Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 11 juni 2026
Uwe Neumahr, De boekhandel van de ballingen, Parijs 1940 – toevlucht en verzet
Vertaald door Rogier van Kappel
Uitgegeven in 2026 door Querido
ISBN: 9789025320997
Op de omslagfoto, gemaakt omstreeks 1928, is Ernest Hemingway te zien, staande voor de Parijse boekhandel Shakespeare and Company aan de Rue de l’Odéon. Naast Hemingway staat de in Amerika geboren eigenaresse van de boekhandel, Sylvia Beach. Geheel links staat Adrienne Monnier. Zij is de eigenaresse van de boekhandel La Maison des Amis des Livres, gelegen aan de overzijde van de Rue de l’Odéon. “Twintig jaar lang”, schrijft Neumahr, “brachten beide vrouwen de uitgestrekte oceaan die Frankrijk van de Verenigde Staten scheidde, terug tot de menselijke proporties van een enkele straat die moest worden overgestoken.”
La Maison des Amis des Livres was meer dan een boekhandel. Beroemde en aankomende auteurs kwamen daar om elkaar te ontmoeten en om met elkaar te discussiëren. Adrienne Monnier organiseerde bijeenkomsten om dat te stimuleren. Daarnaast was er een uitleenbibliotheek met abonnees. Voor een nog jonge Simone de Beauvoir “symboliseerde deze boekhandel de fascinerende wereld van de moderne literatuur.” Het waren de jaren tussen de twee wereldoorlogen, de années folles, de dwaze jaren. Monnier, met haar korte kapsel, moet tegen de schrijver Jules Romains hebben gezegd: “Zoals u zult zien, ben ik geen man of vrouw, maar een boekhandel.”
Sylvia Beach kon met geld van haar Amerikaanse moeder Shakespeare and Company openen, het trefpunt voor Engelstalige, veelal Amerikaanse schrijvers, onder wie Ernest Hemingway, die toen als correspondent voor een Canadese krant in Parijs woonde. Ook de Ierse schrijver James Joyce verbleef die beginjaren in Parijs en in 1921 besloot Sylvia Beach Ulysses uit te geven, het boek dat James Joyce wereldberoemd zou maken. De bekende uitgevers dorsten dit boek niet aan omdat het te scabreuze passages bevatte. Het uitgeven van Ulysses was voor Sylvia Beach uiteindelijk “een nachtmerrie”; Joyce bleek een lastige en veeleisende auteur, tot het onbehoorlijke aan toe, maar het bracht haar ook ruime bekendheid. Later was ze er laconiek onder: “Ulysses was tenslotte van Joyce”, noteerde ze, “Een baby is van zijn moeder en niet van zijn vroedvrouw, nietwaar?”
Een recensent schreef: “Voor wie houdt van literatuurgeschiedenis voelt De boekhandel van de ballingen soms aan als een snoepwinkel vol lekkere anekdotes.” Dat kan men zo zeggen. Wat het boek van Neumahr interessant maakt, zijn echter niet zozeer de literaire anekdotes. Van betekenis is vooral ook de rol van beide eigenaressen nadat Parijs door de Duitsers was bezet.
Walter Benjamin, hem neem ik als voorbeeld, had al in 1930 kennis gemaakt met Adrienne Monier. “Al vroeg had hij een bemiddelende rol ingenomen tussen de Duitse en de Franse cultuur.” Onder meer had hij werk van Marcel Proust in het Duits vertaald. In de loop van de tijd ontwikkelde Adrienne Monnier een relatie met Benjamin die, zoals hij aan een vriend schreef, “een vriendschap in Duitse zin heel dicht benadert.”
Zomer 1941-voorjaar 1942 verscherpten zich de maatregelen van de Duitse bezetters. Sylvia Beach sloot eind 1941, kort na Pearl Harbor, noodgedwongen haar boekwinkel. Adrienne Monnier schreef in die tijd: “De Joden zijn het slachtoffer van de sterkste collectieve suggestie. In werkelijkheid zijn ze niet beter of slechter dan anderen, maar wat van hen afkomstig is, wordt benadrukt, uitvergroot en verantwoordelijk gehouden voor al het slechte. Ze lijken voortdurend als zondebok te moeten dienen.”
