poging tot zelfverwerkelijking, wat ook wel ‘liefde’ wordt genoemd. Het eigenlijke initiatief blijft berusten bij het ik, dat zijn vriendenkring samenstelt en de anderen uitkiest naar wie het gaat luisteren. Ook hier blijft het ik dus leidend.

Ten slotte wil ik nog Sartre noemen, mede omdat hij een tijdgenoot was van Levinas, en omdat hij decennia lang een filosofische trendsetter is geweest. Het is geheel aan het subject zelf, zegt Sartre, om zich in de wereld te realiseren. Het subject is tot vrijheid veroordeeld. Er zijn geen waarden die ik in gemoede kan accepteren, behalve de waarden die ik zelf creëer, en ik ben de enige die daar wat aan kan veranderen. “Ik ben mijn eigen fundament”, zo kun je Sartre parafraseren.

Dat dit een zeer eenzame exercitie is, is duidelijk. Het ik staat er alleen voor. Maar de angst die dit kan veroorzaken bevat, aldus Sartre, zelf de uitweg uit deze troosteloze kijk op het bestaan: angst is namelijk de motor voor authentieke zelf-bevrijding.

Alle tot nu toe genoemde filosofische stromingen, en daarnaast nog vele andere, starten in hun benadering van de ander bij het ik. Als je in een paar trefwoorden wilt benoemen wat de uitgangspunten zijn die hierachter schuilgaan kom ik op het volgende rijtje. De start ligt steeds bij het ik; daar is sprake van autonomie, vrijheidsdrang en initiatief. Vervolgens komt de ander erbij, maar steeds als gevolg van een initiatief van het ik.

De drijfveren die het ik heeft voor zijn initiatief kunnen uiteenlopen: welbegrepen eigenbelang, of altruïsme, of intieme uitwisseling. Maar wat ook de drijfveer is van het ik, al deze benaderingen hebben met elkaar de ikkige oorsprong gemeen.

Het ik probeert dus voortdurend de brug naar de ander te slaan. Maar, en nu komt Levinas in het spel, doordat het vertrekpunt de vrijheid van het individu is, blijft dat gedurende de hele Westers-filosofische traditie problematisch. In feite, zegt Levinas, gaat de bevrijding van het individu in het Westen gepaard met een almaar abstractere opvatting van mens-zijn, en met een toenemende onbereikbaarheid van de ander voor het ik. En daardoor met toenemende eenzaamheid en vervreemding van de omringende cultuur en eigen geschiedenis.

Op dat punt situeer ik het revolutionaire aspect van de benadering van Levinas. Want hij komt uiteindelijk bij andere waarden uit: heteronomie zet hij tegenover, of op z’n minst naast autonomie, passiviteit zet hij tegenover initiatief, de ander komt soms vóór het ik.

Levinas benadrukt: soms ben je helemáál niet het startpunt. Er zijn momenten dat er niets overblijft van dat autonome, initiatiefrijke ik – alsof het er nooit is geweest – omdat je wordt geraakt door een ander, door zijn kwetsbaarheid, of door haar gepijnigde blik of zichtbare pijn. Dan neemt zo’n ander het over en jij laat je daardoor bepalen. Dat zijn misschien korte momenten, maar de hele waardenset waarover we het net hadden staat dan op zijn kop. Weg autonomie, weg initiatief van het ik. Op die momenten is er sprake van heteronomie: de ander bepaalt, niet het ik. Er is eerder een soort passiviteit aan de kant van het ik.

Zoiets heeft geen legitieme plaats in de Westerse filosofie. De waardenset die op zijn kop wordt gezet, en dat is waar het me hier om gaat, is dus de waardenset van een hele filosofische traditie. Dat is het revolutionaire van de filosofie van Levinas.

Hoe ongerijmd dit verschijnsel kan zijn – en daarmee bedoel ik ook: hoe contra-intuïtief en weerbarstig voor een denken dat gevormd is door de Westerse traditie van ego-rationaliteit – wil ik illustreren aan de hand van een verschijnsel dat ik ‘denkschaamte’ noem.

