Het kwaad van de banaliteit: Margarethe von Trotta's film Hannah Arendt

Gastcolumnist

vrijdag 26 april 2013

“Hitler? Ik vind Hitler een lul,” antwoordde Daniëlla Vera zonder aarzelen toen de vraag wat men eigenlijk van de schurk der schurken vond, vorig jaar bij haar op school werd gesteld.

Daniëlla – toen elf, inmiddels met verve bat mitswa – gaf haar verfrissende antwoord in de aanloop naar de meidagen en pal voor de camera's van het NOS Journaal. Soms heb je er de onbevangen mond van een elfjarige voor nodig om de zaken weer helder te krijgen.

Voor Adolf Eichmann, de zetbaas van Hitler, die in 1961 in Jeruzalem terechtstond voor oorlogsmisdaden, misdrijven (genocide) tegen de Joodse bevolking en misdrijven tegen de menselijkheid, is een dergelijke benaming even toepasselijk. En het briljante, het wonderschone van Daniëlla's uitspraak is dat het predicaat dat zij even onbeschroomd als kernachtig uitdeelt aan het monster van Linz door de verrassende toepassing volledig van karakter verandert: van een plat drieletterwoord krijgt het woord een onverwachte upgrade, krijgt het nieuwe – ik kan er geen beter woord voor verzinnen – glans.

De banaliteit wordt hier in de kiem gesmoord – en eens te meer triomferen daarmee de wil en het vermogen en de gave om goed te doen en goed te spreken boven de 'Triumph des Willens', de individuele en collectieve drijfveer tot slechtheid, het nieuwsgierig en gulzig opzoeken van de bodem van het kwaad.

Banaliteit – Hannah Arendt is er beroemd mee geworden. Haar boek Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil uit 1963 draagt het woord zelfs in zijn titel. En Hannah Arendt, de voormalige studente en minnares van de apert foute Martin Heidegger, is er sterk om bekritiseerd, met name in Israël. Daar wordt tot de dag van vandaag veel over gezegd en geschreven, er zijn congressen, dissertaties en documentaires aan gewijd.

En toch – er dient nog iets gezegd. Wie het jaartal 1961, het jaar dat Otto Adolf Eichmann door zijn Israëlische rechters werd veroordeeld tot dood door ophanging, omdraait en op zijn kop zet, komt op hetzelfde uit: 1961.

Maar wie de vrijheid neemt ‘de banaliteit van het kwaad’ - met een begrip uit diezelfde sixties – om te turnen in ‘het kwaad van de banaliteit’ komt tot verrassende inzichten. Goed en Kwaad – Von Trotta zoomt hier in haar film terecht op in – zijn niet twee polen aan de uiteinden van dezelfde lijn. In die observatie is Hannah Arendt even radicaal als verhelderend. Met andere woorden: zij heeft dat goed gezien en daarbij de persoonlijke moed gehad pal te staan voor haar bevinding.

Goed en kwaad – actrice Hannah Schygulla spreekt als Hannah Arendt de woorden met nadruk uit wanneer zij zich op Harvard in een persoonlijke apologie tot haar studenten richt – behoren namelijk niet tot dezelfde ethische categorie! Baanbrekend kun je die stellingname gerust noemen en houdbaar eveneens. Maar geldt dat ook voor ‘de banaliteit van het kwaad’, gesteld in die volgorde? Is het kwaad niet juist inherent, sluipend en gemaskeerd aanwezig in iedere banaliteit, in iedere platitude, in afstomping, verveling, in iedere automatische overgave aan de mainstream, in elk ‘doe maar gewoon, dan wantrouw ik je al genoeg’?

Tot zover de schaduwkant van de zaak.

En nu de zonzijde: wat een enorm potentieel schuilt er in de omkering naar ‘het kwaad van de banaliteit’! Wanneer we ons bewust worden dat in platvloersheid, in onbezieldheid, in luiheid van denken, van handelen en oordelen (Arendts drie aangrijpingspunten van persoonlijk, politiek en verantwoordelijk handelen) het kwaad zich ophoudt als een monster dat ieder onbewaakt moment tevoorschijn kan springen, kunnen we op onze klompen aanvoelen welke houding, mentaliteit en methode aangewezen zijn bij het kiezen voor de weg van het goede. Samenvattend en aansluitend bij Arendts opmerkelijke visie: het kwaad strekt zich uit over de oppervlakkige as van de banaliteit, het goede speelt zich af op de diepe, allerdiepste laag van subtiliteit en nuance. Van kwaad naar goed verlangt een kwantumsprong, geen geleidelijke overgang.

Zoals een criticus in de ware zin van het woord past – want wat zou een criticus meer moeten zijn dan iemand die onderscheiden aanbrengt? – onthoud ik mij hier van een oordeel over Margarethe von Trotta's film Hannah Arendt. Dat doe ik niet omdat ik mij niet zou willen uitspreken of omdat ik de film al dan niet geslaagd acht, maar om een heel andere reden: de lakmoesproef voor deze film – juist voor déze film – kan geen andere zijn dan de vraag of, dan wel in welke mate de film zelf al dan niet banaal is of juist origineel in zijn benadering. De enige die dat kan uitmaken bent u zelf, vanaf 2 mei, in de bioscoop.

3 + 3 = ?

Columns 2020

Columns 2019

Columns 2018

Columns 2017

Columns 2016

Columns 2015

Columns 2014

Columns 2013

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.