Joden werden verplicht een gele ster te dragen. Bij massale razzia’s werden zij opgepakt en in de ‘hel’ van het Vélodrome d’Hiver bijeengebracht. Sylvia Beach en Adrienne Monnier hielpen bij de heimelijke evacuatie van Joodse kinderen. Ook in de toen leegstaande woning van Sylvia verstopten zij enkele kinderen.
In het laatste deel van het boek is meer concreet beschreven welke rol de beide boekhandels hebben gespeeld bij de redding van Joodse schrijvers. Zo is Walter Benjamin, die zich in 1933 definitief in Parijs had gevestigd, al september 1938 geïnterneerd in het Stade Yves-du-Manoir. Voor de lichamelijk zwakke en in praktische zaken hulpbehoevende Benjamin was, vooral in het begin, zijn verblijf daar levensbedreigend.
Adrienne Monnier en de met haar bevriende Joodse fotografe Gisèle Freund kenden de dichter-diplomaat Henri Hoppenot die zich voor Walter Benjamin sterk heeft gemaakt, waardoor hij na enige tijd naar Parijs kon terugkeren. Toen mei 1940 internering opnieuw dreigde, greep Hoppenot weer in. Voor Benjamin maar ook voor anderen, de schrijver Arthur Koestler bijvoorbeeld.
Juni 1940 stonden de Duitse troepen vlak voor Parijs en Benjamin vluchtte “noodgedwongen en haastig” naar het zuiden. Zijn moeizame en noodlottige tocht over de Pyreneeën acht ik voldoende bekend. Voordien had hij nog een brief aan Adrienne Monnier geschreven: “Ik denk aan u: ik zal onophoudelijk aan u denken zolang Parijs nog in gevaar is. Ik kom u niet alleen tegen als ik aan Parijs en aan de Rue de l’Odéon denk, die ik aan de zorg van de machtigste en minst belaagde beschermgod wil toevertrouwen, maar ook op menig kruispunt van mijn gedachten. Ik groet u en betuig u mijn diepste genegenheid.”
In deze brief bedankt Benjamin tevens voor de mooie brief van H. “De naam van Hoppenot, de beschermengel met wie Benjamin verbonden bleef en aan wie Adrienne zijn dank moest overbrengen, mocht om veiligheidsredenen alleen in een afkorting worden vermeld. Dit waren de laatste regels die Adrienne van Walter Benjamin ontving.”
Hoppenot, “helper van talrijke Duits-Joodse emigranten” heeft zich in 1942 uit de diplomatie teruggetrokken. Daarna trad hij in dienst van La France libre van Charles de Gaulle. Na de oorlog zette hij zijn glansrijke diplomatieke carrière voort. “Zijn grote humanitaire inzet voor de redding van Duits-Joodse ballingen is grotendeels onbekend gebleven.”
En Ernest Hemingway? Hemingway had dienst genomen in het Amerikaanse leger en “wilde koste wat het kost zijn geliefde Parijs bevrijden. Bovendien was zijn goede vriendin Sylvia voor hem verbonden met de metropool aan de Seine.” Sylvia Beach heeft in haar memoires de intocht van Hemingway in nogal romantische bewoordingen verteld. Daaronder ook zijn uitroep toen hij de Rue de l’Odéon weer verliet: ”om de kelder van het Ritz te bevrijden.” Bedoeld is de wijnkelder, zoals wij weten uit het door mij eerder besproken boek van Philippe Collin, De barman van het Ritz.
De hulp die Adrienne Monnier aan Joodse schrijvers heeft geboden, is vrijwel onbekend gebleven. In de jaren vijftig kwam een einde aan La Maison des Amis des Livres. Wel is in 2021 een plaquette aangebracht aan het huis Rue de l’Odéon 7. Eigenlijk, schrijft Neumahr, had Adrienne Monier tevens moeten zijn voorgedragen voor de eretitel van Yad Vashem, ‘Rechtvaardige onder de volkeren’.