Het verschijnsel is als volgt te omschrijven: denkschaamte treedt op waar de ene mens voor de andere denkt en zich daar verlegen onder voelt. Nu is denken voor een ander iets heel normaals. Dat doen we allemaal: een manager wordt ervoor betaald, een ouder doet het voor zijn kind, een verzorger voor zijn patiënt. En ik ga ervan uit: dat doen we allemaal te goeder trouw, met de beste bedoelingen. Maar er kunnen zich momenten voordoen dat, ondanks onze goede bedoelingen, de ander voor wie we denken, niet gediend is van onze plannen. Hij toont verdriet of een kwetsuur. En dat verrast ons, want we bedoelen het toch goed? Op dat moment kan er sprake zijn van denkschaamte.

Laten we vaststellen: het is een raar verschijnsel. Je bedoelt het goed en toch schaam je je voor wat je doet. Kennelijk veroorzaakt precies dat goedbedoelende denken voor een ander een soort existentiële verlegenheid. Die leidt ertoe dat je je – voor kortere of langere tijd – laat gezeggen door de ander.

Dat nu, is een schandaal in de ogen van de Westerse filosofische traditie. Denkschaamte hangt van ongerijmdheden aan elkaar, is aanstootgevend te noemen voor het vanuit het ik en zijn redelijkheid en goede bedoelingen vertrekkende Westerse denken. Want waarom zou ik me laten storen door humorloze, irrelevante, onbenullige reacties van anderen? Daar passen volgens de Westerse filosofie geen concessies.

Wat Levinas betreft zijn die concessies heel wel mogelijk, sterker nog, waarschijnlijk vinden ze plaats op dagelijkse basis. Dan blijkt dus niet het zelfbewuste ik het laatste woord te hebben, maar laten we ons gezeggen door een ander.

Dat blijft weerbarstig aanvoelen. Zeg maar: revolutionair.

Delen |

vrijdag 5 januari 2018

Qaraqosh is een Iraakse stad, gelegen in de Ninevé-vlakte, iets ten zuidoosten van Mosul. De stad werd in 2014 veroverd door IS. De meeste van de 40.000 inwoners – voornamelijk christenen – die er toen woonden, ontvluchtten de stad. Ongeveer de helft van hen emigreerde de afgelopen drie jaar naar het Westen, van de rest is zo’n negentig procent teruggekeerd sinds de stad een jaar geleden werd bevrijd van IS.

De stad bevindt zich na de bezetting door IS in erbarmelijke omstandigheden. Wijken liggen in puin, geen kerktoren staat nog overeind, kinderen zijn getraumatiseerd en ontheemd en moeten leerachterstanden inhalen.

Nu de wederopbouw van Qaraqosh is gestart, is het beleid van de inwoners om de stad christelijk te houden. Een eerste stap in die richting was het besluit de naam van hun stad te veranderen in Baghdeda, de christelijke naam die ze vóór de Ottomaanse overheersing had. Volgens de leider van de wederopbouw, de priester George Jahola, is het voor de identiteit van de Iraakse christenen belangrijk dat hun stad geen Turkse naam heeft.

Verder worden moslims geweerd. “We hebben al zo’n klein gebied, dat mag niet in gebruik komen van niet-christenen”, zegt vader George. “Dit eigen land geeft onze mensen juist hun identiteit, en hun veiligheid.”

Mag dat zomaar? Die vraag klinkt al gauw op vanuit onze comfortabele West-Europese leunstoel. Dit is toch rücksichtlose identiteitspolitiek?

Dat hangt er maar vanaf aan wie je het vraagt. Als je het vraagt aan een door absolute evangelische normen geïnspireerde christen, zal het antwoord “nee” luiden. Voor zo iemand geldt, met paus Franciscus voorop, dat iedere vluchteling die aan je deur klopt, welkom is en moet worden toegelaten.

Een principiële mensenrechtenactivist kan ook niet uit de voeten met een dergelijk beleid: mensenrechten, waaronder het recht op opvang voor een vluchteling, gelden onverkort altijd en overal, daarop is geen uitzondering denkbaar.

Zelf denk ik daar anders over. Ik denk dat wat de gemeenschap van Baghdeda nu doet zeer gerechtvaardigd kan zijn. Dat komt omdat ik geloof dat er in het menselijk bestaan categorieën zijn met een particulier karakter, en dat die categorieën er gewoon toe doen. Dat kunnen inderdaad zaken zijn zoals een collectieve identiteit of fysieke beschutting van een bepaalde groep, ook al botst behartiging van die belangen met de universele, abstracte categorieën van het christendom en de mensenrechten. Zeker als er op die terreinen van identiteit en veiligheid sprake is van zware trauma’s.

Precies om die reden vind ik het bestaan van de staat Israël als Joodse staat een groot goed, en is een ideologie als het zionisme voor mij een verdedigbaar verschijnsel. Ook al staan die ideeën haaks op de lange tijd zo dominante Verlichtingsideologie van abstract universalisme, en zijn ze onverteerbaar voor het globaliserende (neo)liberale gemoed.
En toch, van Trump, Baudet, Netanjahoe en Wilders moet ik niets hebben. Rara, hoe kan dat? Dat kan zomaar.

Delen |

vrijdag 15 december 2017

Vind ik ook nog wat van de move van Trump?

Door de verplaatsing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem verandert er niet zo veel, denk ik. Het is een bevestiging van het belang van Jeruzalem voor de Joodse staat, maar wie wil er nu door een dergelijk incompetente president bevestigd worden? Bovendien fungeert Jeruzalem al decennia als regeringscentrum en heeft Israël al decennia de feitelijke zeggenschap over de hele stad.

Eerlijk gezegd ben ik iedere keer meer aangeslagen door die kleine, verstopte berichtjes in de krant: “Israël geeft toestemming voor uitbreiding nederzetting met 500 woningen”, of “Een strook van enkele vierkante kilometers van de Westbank door Israël geconfisqueerd als militair gebied”. Daar kruipt de zaak sluipenderwijs steeds verder, worden op dagelijkse basis grenzen – illegaal – daadwerkelijk overschreden en nieuwe feiten gecreëerd. Daar ligt de feitelijke frontlinie.

Het zijn de arrogantie van dit landjepik en de recht-van-de-sterkste politiek die me het meest tegen de borst stuiten. En ach, de twee-statenoplossing was daardoor, nog vóór het besluit van Trump, al kansloos geworden.