Siri Hustvedt, Ghost Stories, Een boek van herinneringen
Vertaald door Paul van der Lecq
Uitgegeven in 2026 door De Bezige Bij
ISBN: 9789403139623
Siri Hustvedt was lang getrouwd met de op 30 april 2024 overleden schrijver Paul Auster. Haar boek van herinneringen geeft een indringend beeld van Paul Auster en van hun huwelijk. Christien Brinkgreve noemde het in Trouw het mooiste boek over rouw dat zij heeft gelezen. En Ilse Josepha Laseroms, die ook voor deze nieuwsbrief boeken bespreekt, schreef in De Groene Amsterdammer een uitstekende recensie, waarnaar ik graag verwijs.
Waarom ik dit boek hier toch noem, heeft een andere reden. In het boek van Hustvedt komt de Joodse achtergrond van Auster slechts in enkele passages aan de orde. Dat is, schrijf ik er zekerheidshalve bij, niet onbegrijpelijk. Het zijn háár herinneringen.
Mij gaat het hier om slechts enkele passages. Zo is Auster op zijn ziekbed begonnen aan het schrijven van brieven aan zijn kort daarvoor geboren kleinzoon Miles. De eerste brief is gedateerd maart 2024. Al in zijn tweede brief diezelfde maand schrijft Auster aan Miles dat hij “een ingewikkelde stamboom heeft.” “Ook is het goed te beseffen dat je moeder geheel en al half-Joods is.”
Voor Auster is zijn afkomst, zoon van oorspronkelijk uit Oostenrijk afkomstige Joden, altijd van betekenis geweest. Veel van zijn boeken tonen dat aan. Het blijkt ook uit het boek van Hustvedt: “Paul wilde”, schrijft zij, “op zijn joods begraven worden in een eenvoudige, grenenhouten kist, zonder balseming. Hij wilde dat er kaddisj gezegd werd. De rabbijn vertelde dat die kaddisj niet van Hebreeuwse, maar van Aramese oorsprong was …”
Tenslotte lees ik bij Hustvedt dat Auster in 1997 “werd uitgenodigd om in Mishkenot Sha’ananim, Jeruzalem, tot ‘Held van de Cultuur’ te worden gedoopt.” Tijdens zijn verblijf gaf hij een interview aan een van de landelijke Israëlische kranten waarin hij zich negatief uitliet over Netanjahoe.
Deze passage slaat de brug naar de column die ik indertijd voor Crescas schreef naar aanleiding van het boek van Paul Auster en J.M. Coetzee, Een manier van vriendschap, Brieven 2008-2012. Een persoonlijk getoonzette column die ik – in enigszins aangepaste vorm - overnam in Tel me bij de amandelen. Daarin staat het volgende:
In de briefwisseling met Coetzee snijdt Auster het Midden-Oostenconflict aan als een “van de honderden, zo niet duizenden problemen die de wereld teisteren.” Het antwoord van Coetzee aan Auster is behoedzaam: “Je snijdt het onderwerp Israël aan. Ik vind Israël moeilijk om over te praten, maar als je me toestaat, zal ik proberen orde te scheppen in mijn verwarde gedachten.” En verderop: “Zoals veel westerse intellectuelen (…) heb ik gemengde gevoelens over Israël/Palestina.”
Auster valt in een volgende brief Coetzee bij: “Zelfs ik, een Jood die een jaar voordat de staat Israël werd gesticht, geboren is, ben niet minder verdeeld dan jij.”
Kort daarna bezoekt Auster Israël. Hij geeft uiting aan zijn verwarde en verdeelde gevoelens. Jeruzalem noemt hij een van de mooiste steden ter wereld. “Jeruzalem in bloesem, het licht van mei, de indrukwekkende stenen, overal schitterende kleuren.” Aan de oppervlakte gaat het leven gewoon door, schrijft hij, maar daaronder is er angst, “het einde van de hoop.” Auster laat geen twijfel bestaan over wat hij vindt van de “genadeloze opstelling van de Israëlische regering, haar regelmatig slechte inschattingen en herhaaldelijke brute optreden.” “Maar”, constateert hij ook, “geen ander land heeft het gevoel dat het in zijn bestaan wordt bedreigd, dat totale uitroeiing een reële mogelijkheid is.”
Auster kreeg van Coetzee de ruimte om over zijn verwarde en verdeelde gevoelens te schrijven. Hun vriendschap liet dat toe. Maar ook omdat Coetzee, nadat het Midden-Oostenconflict in de briefwisseling was opgedoken, Auster had laten weten: “Ik heb Joodse vrienden voor wie het lot van de staat Israël heel veel betekent. Als ik moet kiezen tussen mijn vrienden en het principe van historische rechtvaardigheid, ben ik bang dat ik voor mijn vrienden kies – niet alleen omdat ze mijn vrienden zijn, maar ook omdat ik geloof dat hun betrokkenheid bij Israël (die niet per se steun voor enige Israëlische regering inhoudt) zorgvuldig overdacht en diepgevoeld is en op sommige momenten behoorlijk gekweld.”
Deze opstelling van Coetzee trof mij. Net als Auster, schreef ik indertijd, zou ik met Coetzee over Israël durven spreken. Zonder enige aarzeling.
Auster liet zich in 1997 in Israël eren. Of hij dat onder de omstandigheden van vandaag ook nog zou hebben gedaan, is de vraag. Voor Coetzee gaven die omstandigheden in ieder geval voldoende aanleiding om niet te verschijnen op het van 25 tot 28 mei jl. gehouden 14e Internationale Schrijvers Festival in Jeruzalem. De daarvoor door hem aangevoerde redenen laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Ooit was hij, laat Coetzee weten, “een aanhanger van Israël.” Nu hebben “jarenlange medestanders van Israël zich in afschuw afgekeerd van de acties van het Israëlische leger.”
Opvallend is de reactie van de festivaldirecteur Julia Fermento-Tzaisler. Zij respecteert de beslissing van Coetzee al is zij het met die beslissing niet eens. Daaraan voegt zij toe: “Ik zal niet stoppen met het lezen en schrijven van boeken – en zeker niet de prachtige, inspirerende boeken van Coetzee zelf.”
Hier ben ik het zonder meer mee eens. Literatuur van belangrijke schrijvers als Coetzee en Auster kan inspireren. Zeker lezen dus. Hun boeken zijn onontbeerlijk voor het ijken van het eigen moreel kompas.
De ballingschap van Stefan Zweig, Brieven, dagboekaantekeningen en lezingen
Vertaald door Bart van Kreel en ingeleid door Stefan van der Poel
Uitgegeven in 2026 door uitgeverij IJzer
ISBN: 9789086843312
Joseph Roth, Perlefter, Vanochtend kwam er een brief…
Vertaald door Peter de Wolff en met een voorwoord van Els Snick
Uitgegeven in 2026 door M10Boeken
ISBN: 9789493332188
Het boek met werk van Stefan Zweig "omtrent het thema ontheemding" is nog niet verschenen. De boekpresentatie vindt plaats op donderdag 2 juli a.s. om 16.00 uur in de Synagoge Groningen.
In de nieuwsbrief van 1 mei jl. wees ik al op de komende uitgave van twee teruggevonden verhalen van Joseph Roth, Perlefter, Vanochtend kwam er een brief…. De presentatie van dit boek vindt plaats op vrijdag 19 juni a.s. in de voormalige synagoge van Lochem, aanvang 20.00 uur. Op sjabbat dus. Het kan zijn dat u zich de vraag stelt of dat passend is. In een notendop, zo zou men kunnen zeggen, is dit de vraag die al bij de begrafenis van Joseph Roth werd gesteld.
Atte Jongstra, Inkt, bloed & liefde, Leo Vroman (1915-2014)
Uitgegeven in 2026 door De Arbeiderspers
ISBN: 9789029553179
De dezer dagen verschenen biografie van Leo Vroman, geschreven door Atte Jongstra, heb ik nog niet kunnen lezen. Daar kijk ik wel naar uit. Nu de nieuwsbrief van Crescas tijdens de komende zomermaanden pauzeert, lijkt mij in dit geval deze korte aankondiging wel gepast.
Men zou natuurlijk kunnen beginnen met het luisteren naar Vroman zelf. In 1987 heeft hij zeventien gedichten ingesproken, opgenomen door Maurits Rubinstein. Daaronder het gedicht 'Vrede' met de beroemde regels: "Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen." De titel van het luisterboek is Leo Vroman leest Mens en antiquarisch gemakkelijk te vinden.