Delen |
feb 2018Lucebert
feb 2018Groots, want universeel
jan 2018Levinas als revolutionair
jan 2018Mag dat zomaar?
dec 2017Er verandert niet veel
dec 2017Rembrandt en de Joden
nov 2017Hannah Arendt en de gewone man
nov 2017Levinas en Bruno Latour
okt 2017Oorsprongsmythen
okt 2017Joodse jeugd in het postideologische tijdvak
sep 2017Eigenheid is niet verkeerd
sep 2017Rolomkering
aug 2017Monisme
aug 2017Bach vanuit Joods perspectief
jul 2017Sacks en Netanjahoe
jun 2017Ongemakkelijke vragen
jun 2017Identiteitspolitiek
mei 2017Erfpacht en jubeljaar
mei 2017Jonathan Sacks
apr 2017Levinas en Taleb
mrt 2017Harari
mrt 2017Joods-christelijk
mrt 2017Mosjé en het primaire proces
feb 2017Het model Israël
feb 2017Levinas en Charles Taylor
jan 2017Bij de dood van een buitenstaander
jan 2017Duiding
dec 2016Rechtsstaat
dec 2016De boekhouder van Auschwitz
nov 2016Als Heidegger filosofisch deugt
nov 2016Achterlopen
okt 2016Geschiedschrijving die zich laat kennen
okt 2016Vergangenheitsbewältigung
sep 2016Incarnatie als Joods begrip
sep 2016De Bijbel als overlevingsstrategie
sep 2016Contact!
aug 2016Levinas en Richard Sennett
aug 2016Soms is het even niet zo moeilijk
jul 2016Armoedig
jun 2016Wegwerpproduct
jun 2016Frisse blik
mei 2016Toon
mei 2016Gelijk heeft-ie
apr 2016Humane slavenhouders
apr 2016Menselijk gesproken
mrt 2016Hoe Joods is Maimonides?
mrt 2016De ganse aarde – of een stukje?
feb 2016Failed states
feb 2016Landen zonder grenzen
jan 2016Hebben Joden meer te vrezen?
jan 2016Wittgenstein en deugdzaamheid
dec 2015Wordt iedereen Joods?
dec 2015De ellips revisited
nov 2015Levinas en Wittgenstein
nov 2015Informatie is altijd goed
okt 2015Wittgenstein als Talmoedist
okt 2015Levinas en calculatie
okt 2015Gevoel voor verhoudingen
sep 2015Levinas zoals ik hem begrijp
aug 2015Zo gek nog niet
aug 2015Ontspoorde ideologie
jul 2015Levinas en Camus
jul 2015Klopt de wereld?
jun 2015Bij het vertrek van een hoofdredacteur
jun 2015Plato ontzenuwd?
mei 2015Het draagbare vaderland
mei 2015Vermenging van sferen
mei 2015Wat staat er nog meer op het spel?
apr 2015Levinas en Bergson
mrt 2015Geen garantie
mrt 2015Rare dingen
feb 2015Wissen
feb 2015Levinas en Nussbaum
jan 2015Aantallen
jan 2015Je suis (pas) Charlie
jan 2015Wat is er toch gebeurd in het Westen?
dec 2014Een ander Joods geloof?
nov 2014David Pinto
nov 2014Prikkelen
okt 2014Levinas en Kahneman
okt 2014IS geeft betekenis aan 4 en 5 mei
okt 2014Zitten slapen
sep 2014Israël en het ABP
sep 2014Antisemitisme
aug 2014Meemaken
aug 2014Wereldorde?
jul 2014Snap ik niet
jul 2014Precies genoeg
jun 2014De gelaagdheid van Ari Shavit
jun 2014Leren en tikoen olam
mei 2014Right and wrong
mei 2014Die moeilijke Levinas
apr 2014Israël als ‘Joodse’ staat
apr 2014Wat doet Hegel in de Manisjtana?
mrt 2014Heidegger en de Joden
mrt 2014Zijn wij allen fundamentalist?
feb 2014Een treurige kans
feb 2014Proportioneel
jan 2014Ontmenselijking
jan 2014Ellips in Israël
jan 2014Voorraadje
dec 2013Tikoen Olam
dec 2013Ellips
nov 2013Heilig
nov 2013Het nieuwe Midden-Oosten
okt 2013Ontevreden
okt 2013Hoe sociaal is sociaal?
sep 2013Markering
sep 2013The Story of the Jews
aug 2013Levinas en Habermas
aug 2013Voor en tegen Bennett
aug 2013Boycot
jul 2013Wereldvreemd
jun 2013Trend
jun 2013Verbazing
mei 2013Levinas en Arendt
mei 2013Het heroïsche kosmopolitische individu
apr 2013Dikke en dunne moraal
apr 2013Antisemitisme en antizionisme
mrt 2013De Joodse messias
mrt 2013Beetje dom
mrt 2013Zwerven en thuiskomen
feb 2013Google
feb 2013Geëngageerd roddelen
jan 2013Collectief en individu
jan 2013Woestijn
dec 2012Kerk en staat
dec 2012Straf
nov 2012Slachtoffers
nov 2012Seculiere varianten
nov 2012Wilde dieren
okt 2012Levinas en Rousseau
okt 2012Hutten
sep 2012Sjabbat en crisis
aug 2012Empathie
aug 2012Fair play
jul 2012De Levinas van de verplichtingen
jul 2012Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht
jun 2012Monotheïsme en concentratie
jun 2012De Groene en de Rode Lijn
jun 2012Parrèsia
mei 2012Eigenzinnig
mei 20124 Mei
apr 2012Schuiven
apr 2012Stereotypen
mrt 2012Geschiedenis die zich laat kennen
mrt 2012Een kwestie van PR?
feb 2012Assimilatie
feb 2012Levinas en Spinoza
jan 2012Joods-Christelijk
jan 2012Lui
dec 2011Levinas en egoïsme
dec 2011Griek en Jood
nov 2011Godsdienst en geschiedenis
nov 2011Zijn Joden slimmer?
okt 2011Lekker irrationeel
okt 2011Levinas en Machiavelli
sep 2011Palestijnse staat
sep 2011Levinas en Israël
aug 2011Joodse mensen
aug 2011Het dorp Noorwegen
jul 2011Denkpolitie
jul 2011Net op tijd
jun 2011Geschiedenis in het kwadraat
jun 2011Meerstemmigheid
mei 2011Geloof en religie
mei 2011Ongerijmd
apr 2011De Dam 2011
apr 2011Dik en dun herinneren
apr 2011Farao en scientific management
mrt 2011Het kan wèl
mrt 2011Geen garantie
feb 2011Doodgewoon
jan 2011Willekeur
jan 2011Lenzen
dec 2010Verdwijntruc
dec 2010Dezelfde mensen
dec 2010Lekker werken
nov 2010Omdraaiing
nov 2010Zeker weten